De kringloop van verslaafden

In Denis Johnsons formidabele Vietnamroman Een zuil van rook (2007) staat een narratief intermezzo van vijftig pagina’s dat zich in 1966 afspeelt in Phoenix, Arizona, aan de rand van de woestijn.

De zeventienjarige scholier James Houston krijgt een telefoontje van zijn oudere broer Bill, een Vietnamvrijwilliger die tijdens een verlof op Honoloeloe niet alleen alcoholisch ontspoort. James popelt om zelf ook aan het soldatenleven deel te nemen, hoewel Vietnam en dood dicht bij elkaar liggen. Zijn prille seksleven met een brave scholiere heeft niets te maken met geestelijk contact. Onverschilligheid en het verlangen naar een roesbestaan leiden ertoe dat hij zijn meisje laat vallen.

Dat contactarme bestaan van James doet denken aan het slotverhaal van de bundel Jezus’ zoon (1992), dat nu opnieuw verschijnt, Beverly Home, dat zich ook in Phoenix afspeelt. ‘En soms stak er in de woestijn een stofstorm op, die zo hoog oprees dat hij op een stad leek – een angstwekkend nieuw tijdperk dat naderde, dat onze dromen vertroebelde.’ De ik-figuur, bezig af te kicken van drank en drugs zodat hij opnieuw kan beginnen, heeft dankzij Narcotics Anonymus een baantje in een tehuis voor mensen met allerlei afwijkingen. Een van zijn werkzaamheden is het schrijven van de maandelijkse nieuwsbrief. In wezen is hij een schrijver in spe. Maar hij dwaalt af van het rechte pad dat hij nu bewandelt en verliest zich in voyeurisme en dubieuze fantasieën. Zijn contactarme bestaan en gebrek aan eigenwaarde blijken uit het antwoord op de vraag waarom hij een vrouw begluurt. Het zou niets voorstellen en hij heeft nog wel slechtere dingen gedaan.

Medium jezuszoon still

Dat klopt, want de ik-verteller in de elf verhalen die Jezus’ zoon bevat is steeds dezelfde. Zijn bijnaam is Fuckhead en zijn gevoelsleven is een woestijn. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig – de tijd waarin de verhalen zich afspelen – was een fuckhead een onhandig warhoofd, een leugenaar of iemand die door blijft kletsen als een ander zich probeert te concentreren. Hoewel Johnson (1949) zijn verteller psychologisch summier duidt, leveren de weinige aanwijzingen door de verhalen heen wel iets op. In de van drank en drugs vergeven a-chronologisch opgebouwde vertellingen heeft deze jongeman een vrouw of een vriendin, zelfs een zoontje van een half jaar, voor wie de verteller bang blijkt. Die vriendin, ook aan de drugs, krijgt één keer een naam. In dat verhaal, Smerig huwelijk, ondergaat ze een abortus, verlaat ze haar vriend en sterft onder jammerlijke omstandigheden. De ik-figuur is permanent onderweg, ‘on the road’, op de vlucht in Seattle, Chicago, Iowa of Arizona. Hij lift, rijdt doelloos rond in metro, bus of auto’s en heeft geen vast ‘thuis’, of het moet de kroeg The Vine zijn, een langgerekt café dat op een treinwagon zonder bestemming lijkt waarin iedereen zit die elders uit een cel, inrichting of ziekenhuis is ontsnapt (in Op borgtocht vrij). In Werk – een mooi suggestief verhaal over een man die met Fuckhead getuige is van een wel heel bijzondere ‘verschijning’ – is The Vine een uit de rails gelopen restauratiewagon, ‘een moeras van tijd’ wachtend op de sloophamer.

Plak ik nu een benauwde burgermansboodschap op dit cultboek?

Het eindeloze gedrogeerde zwerversbestaan in Jezus’ zoon zal veel oude en jonge Kerouac-adepten aanspreken (een van de redenen dat dit boekje een cultstatus heeft; maar ik begrijp wel dat Johnson tegenwoordig onverschilliger staat tegenover zijn korte verhalen). En dan is er nog de verregaande onthechting die de verhalen beheerst en die Johnson al in het openingsverhaal Auto-ongeluk bij het liften – een welhaast klassieke, bondige liftersvertelling – formuleert. De zwaar gedrogeerde hobo (‘Ik kende elke regendruppel bij naam. Ik nam alles waar voordat het gebeurde’) doet er na een dodelijk ongeluk al snel het zwijgen toe en biedt geen hulp. Hij blijft aan de kant staan kijken, een hallucinerende mompelaar in de marge van de maatschappij, het type bekend uit vele voortreffelijke verhalen van William Burroughs en Richard Brautigan. De sfeer is die van eind jaren zestig, begin jaren zeventig, maar alle vertellingen worden achteraf verteld.

De gewelddadigheden in Jezus’ zoon komen voort uit verslaving gecombineerd met geestelijke afstomping of uit jaloezie. De vrouwen laten zich daarbij niet onbetuigd: een man met een glazen oog komt bij de Eerste Hulp met een mes in zijn andere oog omdat zijn vrouw hem naar de buurvrouw had zien gluren; een andere man wordt door een vrouw in zijn mond geschoten.

De titel heeft Johnson ontleend aan Lou Reeds song Heroin: ‘When I’m rushing on my run/ And I feel just like Jesus’ Son’. Een non-existent gevoel dus. Aan het slot van Dundun komt Jezus terug, vlak nadat de man die de verteller zijn bijnaam heeft gegeven is gestorven aan een schotwond in zijn buik. ‘Alle valse dromen waren uitgewist. Het voelde als het moment voordat de Verlosser komt. En de Verlosser kwam wel, maar we moesten lang wachten.’ De enige verlossing uit de kringloop waarin verslaafden vastzitten is afkicken. Pas daarna is een nieuw leven mogelijk. Het staat niet met zoveel woorden in Jezus’ zoon, maar het slotverhaal suggereert het wel. Als je maar volhoudt en niet afdwaalt.

Plak ik nu een benauwde burgermansboodschap op dit cultboek, dat criminaliteit lijkt te romantiseren? Lees de slotzin van de bundel maar, waarin de min of meer succesvol afkickende ik-verteller tot het besef komt dat er ook voor hem een plekje is op de wereld, na alle omzwervingen. Dát is zijn verlossende gedachte.


Beeld: In het midden Billy Crudup als Fuckhead in de verfilming van Jesus’ Son van Alison Maclean in 1999