De aristocratisering van de Republiek verbeeld

De kroon op het werk

De schilderkunst van de late zeventiende en vroege achttiende eeuw staat in de schaduw van de bloei van de zeventiende eeuw – op z’n best was het een nabloei daarvan. Toch werd die aristocratische kunst tot ver in de achttiende eeuw internationaal gerekend tot de top van de Hollandse kunst en in heel Europa verzameld.

U bent ongetwijfeld vertrouwd met het negentiende-eeuwse cliché dat de artistieke bloei van de Gouden Eeuw maar een jaar of zestig zou hebben geduurd en dat hij hoe dan ook het zogenaamde rampjaar niet zou hebben overleefd. De Franse aanval op de Republiek werd in 1672 weliswaar afgeslagen, maar de verderfelijke invloed van de Fransen bleef. De rest van de eeuw zou daarom zijn getekend door verkwisting en verval. De waarachtig Hollandse kunst was immers burgerlijk en sterk geweest, een kunst van haring, kaas en uien, van schepen op de grote vaart, van boerderijen en van stadsgezichten, van stoere schutters, enzovoort. Perziken en rozen daarentegen, gedroomde landschappen in zuidelijk licht, een Hercules die aarzelt tussen Deugd en Ondeugd, of ook Achilles die zich als een meisje voordoet om aan de oorlog te ontsnappen – dat paste onze negentiende-eeuwse schrijvers allerminst. Zij vonden dat zogenaamde einde van de Gouden Eeuw maar triest. In de tentoonstelling De kroon op het werk in het Dordrechts museum is geprobeerd de Hollandse kunst uit het laatste kwart van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw na zo’n 150 jaar verwaarlozing weer recht te doen, en te proberen te begrijpen waarom tijdgenoten zich destijds juist verheugden over hetgeen later werd verguisd.

De schilderachtigheid van bouwvallige boerderijen en aangeschoten boeren was passé: zij wilden nu wel eens een betere wereld zien, en verlangden ook naar een kunst die ergens over ging. De voorkeur ging nu uit naar beelden van een paradijselijk Arcadië, waar zorgeloze herders zich met mooie jonge vrouwen amuseerden, naar beelden van een leven niet zoals het was, maar zoals het ooit of elders wellicht zou kunnen zijn. Men wilde bovendien weer eens wat anders en men wilde vooruit.

Wat dat betreft was deze kunst bepaald geen nabloei, zoals ze ook wel is genoemd, maar eerder een bewuste stap, een Kroon op het Werk, waarbij de formidabele techniek van de Hollandse schilders dienstbaar werd gemaakt aan het mooiste en het beste dat men zich voor kon stellen. De vele virtuoze lichtjes van Dous Avondschool keren bij zijn leerling Schalcken terug als de veertien lampjes van de Wijze en de Dwaze Maagden uit de gelijkenis in het Nieuwe Testament, met als toegevoegde waarde dat de schilder deze mooie jonge vrouwen buiten in het maanlicht heeft geplaatst, zodat wij ons niet alleen kunnen verheugen over de behendigheid waarmee hij al die verschillende reflecties van het lamplicht heeft verbeeld, maar ook over het verschil tussen het warme en het koude licht van vuur en maan.

Ook Adriaen van der Werff, de meest succesvolle schilder van zijn tijd, een internationale ster en naar tegenwoordige begrippen miljonair, ontworstelde zich aan het schilderen van zogenaamd moderne beelden om zich te gaan wijden aan de verbeelding van antieke historiën en verhalen uit de bijbel. Zijn hoofdwerk illustreert de vijftien Mysteriën van de Rozenkrans, en het werd geschilderd in opdracht van Johann Wilhelm, keurvorst van de Palts, die hem daarvoor vorstelijk beloonde en in de adelstand verhief.

Misschien gruwt u daar nu wel van, zoals Potgieter ooit deed, of de Franse criticus Thoré, want adelstand en rozenkrans gelden tegenwoordig allerminst als artistiek, en Hollands zijn ze evenmin. Maar als dat ene paneel uit Van der Werffs Mysteriën van de Rozenkrans, dat uit München naar Dordrecht is gekomen, niet onmiddellijk overtuigt, dan zullen de pendantportretten van de kunstenaar en zijn vrouw dat wel doen. Van der Werffs roodfluwelen mantel en het daaroverheen gelegde oranjerode lint – dat is volmaakte schilderkunst, ook al zijn de man zijn krullen vals.

Zoals Van der Werff en Schalcken de genreschilderkunst hebben verlaten om de techniek van de Hollandse fijnschilderkunst in te zetten voor het meer hooggestemde repertoire uit bijbel en klassieke Oudheid, zo ziet men de grote stillevenschilders uit deze periode zich richten op de meest kostbare en bijzondere zaken – een witte pauw bij Weenix, exorbitante boeketten bij Ruysch en Van Huysum, zeldzame cactussen bij Elias van den Broeck. Alleen de in provinciale afzondering werkende Adriaen Coorte schilderde nog een Vanitas met een doodshoofd en een vedel met gesprongen snaren – onweerstaanbaar mooi en scherp, maar ver verwijderd van de kunst die toen de toon aangaf.

De kunstenaar die meer dan enig ander de aristocratisering van de Hollandse kunst tegen het einde van de zeventiende eeuw bevorderd heeft is de schilder en theoreticus Gerard de Lairesse, die als jonge man uit Luik naar Amsterdam verhuisde en daar al snel de toon zette. Dat succes werd hem later zeer kwalijk genomen, te meer daar hij een buitenlander was – een ‘valse Waal’, zoals een vroegere directeur van het Rijksmuseum hem ooit noemde. De Franse modernisten uit het midden van de negentiende eeuw hadden vooral bezwaar tegen het academisme dat De Lairesse hier te lande had gepropageerd, terwijl de Hollandse nationalisten in hem de zaaier zagen van het uitheemse gif dat de waarachtig Hollandse kunst bedorven had. De Lairesses Groot Schilderboek zou wat dat betreft een bron van ellende zijn geweest – en een bron was het zeker, want het werd tot ver in de achttiende eeuw herdrukt en gelezen en ook al vroeg in het Frans, Duits en Engels vertaald.

Dit is niet de plaats om in te gaan op de betekenis van De Lairesse als auteur, maar als u de tentoonstelling bezoekt beveel ik u aan vooral goed te kijken naar de prachtige De Lairesse uit het Louvre, de Hercules die tussen Goed en Kwaad moet kiezen, maar ook naar zijn Achilles onder de meisjes uit Brunswijk. Een schilderij dat ons als in een toneelstuk laat zien hoe de als koopman verklede Odysseus erin slaagde Achilles te ontmaskeren, door hem en de meisjes bij wie hij zich verborgen hield naast juwelen en toiletgerei ook wat wapentuig te laten zien – waarbij de als meisje verklede held natuurlijk naar de wapens greep.

Elders in de tentoonstelling komt u dat destijds geliefde onderwerp, met die moeilijk te schilderen rol in travestie, nog eens tegen, maar nu in een schilderij van Hendrik van Limborgh uit 1713 – en dan ziet u dat De Lairesse, met zijn nog zo door en door Hollandse stofuitdrukking en anekdotiek, inmiddels door het zoveel zuiverder classicisme van deze leerling van Adriaen van der Werff volledig is voorbijgestreefd.

Met dat werk van Hendrik van Limborgh houdt de Hollandse kunst inderdaad op kunst van de Gouden Eeuw te zijn en loopt de ontwikkeling die in de jaren zeventig van de zeventiende eeuw was ingezet ten einde. Korte tijd later staat er in de persoon van Cornelis Troost een schilder op die een heel andere toon zal kiezen, en met hem, denk ik, is de Gouden Eeuw dan definitief voorbij.

Het zal mij benieuwen hoe deze avontuurlijke tentoonstelling zal worden ontvangen, en of wij intussen bereid zijn deze kunst van luxe en welbehagen, deze kunst die de aristocratisering van de Republiek zo prachtig illustreert, weer op haar eigen merites te beoordelen. Tot ver in de achttiende eeuw werd ze internationaal gerekend tot de top van de Hollandse kunst en in heel Europa verzameld, om daarna te worden verguisd en uiteindelijk te worden vergeten. Eerdere tentoonstellingen die in de afgelopen vijftig jaar zulke door de negentiende eeuw verworpen stromingen of momenten uit de Hollandse kunst lieten zien, zoals de grote overzichten van de Hollandse navolgers van Caravaggio, of de Italianiserende landschapschilders, of ook de fijnschilders van Dou tot Van der Werff, hebben die groepen of bewegingen steevast hun plek in de geschiedenis teruggegeven – en niemand die van goeie schilders houdt zou denk ik Ter Brugghen of Dujardin of Frans van Mieris nu nog willen missen. Ik hoop zeer dat dit project ook zo’n bijstelling zal helpen initiëren.

Peter Hecht is hoogleraar aan de Universiteit Utrecht.