De kruinen van woorden

Geert van Istendael, Sociale zekerheid en andere gedichten, € 16,90

Beneden. Boven, Tegendraadse draad
draait water luchtwaarts, buitenwaarts. Oneindig.
Begrensd, Wiskundig afgelijnde maat
van helling, vijzel, ton formeert mijn arbeid.
Vet is het land dat zich op mij verlaat.

Een oude Griek zag in een droom gebaren
van molens boven mist. Zijn linkerhand
schreef met een stok spiralen in het zand.
Poëzie is bezieling en ambacht, mysterie en luciditeit, waanzin en intelligentie. Hoewel een goed gedicht al deze elementen in zich draagt, bepaalt het temperament van de dichter de specifieke mengverhouding, waarbij doorgaans een van die eigenschappen overheerst. Het vakmanschap van Thomas Möhlmann staat tegenover de bevlogenheid van Pieter Boskma, de raadsels van Paul Celan zijn ondenkbaar bij Wislawa Szymborska, de taalgekte van Astrid Lampe contrasteert met het intellectualisme van Stefan Hertmans. Dwars door deze categorieën loopt het onderscheid tussen hen die zich terugtrekken in een eigen domein en degenen die vinden dat de dichter een maatschappelijke taak te vervullen heeft.
Geert van Istendael (1947) is een ambachtelijk dichter met een politieke missie. Het multiculturele Brussel is zijn biotoop, maar zijn grootste liefde geldt het Nederlands: ‘ik smeed juwelen voor je, Nederlands,/ ik steek mij in de schulden,/ ik koop de duurste jurken uit Milaan,/ alleen om jou te sieren’. Het Nederlands heeft hoekige schouders en te lange benen, zij is de taal 'van Etterbeek tot Roodeschool’ en 'van Wad en Waal tot Woluwe’, 'waarin ik stotter en verdwaal’. Omdat de taal in ieder woord, in iedere zinswending geschiedenis met zich meedraagt, en omdat een samenleving die haar geschiedenis vergeet ophoudt een beschaving te zijn, hamert Van Istendael op het belang de diversiteit aan talen en dialecten, juist in een verenigd Europa, te koesteren:

Proef al je talen op je tongen, dwaas Europa,
gehikt, gehoest, vermaledijd, gezongen,
toon trots je woordenschatten zonder weerga

en sta niet één woord af, niet één woord
in niet één taal af, Europa. Waak als een draak
op bergen edelstenen. En als je zwijgt,

zwijg dan in alle talen.

Uit bovenstaande strofen blijkt Van Istendaels gave voor welluidende retoriek. De lezer wordt vaak rechtstreeks aangesproken en op zijn verantwoordelijkheden gewezen, maar ook verleid met sonore alliteraties en binnenrijmen. Die klankherhalingen suggereren ook betekenisverbanden en roepen daardoor de illusie op dat de taal een verborgen wijsheid bevat, dat zij meer weet dan wij kunnen bevroeden.
Van die suggestie maakt Van Istendael volop gebruik in de reeks waarmee de bundel begint, negen gedichten die zijn samengebracht onder de eenvoudige noemer 'De dingen’. De vorm ervan roept associaties op met de ingenieuze taalbouwsels van de rederijkers, al gaat deze dichter zo soepel om met rijm en ritme dat de 'dingen’ geen gekunstelde indruk maken. Integendeel, het lijkt alsof de gedichten alleen maar zo geboren hadden kunnen worden. Taal en object vallen feilloos samen in Ladder, waar de herhalingsfiguren de treden representeren:

Hij weet hoe kruinen waggelen en zuchten,
hij brengt de ogen tot hoog overzicht,
hij brengt het hoofd tot in de wolkenluchten,
hij brengt de oren tot het vogelnest,
hij brengt de tanden tot het vlees van vruchten.

Zijn eisen zijn eenvoudig. Stap voor stap
zal hij zich geven. Wie niet horen wil,
die trapt hij van zich af. De stilte na de gil.

Betekenisvol is ook dat de laatste regel een versvoet te veel telt: het duurt even voordat het geluid van de gil weggestorven is en men kan vaststellen hoe fataal de val de klimmer is geworden. Hoe langer je naar dit gedicht kijkt, des te rijker wordt het. De klim vindt plaats in een boomgaard, doet beroep op alle zintuigen en is gericht op het verwerven van 'vlees van vruchten’: het kan haast niet aardser. Toch wordt ook een spirituele of metafysische betekenis gesuggereerd, namelijk dat we vruchteloos onze menselijke mogelijkheden trachten te overstijgen. Wie behoedzaam handelt kan misschien een eind komen, maar er zijn grenzen aan de lengte van de ladder.
Daarmee zijn in zekere zin ook de grenzen van deze poëzie aangegeven. Van Istendael wil best zo nu en dan een ladder beklimmen, een hoge toren desnoods, maar zijn plaats is op de grond, waar nog genoeg te doen is. Van een aangename nuchterheid getuigt de titel van de bundel: Sociale zekerheid en andere gedichten: alsof een ode aan de belastingdienst of een sonnet op de werkloosheidsuitkering de gewoonste zaak van de wereld zou zijn. Maar de titel houdt ook een opdracht in. De mens leeft niet bij brood alleen, ook poëzie is een levensbehoefte.
Van Istendael vervult zijn maatschappelijke plicht door, als een nieuwe Louis Paul Boon of Herman Gorter, de oude socialistische idealen af te stoffen: 'Ik buig/ voor een godin in stervensnood. Zij heeft/ een warme boezem, brede armen, zij kon/ omhelzen, voeden. Haar naam is Solidariteit.’ Geheel in de sfeer van Henriette Roland Holst is een gedicht over hoop, waarin een gezang klinkt, 'vaag en toch nabij’, 'een woud vol stemmen’ zelfs, waaruit zich een heldere meisjesstem losmaakt, 'een streep van hoop, een bres’:

'Wij breken, nu, de wurgende spiraal
van vraag en aanbod, klein profijt en nijd:
De solidariteit is niet te koop.’

Deze politiek geladen gedichten zijn niet de beste van de bundel, maar ze vormen wel degelijk een integraal onderdeel van wat Van Istendael met zijn poëzie beoogt. Dichters zijn de 'prinsen, prinsessen van harpen en boeken’ die de Europese beschaving behoeden, en daartoe behoren niet alleen kathedralen en de herinneringen aan gaskamers, maar ook goed bestuur en het recht op huisvesting. De dichters 'kennen de wortels, de kruinen van woorden,/ de bloem en de droesem, de mest en de melk’. Van Istendael is een dichter op wie je kunt bouwen.

GEERT VAN ISTENDAEL
SOCIALE ZEKERHEID EN ANDERE GEDICHTEN
Atlas, 87 blz., € 16,90
Schroef van Archimedes