Neger-nummer   19 april 1930

De kunst der negers

Gelukkig valt er over negerkunst (hier bedoeld de oude negerplastieken) weinig te zeggen en is er alles aan te zien! Een ‘negerkunstgeschiedenis’ bestaat dan ook niet en zal niet geschreven kunnen worden, omdat vrijwel alle daarvoor benoodigde bijzonderheden ontbreken.

Wij zullen dus nooit precies weten wat wij zien, d.w.z. wij zullen, wanneer wij tegenover deze beeldhouwwerken staan, niet weten wat de maker bedoelde en ons dus ook niet in diens gevoelens kunnen verplaatsen. Het ‘begrijpen’ van deze uitingen wordt daardoor wel zeer moeilijk en juist het niet begrijpen speelt bij de waardeering van deze scheppingen blijkbaar een zeer groote rol!

Dat voor hen, die de ethnographie bestudeeren alle bijzonderheden van belang zijn spreekt van zelf, dat zij moeten weten of een bepaald werkstuk de bedoeling had meer kracht en luister bij te zetten bij religieuze ceremonieën, of meer speciaal bij krijgsdansen behoorde te worden gebruikt, dan wel bij voorvadervereeringen, besnijdenisfeesten, ritueele dansen of bij een van de velen andere, bij de negers belangrijke handelingen, dat zij het noodzakelijk achten uit te vinden waarin, voor het gevoel dier negers, de groote kracht van zoo een primitief gesneden fetisch gelegen is, dat zij trachten door te dringen in de geesteswereld van deze natuurmenschen, dit alles kunnen wij van hun standpunt uit gezien volkomen volgen. Het is dan ook begrijpelijk, dat vele geleerden van naam zich reeds jaren lang veel moeite getroosten om al deze details toch te kunnen vastleggen en het is jammer dat zij zich voor het meerendeel met gissingen hebben moeten tevreden stellen.

Voor hen evenwel, die zich voor deze scheppingen interesseerden om de kunstwaarde ervan, is het ontbreken van deze zekerheden geen bezwaar, ja, voor hen zijn al deze vorschingen geheel overbodig. Zij hebben geen behoefte aan uitvoerige beredeneeringen en zij gevoelen niet de noodzaak bij het te beschouwen beeld een met zekerheid vastgestelde omschrijving te krijgen. Juist omdat deze werken niet uitsluitend van belang zijn uit volkenkundig oogpunt, maar eerst en vooral omdat zij de sterke beeldende Kunst vertegenwoordigen van primitieve, eerlijke, onbedorven menschen.

Hoe zelden komt het slechts voor dat wij in musea of op andere tentoonstellingen voor een werk komen te staan dat ons direct, bij de eerste beschouwing, een oogenblik den adem beneemt van ontroering, of hoe deze aandoening anders moge heeten! Voor de nog weinigen die ervoor gevoelig blijken te zijn is dit, staande tegenover een goed voortbrengsel der oude negerkunst wel, en steeds opnieuw, het geval. En dit lijkt mij dan ook het, weliswaar zeer moeilijk te omschrijven, bewijs tegen de grote groep van lieden, die nog altijd met een meer of minder welwillend glimlachje de schouders ophalen wanneer er over de ‘Kunst’ der negers gesproken wordt. Want wat een werk tot een Kunstwerk maakt is toch niet uitsluitend een groot technisch kunnen en een tegemoetkomen aan onze gemakzucht, die zoo graag wil worden geplaatst tegenover prettige, gemakkelijk te herkennen, vertrouwde, en daarom al gauw beminde vormen. Neen, indien een werk niet in de eerste plaats in staat is bij den beschouwer een directe emotie teweeg te brengen is dit werk niet tot de kunst genaderd. Kan het een dergelijke gewaarwording wél verwekken en is het daarbij een sterke, karakteristieke en vooral ‘échte’ vormgeving, dan mogen wij den schepper ervan toch wel een kunstenaar noemen.

Hoe ook de expressie ervan in onze oogen mag zijn: innig, verheven, grotesk, of barbaarsch, deze plastieken zijn altijd vol van spanning en menschelijkheid en daarom altijd weer boeiend. Liever toch de ademlooze beklemming, de hartklopping van schrik, die niet meer redeneerende verbazing, teweeg gebracht door een schepping die wij niet ‘begrijpen’ kunnen, dan de lauwe en gemakkelijke voldaanheid om een vriendelijke bekende!

Het spreekt natuurlijk van zelf dat hier alleen gedoeld werd op de allerbeste specimina die ons door de oude negers werden nagelaten. Zooals in alles is er hier, en hier wel ongewoon sterk, zeer groot verschil in qualiteit te vinden. Enkele musea en weinige ‘ziende’ particuliere verzamelaars hebben, met een bijna niet te beteugelen hartstocht de schoonste stukken naar zich toe gehaald, waardoor eenige groote en zeldzaam belangrijke collecties ontstonden. Juist echter de vele minderwaardige exemplaren die in omloop zijn en niet minder de overal opduikende vervalschingen, welke de leek voor het meerendeel onder de oogen krijgt, maken het voor deze moeilijk te geloven in die dan toch bestaande schoonheid!

Moge hij dus daar, waar zich een grotere of kleinere verzameling van werkelijke negerkunst onder zijn bereik vindt, deze gaan zien! Dit zal hem, indien hij daarvoor ontvankelijk is, beter overtuigen dan een kast vol literatuur over dit nog altijd gevaarlijke onderwerp. •

……………………………………………………………………………………………………………..

Carel van Lier

Zonder Rousseau geen artistieke avant-garde. Het idee dat de kunst geen bevestiging is van de bestaande cultuur, geen verfraaiing, maar het doorbreken van grenzen, een aanval op het bestaande, is ondenkbaar zonder de fundamentele cultuurkritiek die eind achttiende eeuw opkwam. Tegenover de verstikkende ratio, de artificiële ‘beschaving’, stond de nobele wilde, de natuurmens, die nog ‘echt’ was en niet misvormd door kunstzinnige conventies.

Moderne kunstenaars die de oorlog verklaarden aan de culturele traditie gingen op zoek naar de oorsprong, het primitieve, het authentieke. Paul Gauguin ging naar de boeren van Bretagne en vervolgens naar de Stille Zuidzee. De Fauves en Picasso lieten zich inspireren door Afrikaanse maskers en beelden.

Begin twintigste eeuw was Afrikaanse kunst ‘in’ en de Amsterdamse kunsthandelaar Carel van Lier (1897-1945) was een gedreven pleitbezorger van wat toen nog ‘negerplastiek’ heette. In zijn galerie aan het Rokin stelde hij Afrikaanse beelden ten toon te midden van werk van moderne schilders als Jan Sluijters en Max Beckmann.

Voor het grote ‘Negernummer’ van De Groene uit april 1930 schreef Van Lier een beschouwing over ‘De kunst der Negers’. Tegenover de ‘gemakzucht’ van veel kunstliefhebbers, die kiezen voor ‘prettige, gemakkelijk te herkennen, vertrouwde, en daarom al gauw beminde vormen’, gaf hij de voorkeur aan ‘de ademlooze beklemming, de hartklopping van schrik, de niet meer redeneerende verbazing, teweeg gebracht door een schepping die wij niet “begrijpen” kunnen’. (RH)