1982: Dé vakbondsman - Wim Kok

De kunst der versimpeling

Wim Kok was een ingetogen man. Hij reed in een Opel Kadett. Zijn hobby’s waren wandelen en kamperen. Zijn lievelingsmaal: aardappelen, sperziebonen en een karbonade. Als leider van de vakbeweging bedacht hij in 1982 het cruciale Akkoord van Wassenaar en behoedde het land voor ellende.

Siena, Italië, september 1985, ’s ochtends een uur of negen. Een lange, gebogen gestalte, met opgetrokken schouders en een beetje stijfjes in de heupen, loopt naar het washok van stadscamping Colleverde. Hij komt uit een klein sheltertentje waarnaast een Opel staat, van het type Kadett of Ascona. Bij het washok zet hij het scheerapparaat in een baard van enkele dagen. Wim Kok is aan het afkicken.

De week daarvoor, op 11 september, heeft hij afscheid genomen van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (fnv). De jaren bij het nvv meegerekend, het socialistische vakverbond dat in 1976 fuseerde met het katholieke nkv, heeft hij een kwart eeuw bij de arbeidersbeweging doorgebracht, waarvan twaalf jaar als voorzitter. Zoals zoveel instituties in deze gistende tijd onderging de vakcentrale in die jaren een metamorfose. Van een hiërarchische, bevoogdende belangenorganisatie die in harmonie met de werkgevers goed voor de arbeiders zorgde, is de fnv veranderd in een maatschappijkritische, activistische organisatie, die over alle onrecht op de wereld een opvatting heeft.

Voor Kok zijn het tropenjaren geweest. Een jaar voor zijn vertrek bij de fnv is hij in de vakantie geveld door een gekmakende, niet te onderdrukken hoofdpijn, die tot in het ruggenmerg doortrekt, het begin van een hersenvliesontsteking. Na zijn herstel onthult zijn neuroloog hem dat het risico op overlijden 25 procent is geweest en de kans op het wegvallen van essentiële lichaamsfuncties eveneens 25 procent. Hij herstelt, maar weet dan dat zijn tijd bij de fnv erop zit, ook omdat hij geen monument van de vakbeweging wil worden. De luwte lokt, nu burgemeester Harm Buiter van Groningen hem als zijn opvolger heeft gepolst, maar hij kiest ten langen leste voor een overstap naar het leiderschap van de pvda, waarvoor Joop den Uyl al meermalen een beroep op hem heeft gedaan. Het gevoel van verantwoordelijkheid voor de publieke zaak drukt zwaar op hem. Ook daarom kan hij geen ‘nee’ zeggen tegen zo’n persoonlijk appèl van de sociaal-democratische leider, die hij hoog acht.

GroenLinks-politicus Wim de Boer, zelf goed bekend met Predikers woord dat je moet doen wat je hand te doen vindt, typeert Koks verantwoordelijkheidsgevoel aan het eind van diens politieke loopbaan, als hij in de Eerste Kamer dit zelfgeschreven gedicht voordraagt:

‘Door weer en tegenwind, het lange lijf gebogen,

trapt hij verbeten voort, zwaar zijn de tas en fiets,

zoon van een timmerman, wellicht op weg naar iets,

dat hoger is dan nu.

Nooit heeft hij licht gewogen,

Anderhalf A4’tje met een vage tekst en een hele rij handtekeningen, meer is ‘Wassenaar’ feitelijk niet

dit stroeve, stroeve land waar hoog niet wordt gevlogen,

een polder waar je kijkt, daar verder zien brengt niets.

Wie deze wortels heeft, krijgt nooit iets expliciets,

meer dan het grote gebaar telt hier het stugge pogen.’

Hoewel zelf soms verbaal wel van het grote gebaar heeft Den Uyl grote waardering voor Kok zijn soberheid en degelijkheid. Al in de jaren zeventig heeft hij zich tijdens een autoritje met zijn vertrouweling Ed van Thijn laten ontvallen dat hij de fnv-voorzitter als zijn opvolger ziet. Het klikt al de eerste keer dat ze wat langer met elkaar verkeren, na een tv-uitzending van Brandpunt waarin Kok de pvda-leider als ‘getuige’ steunt in een debat over de koopkracht. ‘Dit gaat iets worden’, denkt ook zijn vrouw, Rita, als ze hen beiden op tv ziet.

Tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-77) spreken ze elkaar zo af en toe bij de premier thuis aan de Weldam in Buitenveldert, tot diep in de nacht, in de rook van Den Uyls sigaartjes. De vaste wil van de pvda-leider om zijn eigen opvolging te regelen ontketent begin jaren tachtig een ontluisterende kroonprinsenstrijd in de pvda. Den Uyl, fervent gesteund voor partijvoorzitter Max van den Berg, wil wachten tot Kok beschikbaar is, hetgeen naar verwachting tot 1985 zal duren. Andere pvda-politici in de top dringen al in 1982 aan op een overdracht van het leiderschap, na het mislukte ministerschap van Den Uyl in het treurniswekkende, al spoedig gestrande kabinet-Van Agt II. Kandidaten als Jos van Kemenade en André van der Louw blijven verbitterd achter, nadat Den Uyl duidelijk heeft gemaakt dat hij aanblijft tot Kok naar Den Haag kan komen. Hij vat zijn conclusie dat anders chaos dreigt ultrakort samen: ‘Vóór Kok. Als ik het niet doe: rotzooi.’

In het directe contact met zijn favoriete kandidaat is hij niettemin behoorlijk vaag. Op een avond praat Den Uyl, vergezeld door enkele raadgevers, lang met hem, bij Kok thuis in het schakelvillaatje in Amsterdam-Slotervaart. Als hij om half twee naar bed gaat, zegt Wim tegen Rita: ‘We hebben de hele avond interessant gepraat, maar ik zou wel eens willen weten wat ze nu precies willen.’ ‘Ik weet het heel goed’, zegt Rita. ‘Ze willen jou!’

In de kroonprinsenstrijd om het pvda-leiderschap blijft Den Uyls voorkeur voor hem onwankelbaar, óók als de vakbeweging tot twee keer toe diametraal tegenover de partij komt te staan. Onder Kok voert de fnv begin 1982 met grote, heftige demonstraties het verzet aan tegen Den Uyls plan om de uitkeringen bij ziekte te verlagen. Den Uyl doet dat voorstel als minister van Sociale Zaken in Van Agt II. Spoedig na de val van dat kabinet, aan de vooravond van de regeringsverklaring van het eerste kabinet-Lubbers, belt Kok met werkgeversvoorzitter Chris van Veen. Het resultaat van zijn initiatief zal het Akkoord van Wassenaar zijn, waarmee de sociale vrede weer is getekend. Het politieke effect is dat het kabinet van cda en vvd een vliegende start kan maken. Kok heeft de christen-democraat Ruud Lubbers goud in handen gegeven, een luttel half jaar nadat hij zijn geestverwant Joop den Uyl met het Ziektewet-protest in het nauw heeft gedreven.

1982 zal als een breukjaar de geschiedenis in gaan, niet alleen door de wending die het eerste kabinet-Lubbers aan politiek, maatschappij en economie geeft, maar ook door het resultaat van de gesprekken die Kok met Van Veen voert, bij de werkgeversvoorman thuis in Wassenaar. In ‘het huis met de kleine ramen’, zoals de villa in Engelse stijl in het dorp bekendstaat, onderhandelen beiden zo’n tien uur, bijgestaan door hun rechterhand. Anderhalf A4’tje met een vage tekst en een hele rij handtekeningen, getekend op 24 november 1982, meer is het Akkoord van Wassenaar feitelijk niet. De Japanse overheid vraagt het internationaal bewonderde akkoord op, in de veronderstelling dat voor het vervoer minstens een hutkoffer nodig zal zijn, maar krijgt als antwoord dat het ook wel even kan worden gefaxt. Hoe summier ook, ‘Wassenaar’ legt wel de basis voor het economische herstel in de latere jaren tachtig. Omwille van winstherstel van de bedrijven toont de vakbeweging zich bereid de lonen te matigen, in ruil voor werkgelegenheidsmaatregelen als arbeidstijdverkorting.

Kok realiseert zich dat hij met zijn evenwichtskunst een riskante wissel op de toekomst heeft getrokken

Kok stuit met ‘Wassenaar’ zowel in eigen kring als in de geestverwante politieke partij op onbegrip, soms zelfs woede. Lubbers, de man die Kok nu zo ter wille is, belichaamt in de ogen van links de dreiging van ‘Nieuw Rechts’, waartegen Den Uyl een jaar eerder, op 3 mei 1981, in een rede van tweeënhalf uur in Paradiso nog zo heeft gefulmineerd. Kok realiseert zich ook dat hij met zijn evenwichtskunst een riskante wissel op de toekomst heeft getrokken. De werkgevers zullen de vruchten van de loonmatiging direct kunnen proeven, bij de eerstvolgende cao-rondes. Zijn achterban daarentegen, onder wie honderdduizenden werklozen, zal moeten afwachten of het verhoopte effect van meer werk zich daadwerkelijk voordoet. Er is geen garantie dat de werkgevers de extra winst niet dankbaar zullen binnenhalen en oppotten.

Toch heeft Kok nooit eerder zo sterk ervaren dat hij deze verantwoordelijkheid moet nemen, ondanks alle reserves en weerstand bij de eigen beweging. Hij hanteert de stelregel dat besluitvorming zowel voor de vakbeweging als voor de politiek neerkomt op het verantwoord begeleiden van onvermijdelijkheden, de kunst van het haalbare. Hij vindt dat de wereld van de pvda in deze tijd niet meer aansluit bij de economische werkelijkheid. Een grote oppositiepartij moet in zijn ogen niet alleen maar ‘tegen’ zeggen, maar haar idealen verbinden met realiteitszin. Hij heeft geleerd dat hij soms dingen moet aanvaarden zonder ze te accepteren, alleen al om zelf in zijn functie te overleven. Op de pijnlijke momenten in zijn latere politieke bestaan zal hij die levensregel nog meer dan eens aan zichzelf moeten voorhouden.

Met de economie is het in deze tijd gierend uit de hand gelopen. De geldontwaarding loopt op tot meer dan tien procent, de winsten marginaliseren, het ene na het andere bedrijf loopt op de klippen, de werkloosheid verdubbelt in enkele jaren tijd van 250.000 tot een half miljoen. Over de werkloze jongeren zegt men dat zij de no future-generatie vormen. De sfeer in de maatschappij is zonder meer somber. ME’ers worden een vertrouwde aanblik in tv-verslagen van acties. Bij de troonsbestijging van Beatrix op 30 april 1980 is Amsterdam het toneel van veldslagen. Van vrolijk anarchisme is in de krakersbeweging geen sprake meer, nu ze steeds verder in de greep van grimmige gewelddadigheid komt. Burgemeester Ed van Thijn ontsnapt op het nippertje aan een gewisse dood, als de twee brandbommen pal naast zijn slaapkamer te klunzig in elkaar blijken te zijn gezet om te exploderen. Zelfs in de modekleuren was de keuze tussen somber of hard. Het was ofwel zwart, ofwel de uitgesproken kleur van de zogeheten neonstijl.

Tegen deze achtergrond sluit Kok het Akkoord van Wassenaar, om het zijne bij te dragen aan een keer ten goede. Het gaat hem in zijn dienst aan de publieke zaak om werkgelegenheid en rechtvaardigheid. Onwillekeurig denkt hij daarbij aan de mensen die het in zijn jeugd moesten stellen zonder zulke elementaire levensvoorwaarden. ‘Werk, werk, werk’, het devies van zijn eerste kabinet, is de rode draad in zijn actieve leven, zowel in de vakbeweging als in de politiek. Géén werk was synoniem met diepe armoede en de vernederende gang naar de bijstand, in ruil voor een schamele uitkering. Dat staat hem bij uit de crisisjaren waarin hij is geboren.

Wim Kok komt ter wereld op de dag (29 september 1938) dat Neville Chamberlain in het Verdrag van München de bezetting van Sudetenland door nazi-Duitsland legitimeert, in de verwachting dat Hitlers annexatiehonger daarmee is gestild: peace for our time. De dokter stelt zijn moeder nog voor de baby naar Chamberlain te vernoemen, maar zij weigert. Wim zal de naam van zijn vader krijgen.

Zijn jeugd speelt zich af in Bergambacht in de Krimpenerwaard, aan de Dijklaan in Bergstoep, een buurtje met achttien arbeidershuisjes, dat een kleine rode enclave vormt in het door zware protestanten gedomineerde dorp. Als zijn vader werkt is het bij De Concurrent, een timmerfabriek aan de rivier. Op een zekere dag voert de directie prestatieloon in, nadat Berenschot met de stopwatch normtijden voor de productie heeft vastgesteld. In de werkplaats hangt de doem van ontslag over de traagste werkers. Extra loon is er voor wie het meest produceert, de jonge, krachtigste arbeiders. Zijn vader komt boos en verdrietig thuis en werkt zijn moeder op de zenuwen als hij een paar keer onder aan de lijst heeft gestaan. Hij weet dat wie dat te vaak overkomt de laan wordt uitgestuurd.

Kok zal nooit tot de hogere kringen gerekend willen worden, ook niet als hij premier is. Als hem na een receptie met hoogwaardigheidsbekleders wordt gevraagd hoe het was, zo onder hoge heren, antwoordt hij dat het geen gezelschap van hoge heren kón zijn omdat hij erbij was.

De dag nadat hij Den Uyl zijn ‘ja-woord’ heeft gegeven en besluit op te gaan voor het pvda-leiderschap reist Kok met de trein naar Groningen om Buiter mee te delen dat hij afziet van het burgemeesterschap. Met dat besluit blijft Kok prominent in de publieke sfeer aanwezig. In de jaren zeventig geven Den Uyl en hij leiding aan organisaties in de Rode Familie die de heersende vernieuwingsgeest incorporeren en van haar een geduchte politieke, maatschappelijke en sociaal-economische machtsfactor maken. pvda en fnv zijn de voorhoede in de vormgeving van de idee van Nederland als gidsland.

Een decennium eerder is de geest van vernieuwing nog iets onbestemds, iets zwevends, bovenal romantisch van aard. Zij keert zich tegen overleefde taboes, tegen vastgeroeste structuren, tegen burgerlijkheid, tegen alles wat het individu in zijn vrijheid belemmert. De beweging van de jaren zestig markeert eerder een mentale dan een politieke revolutie. De oude morele orde vermolmt in de media en in de publieke sfeer, maar de politieke orde nog niet, hoewel Nieuw Links zich halverwege de jaren zestig al opmaakt voor de verovering van de macht in de pvda en d66 haar stormachtige entree in de Tweede Kamer maakt.

In het veld van de radicalen is Kok een man van het midden. Splijten is niet moeilijk, vindt hij, binden is de opgave

Links weet in die tijd zeker dat het ’t gelijk aan zijn kant heeft. Dat zelfbewustzijn maakt zich in de jaren zeventig van pvda en fnv meester, in de tijd dat Den Uyl en Kok er aan de leiding staan. De partij en het vakverbond absorberen het linkse gemoed en zetten het verlangen van de vernieuwingsbeweging om in concrete politieke en sociaal-economische eisen en wensen. Het geloof in maakbaarheid is groot. In dat rotsvaste vertrouwen in het eigen gelijk kiest de pvda voor polarisatie tegenover rechts, een strategie die in de praktijk soms ontspoort in overmoed en machtsdrang. Zo komt het erop neer dat de pvda de christen-democratische partijen kvp en arp toestaat in het kabinet-Den Uyl mee te regeren, mits zij bereid zijn onverkort mee te werken aan de uitvoering van vier ‘maatschappijhervormende voorstellen’ van de sociaal-democraten. Met de fusie van kvp, arp en chu tot cda hervindt ‘rechts’ zich overigens snel als machtsfactor. De beloning komt meteen, met het premierschap van eerst Dries van Agt en vervolgens Ruud Lubbers.

In de fnv opereert Wim Kok wat afstandelijker, minder geëngageerd dan Den Uyl in de pvda. Hij onderschrijft de doelen van de activistische vakbeweging wel, maar nuchter, altijd met één oog gericht op de praktische haalbaarheid. Voor de opgewonden sfeer van het protest is hij niet echt ontvankelijk. Als student kun je natuurlijk lang op gespannen voet blijven leven met de gevestigde orde, vindt hij, maar als werknemer moet je uiteindelijk wel op je werk verschijnen.

Niettemin zal Kok waarschijnlijk wel de laatste zijn die als grote vakbondsleider in het geheugen gegrift staat. We kennen ze wel, de fnv-voorzitters na hem, zoals Hans Pont, Johan Stekelenburg en Lodewijk de Waal, maar een iconische waarde als dé fnv-leider hebben zij niet, in tegenstelling tot Kok. Hij markeert de grote verandering in de vakbeweging, van belangenbehartiger naar brede maatschappijkritische beweging. De fnv zal vaker de confrontatie kiezen in plaats van het harmoniemodel, dat overblijfsel van de verzuiling, toen de topmannen van de regerende partijen, werkgevers en werknemers het land bestierden. ‘Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam!’ is een van de uitspraken die dat activisme kenmerken. Zijn rechterhand, Herman Bode, een oude rot in de vakbeweging, roept dat in maart 1980 in Amsterdam, bij de grote demonstratie tegen de wettelijke beperking die het kabinet-Van Agt aan de stijging van de lonen stelt.

De slogan ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’, later het motto van het kabinet-Den Uyl, is al in 1972 gemeengoed in de Industriebond nvv, de radicaalste van de socialistische bonden, die onder leiding staat van de even retorisch begaafde als stijfkoppige Arie Groenevelt. In de nota ‘Fijn is anders’ formuleert Groenevelt het politieke streven van zijn bond onomwonden: ‘De Industriebond nvv wil een socialistische samenleving op basis van arbeidsdemocratie.’ Zo’n democratie, geïnspireerd op de papieren werkelijkheid van het Joegoslavië van de communist Tito, houdt een verregaande mate van leiding van de arbeiders over het bedrijf in. De Industriebond nvv wil niet meewerken met de invoering van ondernemingsraden, een van de vier maatschappijhervormende voorstellen van de pvda, zolang het doel van de arbeidsdemocratie niet is bereikt: ‘Geen ons medezeggenschap voor een kilo medeverantwoordelijkheid.’ Hoewel Kok waardering heeft voor Groenevelt vindt hij diens radicalisme te ver gaan, zeker als de Industriebond wel politiek stelling neemt maar weigert verantwoordelijkheid te dragen. Splijten is niet moeilijk, vindt Kok, binden is de opgave.

Ondanks zijn beduchtheid voor radicale oprispingen stemt hij in met het doel de vakbeweging los te maken uit de enge niche van de belangenbehartiging en te verbreden tot een maatschappijkritische beweging. Als voorzitter zet hij zich vanaf zijn aantreden in 1973 tot zijn vertrek in 1985 daarvoor in. Voor Kok is de zorg voor een goede, expanderende economie en voldoende werkgelegenheid het beoordelingskader dat zijn keuzes bepaalt, ook als hij daarvoor concessies moet doen aan zijn eigen overtuigingen. Hij past daarmee in dezelfde bestuurlijke traditie als Willem Drees, althans als het gaat om ‘de kunst der versimpeling’. Ook Drees bracht kwesties terug tot hun kern, een duidelijk afgebakend kader, dat hem hielp de politieke besluitvorming terug te brengen tot overzichtelijke keuzes.

Dat brengt Kok er in 1982 toe niet direct de ramkoers tegenover het kabinet-Lubbers te kiezen en het initiatief te nemen tot een pacificerend vergelijk met de werkgevers. Het harmoniemodel moet hier voor het activisme gaan, anders dreigt de economie verder in te zakken en de werkloosheid te exploderen. Met het sluiten van het Akkoord van Wassenaar handelt Kok als ‘zondige reformist’, een beeld van Joop den Uyl waarin hij zich herkent. In het veld van de radicalen is hij een man van het midden.

Voor Kok is ‘Wassenaar’ ook een wraak van de polder op de politiek. In de jaren daarvoor heeft het kabinet tot drie keer toe met een wettelijke maatregel ingegrepen in de loonvorming en ook Lubbers, net aangetreden als premier, dreigt weer met zo’n dictaat. Zij aan zij met werkgeversvoorzitter Van Veen meent Kok dat de sociale partners het laatste woord over de lonen van de overheid moeten terugvorderen. Koks meest expliciete kritiek op Joop den Uyl is dan ook dat hij te weinig respect heeft voor de autonomie van de vakbeweging, met zijn opvatting dat de staat het recht heeft in te grijpen in cao-contracten tussen de sociale partners. Volgens Kok overschat Den Uyl daarmee de rol van de politiek.

Dit verschil van inzicht typeert de tegenstelling in hun opvatting over de taak van de overheid en het machtsbereik van de politiek. Voor Den Uyl ligt het primaat bij de politiek, voor Kok niet. Overeenkomstig de sociaal-democratische traditie ziet Den Uyl de partij als de voorhoede, het hoofd van de Rode Familie. De partij leidt, de geestverwante maatschappelijke organisaties en media volgen. Zo hoort het, volgens Den Uyl. Dat ziet Kok anders. In de machtsverhouding tussen staat, markt en maatschappelijke organisaties legt hij meer gewicht bij de laatste twee.

Nadat hij het leiderschap van de partij heeft overgenomen volgt een moeizaam afscheid van de pvda van Den Uyl. Na de periode van de grote ambities en de hooggespannen verwachtingen over maakbaarheid in de jaren zeventig slaat bij de sociaal-democraten de twijfel toe aan het vermogen van de staat om de maatschappij te hervormen. Toen een partij vol zelfvertrouwen en op het arrogante af overtuigd van het eigen gelijk, valt de pvda nu terug op een bescheiden positie van waaruit zij de hemel niet meer zal bestormen. De pvda zal geen ‘ononderhandelbare strijdpunten’ meer hebben, zoals ten tijde van Den Uyl.

Sinds de jaren zeventig is de politiek niet meer het brandpunt van de publieke sfeer, zoals destijds, toen zelfs al het persoonlijke politiek heette. Haar positie is nederiger. In het geval van de pvda draagt de veranderde zienswijze van de sociaal-democraten op de verhouding tussen staat, markt en samenleving zonder meer bij aan de relativering van het belang van politiek. De zelfingenomen pvda van de jaren zeventig, onuitstaanbaar voor politieke tegenstanders, kon wel een lesje in bescheidenheid gebruiken. Maar de vervlakking van het politieke profiel van de pvda sinds het aantreden van Kok roept tegelijkertijd de vraag op of dat lesje niet te rigoureus is geweest. In 2002 staat zij mede daardoor met de mond vol tanden als Pim Fortuyn zijn aanval op de oude orde opent, waarbij hij het vooral op de pvda en haar leider heeft voorzien.

Dertig jaar heeft Kok de ingetogenheid in de vakbeweging en de politiek verbeeld. Bij de fnv rijdt hij niet in een Opel Kadett omdat de vakbond vindt dat groter ongepast is, maar omdat hijzelf een luxe auto overdreven vindt. Zijn hobby’s zijn wandelen in de Kennemerduinen en kamperen. Zijn lievelingsmaal is een bord aardappelen, sperziebonen en een karbonade. Hij is een burgersocialist, net als Drees, wiens borstbeeld hij meteen bij zijn aantreden als premier in het Torentje laat zetten. En in 2002 wordt zijn partij gedecimeerd door het succes van een dandy die zich in een Jaguar met chauffeur laat vervoeren, met twee witte keffertjes op de achterbank.


Beeld: (1) Als FNV-voorzitter wordt Wim Kok door weknemers van de scheepswerf Wilton-Fijenoord na een toespraak op de schouders door Schiedam gedragen, 11 februari 1982 (Paul Stolk / ANP). (2) Joop den Uyl (links) en Wim Kok (rechts) op het congres van het Europese Vakverbond, 23 april 1982. In de kroonprinsenstrijd om het PvdA- leiderschap is Den Uyls voorkeur voor Kok onwankelbaar (Koen Suyk/ ANP)