De liefde van Vincent van Gogh

De kunst is lang en het leven kort

«Een kunstenaar werkt niet alleen met verf, maar ook met een gebroken hart», schreef Vincent van Gogh aan zijn broer Theo. Het is typerend voor zijn wanhopige liefdesleven, dat wordt gekenmerkt door mislukte relaties, liefdesverdriet en eenzaamheid.

In de bibliotheek van het Van Goghmuseum staan vele honderden boeken en publicaties over Vincent van Gogh, maar opvallend genoeg is er relatief weinig geschreven specifiek over zijn turbulente liefdesleven. De verklaring voor deze terughoudendheid zou volgens dr. Leo Jansen, wetenschappelijk mede werker van het museum, liggen in het feit dat het lange tijd als «onkies» gold. Bij zo’n grote kunstenaar zou een serieuze studie naar zijn geworstel met vrouwen en seksualiteit wellicht opgevat kunnen worden als gepsychologiseer of als te sappige human interest.

Dat neemt niet weg dat over dit onderwerp een schat aan informatie ligt in de intensieve correspondentie van Vincent van Gogh met zijn vier jaar jongere broer Theo en de tientallen brieven aan de bevriende Franse kunstenaar-dichter Emile Bernard, die samen met honderden andere brieven aan zijn vrienden, ouders en zus in 1990 zijn gepubliceerd in de bekende vierdelige «gele banden». Liefdesbrieven aan vrouwen zijn daar niet bij, omdat die er niet meer zijn.

Wie deze brievenverzameling begint te lezen, krijgt onmiddellijk het bijna beklemmende gevoel volledig in de huid van Vincent van Gogh te kunnen kruipen. Hij leverde gedetailleerd commentaar op zijn eigen artistieke ontwikkeling en kon eindeloos zeuren, op het drammerige af, over dagelijkse, aardse aangelegenheden, zoals zijn lichamelijke kwalen en zijn voortdurende gebrek aan geld. En hij schreef over zijn verlangens, ontmoetingen en mislukte huwelijksaanzoeken. Uit al die passages kan Van Goghs liefdesleven worden gereconstrueerd, hoewel Leo Jansen stelt dat de kunstenaar ogenschijnlijk openhartig is over zijn verhoudingen, maar uiteindelijk niet het achterste van zijn tong laat zien: «Pas als hij in de problemen komt, uit hij zich. Vaak schrijft hij pas achteraf over zijn gevoelens.»

Er blijven vooral veel vragen open, waarover — hoe kan het anders — tot op de dag van vandaag in kunsthistorische kringen wordt gespeculeerd en gekibbeld. Onenigheid bestaat bijvoorbeeld over de kwestie wie de eerste liefde van Vincent van Gogh zou zijn geweest. Ook heersen verschillende opvattingen over Vincent van Gogh als man op zoek naar liefde en erkenning. Volgens sommigen zou hij een typisch product zijn geweest van de Victoriaanse seksuele moraal van zijn tijd: een paradoxale mengeling van enerzijds een door religie beheerste kuisheid, die zich uitte in een moeizame, gewetensvolle, ondoorgrondelijke benadering van vrouwen «als hogere wezens», en anderzijds een bijna perfide, onblusbare drang naar seks, die een uitweg vond in frequente bezoeken aan de lokalen van prostituees. Voor jongens uit de gegoede burgerij was dat een doodnormale aangelegenheid, die zeer openlijk plaatsvond. Volgens de opvatting van die dagen was het immers «onhygiënisch» om zaad zich te laten «ophopen» in het lichaam.

Volgens anderen daarentegen zou Vincent Van Gogh überhaupt niet bij machte zijn geweest relaties met mensen aan te gaan, laat staan met vrouwen. Zijn onvermogen tot een bestendige verhouding had dus minder te maken met de tijdgeest dan met zijn stille, in zichzelf gekeerde karakter, dat hem in de weg zat bij elke subtiele toe nadering tot de andere sekse. Zijn gevoelens hield Van Gogh lang verborgen voor anderen, en als hij er dan uiteindelijk mee voor de dag kwam, was zijn verliefdheid zo onstuimig en dwingend dat hij de vrouw en haar omgeving van zich afstootte. Toen hij nog jong was, gaf hij aan zielsgraag een gezin te willen stichten. Dat verlangen zou hij ten slotte hebben opgegeven nadat vele teleurstellende pogingen hem ervan hadden overtuigd dat hij niet geschikt was voor de liefde.

Vincent van Gogh ontwikkelde allengs de visie dat het kunstenaarschap een normaal gezinsleven in de weg stond. «Een kunstenaar werkt niet alleen met verf, maar ook met zelfverloochening en een gebroken hart», schreef hij aan Theo. Hij beschrijft hoe «trachten nóg beter werk te maken» voor hem de enige manier is om het verloren zelfvertrouwen te herwinnen en innerlijke rust te krijgen, en maakt duidelijk dat er een directe relatie is tussen relationele frustratie en professionele inspiratie en ambitie. Tegenover zijn vriend Emile Bernard, die hij in 1886 in Parijs leerde kennen, stelt Vincent van Gogh expliciet dat er een causaal verband bestaat tussen (geen) seks en artistieke prestatie, die vanuit freudiaans perspectief gezien zou kunnen worden als een sublimatie van ejaculeren (met de kwast als symbool van het mannelijk geslacht). Van Gogh schreef in 1888 aan Bernard: «Schilderen en veel neuken, dat gaat niet samen, dan verweken de hersenen. En dat is heel vervelend.» En als goede raad aan zijn veel jongere bewonderaar: «Neuk niet te veel, als je niet te veel neukt, zal je schilderwerk er alleen maar mannelijker op worden. Ach! Balzac, deze grote en krachtige kunstenaar, heeft het ons duidelijk gezegd, dat betrekkelijke kuisheid heilzaam is voor moderne kunstenaars. (…) Als wij flink willen klaarkomen in ons werk, dan moeten wij er soms vrede mee hebben dat we weinig neuken en voor de rest, naar gelang ons temperament dat eist, leven als een soldaat of een monnik. (…) Waarom zouden we moeite doen om onze creatieve levenssappen daar te laten weg stromen waar de broodpooiers en de eenvoudige, weldoorvoede hoerenlopers harder dan wij werken aan de bevrediging van de geslachtsorganen van de hoer (…)»

Over Van Goghs visie op seks en schilderen is maar weinig geschreven. Fred Leeman, kunsthistoricus en ex-conservator van het Van Goghmuseum, deed dat wél, in een bijdrage aan het boek Van Gogh’s Table at the Auberge Ravoux (2001). Van Goghs vriendschap met Emile Bernard is in Nederland lange tijd onderbelicht gebleven, maar daar komt volgend jaar verandering in met een speciale publicatie over dat onderwerp.

Wie zijn de vrouwen van Vincent? Hij viel op zijn modellen, heel gewone vrouwen, zoals boerinnen die hij leerde kennen bij zijn schilderwerk in het veld en prostituees die hij ontmoette tijdens zijn «hygiënische daad». Ook raakte Van Gogh verslingerd aan dames van zijn eigen stand. Alle relaties liepen uit op een drama.

Vincent van Gogh werd voor het eerst hevig verliefd toen hij als beginnend kunsthandelaar vanuit Den Haag was overgeplaatst naar de kunsthandel Goupil in Londen. Daar ontmoette hij in 1873 de dochter van zijn hospita Eugénie Loyer, die samen met haar moeder een jongensschooltje runde. Op een vergeelde foto die pas begin jaren negentig in een klein huis in Londen in een schoenendoos werd gevonden, ziet ze eruit als een knappe, ietwat magere verschijning. Ze is een jaar jonger dan Vincent en de twee kunnen het «als broer en zus» goed vinden. Aan Theo schrijft Vincent dat hij «gelukkiger [is] dan ooit. Ik heb een rijk leven hier, niets hebbende en toch alles bezittende.» Maar als de rossige jonge Hollander met bolhoed en wandelstok haar ten huwelijk vraagt, wijst ze hem af. Ze was heimelijk verloofd met een ander.

De meeste biografen beweren dat deze eerste mislukte jeugdliefde de oorzaak is van Van Goghs latere gekwelde eenzame bestaan. Zelf schreef hij pas acht jaar later over deze episode aan zijn broer: «Ik zag af van een meisje en zij trouwde met een ander. Ik ging van haar weg maar bleef haar in mijn gedachten houden. Dat was fataal. Wat was dat voor liefde die ik op mijn twintigste had?» De episode blijft omgeven door geheimzinnigheid en gissingen.

Elly Cassee, ex-wetenschappelijk medewerker van het Van Goghmuseum, is een geheel andere mening toegedaan. Zij komt na bestudering van vroege brieven van Vincent (die Theo’s weduwe Jo van Gogh-Bonger nooit heeft gezien) uit op een andere eerste grote liefde: het Haagse meisje Caroline Haanebeek. Zij wees Vincent af, en een maand nadat zij was getrouwd, vertrok hij naar Londen, waar hij haar aanvankelijk niet kon vergeten. In een publicatie in het Van Gogh Museum Journal van 1996 wijst Cassee op de tekortkomingen van Van Goghs bio grafen, die zich altijd hebben gebaseerd op de brieven die in 1914 werden bezorgd door Jo van Gogh-Bonger. «In alle vroege biogra fieën van na 1914 wordt deze ontgoocheling steeds gezien als een begin van een belangrijke ommekeer in zijn (geestelijke) leven. Zijn onbeantwoorde liefde is de oorzaak van ‹een bewust-pijnlijk leven›: Vincent vermeed de omgang met andere mensen. Hij werd een zonderling en een dweper, die fanatiek godsdienstig werd. Ook zijn kijk op kunst werd anders, melancholiek. Het blijft een raadsel waarom ze (Jo van Gogh-Bonger — mf) het verhaal van een mislukte idylle in Londen en de dramatische geestelijke gevolgen voor Van Gogh in de wereld heeft gebracht.»

In elk geval besloot Vincent van Gogh na zijn Londense liefdesdebacle te stoppen met de handel en eens en voor altijd kunstschilder te worden. In die hoedanigheid trof hij in 1881, tijdens een bezoek aan zijn ouders in Etten, zijn nicht Kee Vos. Toen zij korte tijd daarna weduwe werd, durfde Vincent zijn gevoelens voor haar de vrije loop te laten. Aan Theo schreef hij: «We wandelden uren achtereen en spraken veel met elkaar. Ik heb haar ook nog geschilderd en kon het niet verhelpen verliefd op haar te worden.» Maar zijn huwelijksaanzoek beantwoordde Kee met de woorden: «Nooit, neen, nimmer». Ditmaal legde Vincent zich er niet bij neer. Hij bestookte Kee met brieven, die ze niet beantwoordde, waarna hij haar opzocht in zijn ouderlijk huis in Amsterdam en eiste dat hij haar te zien kreeg.

Een beroemde anekdote over Van Goghs drieste koppigheid is een gebeurtenis die zich afspeelde in huize Vos. Omdat Kee’s vader bleef volharden, voelde hij zich diep beledigd. Aan Theo beschreef hij het voorval als volgt. «Deze vernedering voelde ik als een klap in mijn gezicht, doch wilde hem met stelligheid herhaald horen van Kee. Dus stak ik mijn vingers in de vlam van de lamp en zei laat mij haar zien want zo lang zal ik mijn hand in de vlam houden. Ze bliezen de kaars uit en zetten me op straat. Kee Vos heb ik nooit meer van mijn leven gezien. Maar zelfs vele jaren later blijft er een wond waar ik overheen leef, doch in de diepte zit en niet kan helen.»

De eenzaamheid die hij daarna voelde, beschreef Vincent aan Theo, indringend en zichzelf vermanend: «Ik voelde me koud tot op het bot, maar ik wilde me niet door dat gevoel laten overdonderen en ik zei tot mezelf: Ik zou wel eens bij een vrouw willen zijn, ik kan niet leven zonder liefde, zonder vrouw. Ik zou geen dubbeltje geven om ’t leven als er niet iets oneindigs was, iets dieps, iets werkelijks. Goed, ik bezweerde ‹zij en geen ander› en zou je naar een ander toegaan, naar een hoer, dat is toch niet logisch? Maar wie is de baas, de logica of ik? Het maakt mij niet uit of ik recht of onrecht handel, ik zoek een vrouw, ik mag ik kan ik wil niet leven zonder vrouw. Ik ben maar een mens met hartstochten, ik moet naar een vrouw anders bevries ik of versteen ik (…) Het is niet voor het eerst dat ik geen weerstand heb kunnen bieden aan dat gevoel van genegenheid en liefde voor die vrouwen, die dominees zo veroordelen en verachten uit de hoogte van hun preekstoel. Ik veroordeel ze niet, ik veracht ze niet. Ik ben haast dertig en zou je niet denken dat ik nooit de behoefte aan liefde heb gevoeld?»

Twee maanden later trof Vincent van Gogh op straat in Den Haag inderdaad zo’n type vrouw: de deerniswekkende, lelijke, pokdalige, broodmagere (en zwangere) prostituee Sien Hoornink. Aan Theo: «Ik heb een minder hartstochtelijk gevoel voor haar dan voor Kee Vos, maar een liefde zoals Christien is het enige waar ik nog vatbaar voor ben (…) Zij en ik zijn twee ongelukkigen, die elkaar gezelschap houden en een last dragen en juist daardoor wordt het ongeluk in geluk veranderd en het ondragelijke dragelijk.»

Lang is erover gespeculeerd dat uit deze relatie een zoon, Willem (Vincents tweede naam), zou zijn geboren. Onder meer op basis van medische rapporten uit de verloskamer van het Leids Academisch Ziekenhuis heeft Van Gogh-vorser Jan Hulsker kunnen uit sluiten dat Vincent de vader is geweest. Het partusboek vermeldt namelijk dat op 2 juli 1882 Christien (Sien) Hoornink in Leiden beviel van een baby van 3,42 kilogram met een lengte van 53 centimeter, een «voldragen, gewone geboorte». Teruggerekend naar hun eerste ontmoeting kon het alleen Van Goghs zoon zijn geweest als de baby was beschreven als een prematuur kind van ongeveer zeven maanden. Bovendien bleek uit een brief aan Theo: «Nu heb ik Christien ontmoet, zwanger, ziek, in de kou.»

Het drama lag vanaf het begin in hun verhouding besloten. Samenwonen met een hoer was nog tot daaraan toe, maar toen Vincent met Sien wilde trouwen, stak Theo daar een stokje voor, ook al liet Vincent merken dat hij een warm gevoel van geluk ervoer bij het sobere gezinsleventje (Sien had naast Willem nog een dochter) dat ze samen leidden. Maar de uitzichtloze situatie drong langzaam ook tot hem door: geldgebrek en een vriendin die steeds vaker nachten wegbleef terwijl hij naast het wiegje zat, deden hem besluiten weg te gaan. «Natuurlijk waren de vrouw en de kinderen bij me tot het laatste moment en toen ik in de trein zat had ik het kleine mannetje nog op mijn schoot en zo zijn we van elkaar gegaan en ik geloof van weerskanten met onuitsprekelijke weemoed», schreef Vincent aan Theo, voor wie het loodzwaar moet zijn geweest wekelijks al die smart van zijn broer te lezen.

Vincent trok verder, berooid en verslagen, op zoek naar licht en kleur, richting het zuiden. In het Brabantse Nuenen beleefde hij in 1884 volgens zijn biografen zijn laatste grote liefde, met de tien jaar oudere ongetrouwde domineesdochter Margot Begemann. Ditmaal was het wederzijds, maar volgens Vincent was zij door haar bekrompen omgeving kapotgemaakt. Ze namen zich voor te gaan trouwen, maar het huwelijk werd door Margots familie verhinderd, want wat moest zij nou met die rare, armlastige kunstenaar? Het hele dorp roddelde over de affaire. Margot kon de druk van haar omgeving niet aan en deed een zelfmoordpoging met rattengif. De dorpsarts liet Van Gogh weten dat hij beter zijn niet-aflatende trouw aan haar kon opgeven; Margot was tot niets meer in staat.

Uit die periode stamt ook het vermoeden van een andere buitenechtelijke nakomeling. Tijdens zijn zwerftochten door de velden rondom Nuenen had Vincent Gordina de Groot ontmoet. Hij schilderde zo’n twintig portretten van haar, en het gezin waar ze uit kwam, stond model voor de later zo beroemd geworden Aardappeleters. Toen Gordina zwanger bleek te zijn, wist iedereen zeker dat het van «het schildersmenneke» moest zijn. (Natuurlijk wordt in de omgeving van Nuenen beweerd dat er nog steeds mensen met «opvallend rossig haar» in het dorp rondlopen.) Tegenover zijn broer ontkende Vincent zelf in duidelijke termen dat hij de vader kon zijn. De pastoor kreeg uiteindelijk genoeg van alle onrust, en beloofde de dorpelingen geld als ze zich niet meer door de schilder zouden laten strikken om voor hem model te staan. Daarop besloot Vincent zelf maar te vertrekken.

Aan relaties heeft Vincent van Gogh zich sindsdien niet meer gewaagd. Wel bleef hij «genegenheid en warmte» vinden in de Franse bordelen. Nog één laatste keer zou hij verliefd zijn geweest, op Marguerite, de dochter van dokter Gachet, die hem in Auvers-sur-Oise behandelde. Gepokt en gemazeld door liefdesverdriet deed hij niet eens meer een poging tot toenadering.

Aan het eind van zijn leven schreef Vincent van Gogh aan Emile Bernard over de relativiteit van de liefde en seks: die leidden alleen maar af van het ware creatieproces. Ook noteerde hij, berustend: «De kunst is lang en het leven kort en wij moeten geduld hebben en proberen onze huid duur te verkopen.» Dat gebeurde pas allemaal na zijn dood.