De kunst opnieuw moeder te zijn

Lynn Berger doet verslag van haar zoektocht naar goed ouderschap © Judith van IJken

Ergens tijdens de zwangerschap van haar tweede kind wordt Lynn Berger bevangen door een zekere onrust. Het had haar en haar vriend zo fijn geleken, een ‘bondgenoot’ voor haar dochter, maar nu haar zoon onderweg is, doemen er twijfels op. Hoe gaat haar dochter reageren wanneer ze de exclusieve aandacht van haar ouders moet delen? Wat zal het voor haar zoon betekenen dat hij nooit zo’n startpositie als zijn zus heeft gehad? Romantiseert ze het hebben van een broertje niet te veel, gezien de ‘anderhalf decennium aan oorlogvoering’ met haar eigen zusje? Nu ze eenmaal gedacht zijn, kan Berger de impliciete vooronderstellingen die ze over haar tweede kind heeft niet meer uit haar hoofd krijgen. Haar overheersende angst: wat als ze door een tweede te krijgen beide kinderen iets afneemt?

In De tweede doet Berger verslag van haar zoektocht naar goed ouderschap. De elf bondige hoofdstukken behandelen thema’s die haar rondom de geboorte van haar zoon soms bijna obsessief bezighouden; de jaloezie van de onttroonde oudste, het effect van herhaling op de vorming van herinneringen, de neiging de tweede en eerste met elkaar te vergelijken. Om greep te krijgen op de materie baant ze zich een weg door de sibling science, het wetenschappelijk onderzoek naar broer-zusrelaties dat zich in de afgelopen veertig jaar – vanaf het moment dat een gezin met een vader, moeder en twee kinderen de norm werd – heeft ontwikkeld.

Wat als ik door een tweede te krijgen beide kinderen iets afneem?

De tweede werkt tweevoudig, op het hoofd en op het hart. Elke afdaling in de academische literatuur wordt ingezet door Bergers begrijpelijke vragen over haar eigen standaardgezin, waardoor persoonlijke ervaring en wetenschappelijke expertise in dienst van elkaar komen te staan. Op zoek naar de herkomst van haar aannames komt Berger erachter hoe cultuur werkt, dat we onze denkbeelden over jaloezie bij kinderen ontlenen aan klassieke sprookjes en de hardnekkige negentiende-eeuwse inzichten van Freud, terwijl zulke aannames met wetenschappelijke kennis al lang zijn te weerleggen. Een van Bergers grootste fascinaties is het geboortevolgorde-effect, ‘de invloed van je plek in het gezin op de loop van je verdere leven’. Dat eerste en tweede kinderen specifieke karaktereigenschappen ontwikkelen blijkt een mythe, maar dat wil niet zeggen dat de overtuiging geen reële uitwerking heeft. Eerlijk vertelt Berger hoe zij en haar vriend hun dochter vanuit goede bedoelingen ‘een beeldbevestigende rol’ aanpraten in voorbereiding op de komst van haar broertje. Bergers geruststelling wanneer twee recente studies dat geboortevolgorde-effect voor persoonlijkheidsontwikkeling ontkrachten is dan ook voelbaar, en lief: ‘Het lucht op, merk ik, om hun conclusies te lezen. Alsof er bewegingsruimte bij is gekomen voor mijn kinderen, een groter speelveld zonder vooraf vastgelegde routes.’

De wetenschappelijke literatuur waar Berger zich toe verhoudt is actueel, en ze parafraseert toegankelijk, wat De tweede een vlot boek maakt. Tegelijk geeft de persoonlijke queeste het spoor dat Berger door de literatuur trekt soms ook iets toevalligs, wat tot nadenken stemt over de manier waarop De tweede laveert tussen academische waarheidsvinding, onderzoeksjournalistiek en zelfhulp. Wanneer het geboortevolgorde-effect haar toch niet loslaat, schrijft ze: ‘Dus ga ik weer online, op zoek naar opheldering. Het aantal onderzoeken naar het geboortevolgorde-effect loopt inmiddels in de duizenden, en invalshoeken en methodes lopen eveneens uiteen – van casestudy’s van psychiatrische patiënten tot kwalitatieve interviews tot de analyse van grote datasets.’ Berger graaft in bergen studies en neemt duiken in academische databases, wat het boek omhult met het cachet van betrouwbaarheid, maar omdat ze niets vermeldt over de manieren waarop ze haar bronnen selecteert, roept dat wel eens de vraag op of ze niet ook met een ander resultaat boven had kunnen komen.

Waar Berger mooi laat zien hoe haar aannames over kinderen cultureel bepaald zijn, lijkt ze een scherpere analyse van de typisch Nederlandse deeltijdcultuur te mijden. Op de constatering van het scp dat er tussen vaders en moeders ‘een soort “uitruil” van betaald en onbetaald werk’ van achttien uur per week plaatsvindt, reageert ze: ‘Een uitruil. Het klinkt zo zakelijk, zo koel, voor iets wat in de praktijk meer aanvoelt als een niet-beredeneerde, min of meer spontaan ontstane manier van samenleven.’ Omdat ze in dit boek zo alert is op als ‘natuurlijk’ gepresenteerde veronderstellingen valt het op dat ze de arbeidsparticipatie van vrouwen niet als cultureel patroon doorprikt. Terwijl we nog bezig zijn de taken eerlijker te verdelen en de loonkloof te dichten, lijkt Berger een vriendin te bewonderen die overweegt na de geboorte van haar kind niet terug te gaan naar haar werk: ‘Zij is de eerste uit mijn vriendenkring die ik zoiets heb horen opperen: het klinkt stoer, tegendraads en gedurfd.’ (De anekdote mag dan tussen haakjes staan, persoonlijk hoop ik dat het niet hipstercool gaat worden om fulltime thuis bij de kinderen te blijven.)

Berger maakt ons in De tweede deelgenoot van haar denkproces, ze laat open en bedachtzaam zien hoe je met ingewikkelde levensvragen om kunt gaan door zelf op onderzoek uit te gaan, de tijd te nemen en te reflecteren. Het inzicht dat haar kennishonger Berger na ruim 150 pagina’s oplevert klinkt dan ook verrassend common sense: wil ze haar kinderen werkelijk gelijke kansen geven, dan moet ze haar verwachtingen en vooronderstellingen, haar illusie van controle op hun ontwikkeling loslaten. Maar de intellectuele weg naar dat heldere inzicht komt voort uit het diep gevoelde verlangen voor beide kinderen een even goede moeder te zijn, en dat ontroert.