De kunst van de belediging

Terug naar de retorica. Dat is het devies van de Franse filosoof Frédéric Pagès die in De filosoof staat om vijf uur op uitlegt dat de essentie van de filosofie zou moeten bestaan uit het verwoorden van argumenten en niet uit een openbaring ‘die altijd aangepast is aan een bepaald soort publiek’. Pagès, medewerker van Canard Enchaîné, kritiseert Sartre die toegaf als filosoof taal en stijl te minachten. Pagès wijst op de nefaste gevolgen van Sartres standpunt: ‘Door zijn tekst af te raffelen reproduceerde Sartre de scheiding tussen filosofie en literatuur waarin zijn leermeesters hem hadden onderwezen en die tot gevolg had dat iedere filosoof die het ongeluk had een niet-academische stijl en pen te hebben, naar het literaire domein werd verwezen, zoals Diderot, Valéry, Cioran.’ Maar misschien is dat eerder een geluk dan een ongeluk? Neen, zegt Pagès, want als er een discipline is die nu juist stijl behoeft, dan is het wel de filosofie: zonder stijl is helder denken onmogelijk. Helemaal onverklaarbaar is Sartres houding niet. De filosoof streeft immers niet alleen naar inzicht en kennis, maar ook naar erkenning. Het gedrukte woord is de enige weg om vandaag de dag die waardering van de buitenwereld op brede schaal te kunnen oogsten.

Veel hedendaagse filosofen zijn ijdeltuiten, aldus Pagès, die de laat erkende Schopenhauer aan het begin plaatst van een kwalijke traditie waarin denkers bewieroking en nestwarmte begonnen te zoeken. Schopenhauer, die heel zijn leven miskend was, werd op zijn 63ste op slag beroemd met zijn Parerga und Paralipomena, een in zijn ogen relatief onbeduidend werkje. De misogyne Schopenhauer werd door zijn plotselinge erkenning gevoelig voor vrouwelijke vleierij. Hij signeerde en poseerde: ‘Dit portret laat mijn voorhoofd en neus op een ongekend perfecte wijze zien. Het is onbetaalbaar.’
Ooit lag het anders. De neoplatonist Plotinus vertrouwde zijn geschriften alleen aan zorgvuldig geselecteerde personen toe. Spinoza schreef voornamelijk voor zijn Hollandse vrienden en liet de Ethica, zijn hoofdwerk, in de la liggen.
In de loop der tijden heeft de filosofie in de ogen van Pagès een dodelijke verschraling ondergaan, want vroegere denkers hadden een veel groter repertoire aan toonzettingen, waaronder de dialoog, de schimprede, het dagboek, het plechtig vertoog, het gedicht, de allegorie, het manifest en zelfs de belediging. Die moderne verarming van filosofische genres hangt volgens Pagès samen met de professionalisering van de filosofie, die wordt bedreven als een gewoon beroep dat inkomen waarborgt. Pagès meent dat het geen kwaad zou kunnen om een steen in de kikkerpoel te gooien: 'Stel je voor dat bij het toelatingsexamen een onderwerp in aforismen moest worden behandeld… En waarom geen proeve in beledigingen bij het mondeling doctoraal?’