Toni Tanner

De kunst van evenwicht en overleven

In zijn essaybundel The American Mystery bestudeert Toni Tanner zowel de Amerikaanse roman als het Amerikaanse individu.

Toni Tanner, The American Mystery: American Literature from Emerson to DeLillo

Uitg. Cambridge University Press, 242 blz., ƒ 57,2

Als er een Amerikaanse Droom rondwaart in de romans van Nathaniel Hawthorne, Herman Melville, Henry James, F. Scott Fitzgerald, Don DeLillo en Thomas Pynchon, welke is dat dan? Is het die benauwende droom waarin iemand anders je leven uitstippelt, een nachtmerrie vol duistere complotten die het op je zelfstandigheid hebben gemunt? Of gaat het om die bevrijdende droom waarin niets is voorgeschreven en waarin je de weg van de Totale Vrijheid kunt bewandelen? Met andere woorden, overheerst het alziende oog van Big Brother of krijgt het grenzeloze en avontuurlijke «on the road»-gevoel ruim baan?

De essayist Toni Tanner (1935-1998) constateert in zijn essaybundel City of Words (1971) dat de droom van een wereld waarin niets is voorgeschreven, wellicht verborgen zit in de nachtmerrie van een gecontroleerd bestaan. Immers, de taal kan fungeren als een gevangenis vol voorschriften en als een bevrijder die alle conventies en regels bekritiseert en afbreekt die het individu in zijn vrijheid beperken. Het is de aloude discussie over dwang en keuze, moeten en mogen. Is het individu een welomschreven entiteit die eenduidig benoemd kan worden, of bestaat het uit vage contouren en vele mogelijkheden? «Mijn opvatting is dat Ameri kaan se schrijvers vanaf het begin ge voeld hebben hoe willekeurig en zelfs illusoir de verbale constructies zijn die men realistische be schrij vingen noemt.»

De labiliteit van de taal weerspiegelt een wankele samenleving. En de Nieuwe Wereld van vlak na de Onafhankelijk heids verklaring was inderdaad een maatschappij op drift, wegdrijvend van het oude Europa met zijn dwangmatige (christelijke) levensregels, een nieuw land zonder vastomlijnd plan op weg naar een onzekere toekomst. Amerika als narrenschip dat een onvoorspelbare reis maak te. «De zeereis van het beste schip is een zigzagkoers.» En: «All the good things are on the highway.» Dat schreef dominee, dichter, filosoof, essayist en redenaar Ralph Waldo Emerson al anderhalve eeuw geleden.

De apocriefe anekdote wil dat, voordat de waanzin bij hem toesloeg, Friedrich Nietzsche altijd een essaybundel van Emerson bij zich droeg. Tanner vermeldt die bijzonderheid in zijn postume essaybundel The American Mystery. Waar of niet, het blijft een betekenisvol detail. Want beiden waren domineeszoon en, heel even, dominee. En allebei maakten ze er later werk van het christelijke geloofssysteem tot de grond toe af te breken. Het geloof werd voor zowel Emerson als Nietzsche een versteend instituut dat de tirannie van het verleden in stand hield. «We krimpen ineen zodra het gebed begint», schreef Emerson vlak voor de geboorte van Nietzsche. De vader, de kerk, Europa; het zijn machten die van gids tot breidel voor het non-conformistische individu werden.

De nieuwe tijd, in het Beloofde Land of de Nieuwe Wereld, betekende weigering van alle autoriteit. Misschien dat daarom Rip van Win kle de eerste Amerikaanse «buitenstaander» was die zich nooit wilde laten vastleggen, niet om de wereld te reorganiseren maar wel om als «desperado» de vrijheid te hebben zijn visie op de wereld te wijzigen. De enige zonde is beperking, aldus Emerson, een uitspraak die nog verwijst naar zijn christelijke denkkader. De taal is een val die onze gedachten te vaak vastlegt. Je intuïtie volgen en wispelturig zijn. Koester de voortdurende metamorfose. Blijf in beweging. Laat alles maar stromen en vloeien. Flux is het toverwoord. Zo achter elkaar gezet lijkt het wel de karikatuur van een sensitivity-training. Maar de negentiende-eeuwse boodschap van Emerson, die schreef in de puriteinse tijd van vóór de Burgeroorlog waarin het bedrijven van fictie een verdachte bezigheid was, liet zich in zijn zendingsdrang en tijdens zijn lezingentournees niet van de wijs brengen: instituties wortelen niet in de natuur zoals bomen. Alles is veranderbaar, nieuwe Amerikanen!

Het is Nathaniel Hawthorne geweest die het experiment dat Amerika heette literair beproefde in onder meer The Blithedale Romance, een roman over maatschappelijke en seksuele hervormingen. De «gekke dichter van hersenschimmen» Coverdale trekt naar een Walden-achtige boerderij op het platteland, een pseudo-Arcadië in de ban van naïeve commune-ideeën à la Fourier. Kan het oude systeem door een nieuw maatschappelijk elan vervangen worden? Hawthornes antwoord loopt niet over van optimisme. Intussen heeft hij wel het prototype van een Amerikaans personage geschapen: een poseur die eerder waarnemer of indringer is dan deelnemer, een gemankeerde kunstenaar en halfslachtige minnaar op doorreis die zich het beste thuis voelt in herbergen en hotelkamers. Hij is een verteller zonder vaste eigenschappen, labiel en amoreel, een afwezige, een niemendal. Een echt Amerikaans product, zoals de Britse Tanner droog vaststelt: gedesoriënteerd, vergeetachtig en vervreemd, net als Hawthorne zelf. «Hij staat buiten alles en is overal een vreemdeling.» Dat zegt Henry James, zelf als burger en schrijver een grote buitenstaander en superieure waarnemer van Amerikaanse en Europese zeden.

Hij wordt in The American Mystery geëerd met maar liefst drie essays. Dat is een daad van rechtvaardiging. Want als er een Amerikaanse schrijver is die tot op de dag van vandaag in Nederland wordt onderschat, en nauwelijks gelezen of bestudeerd, is dat James, ondanks de hardnekkige promotie- en vertaalwerkzaamheden (onder meer The Awkward Age) van Frans Kellendonk. James past naadloos in Tanners bundel The American Mystery. En al merkt Tanner het zelf niet op, al in Portrait of a Lady laat James door de intrigante Madame Merle het «ik» en het «zelf» omschrijven als «een omhulsel van omstandigheden» en «een kluwen van aanhangsels». Het ego blijkt vloeibaar en strekt zich uit tot en met de dingen die de mens omringen. Stel je de roman Portrait of a Lady voor als een huis met vele kijkgaten waar de verteller doorheen loert. Wat je ziet hangt af van de blik en de instelling van de waarnemer. Verdringt hij dingen of legt hij zaken bloot? James zelf noemde de «doorboorde openingen» in zijn roman de literaire vorm.

Portrait of a Lady is niet James’ enige pre-freudiaanse roman over bezitsdrang. Met zijn opvatting dat een vertelling geen preek mag zijn, heeft James veel bijgedragen aan de bevrijding van de roman uit het Victoriaanse keurslijf. Hij beklaagde zich over het «grote gat» in het Victoriaanse proza: de seksualiteit. Zijn verhalen en romans gaan uit van het besef dat de kern van alle kennis kennis van seksuele gedragingen is. Poses, maskerades, giftige tongen, intriges, sadisme — alles brengt James in stelling om de kronkelwegen van de menselijke geest te kunnen volgen.

Tanner zelf zegt mooie dingen over Nanda in The Awkward Age, een meisje dat kind noch vrouw is. Maar door haar Madame Bovary-achtige lectuur en door goed te beluisteren (en af te luisteren) wat de volwassenen tegen elkaar zeggen, verzamelt ze een soort onbewuste kennis van erotische en seksuele drijfveren. Prachtig is het citaat over de betekenis van blozen, dat hij ontleent aan Fictions of Modesty van Ruth Bernard Yeazell: «Blozen weerspiegelt een tussenmoment vol verleiding, een moment waarin het onschuldig onbewuste en erotisch besef even samengaan of met elkaar worden verward.» Blozen kondigt de intrede in de volwassen wereld aan van de jonge heldin. Als de erectie «het blozen» van de penis is, redeneert Tanner door, dan zou Freud ongetwijfeld de blos als «een lichte erectie van het hoofd» hebben betiteld. Waarna hij zijn James-essay vervolgt met een terloopse opmerking over Kier ke gaards Dagboek van een verleider en afsluit met Isak Dinesens citaat over de houding van de kunstenaar, die zich als een verleider tegenover het universum opstelt.

Tanners essay over James en Shakespeare loopt uit op een omschrijving van de Engelse bard door James die raakt aan het hoofdthema van Tanners essaybundel: «Ik zal die kunstenaar zodanig uitdagen — die meester en magiër met duizend maskers — dat hij die stuk voor stuk laat vallen, al is het maar heel even.»

Of het nu gaat om Mark Twain, Ralph Ellison (Invisible Man), William Faulkner, F. Scott Fitzgerald (The Great Gatsby), Saul Bellows Augie March of Pynchons Gravity’s Rainbow en Mason & Dixon, Tony Tanner wil de opkomst van de Amerikaanse literatuur beschrijven als een «confidence culture». Het is een uitdrukking uit Gary Lindbergs belangrijke boek The Confidence Man in American Literature waarin hij beschrijft «hoe de visionaire traditie voortdurend aanwezig is geweest in de Amerikaanse cultuur en seizoenarbeiders met dichters en profeten met profiteurs verbindt».

Een confidence man of con man is een oplichter, een vleier die een beroep doet op de naas tenliefde van zijn slachtoffer en zijn vertrouwen (confidence) beschaamt. Noem hem maar Rein tje de Vos. Herman Melvilles The Confidence Man is het negentiende-eeuwse klassieke voorbeeld van de gewiekste oplichter. De stoomboot Fidèle die op 1 april de Mississippi tussen St. Louis en New Orleans bevaart, is alweer zo'n narrenschip vol vreemde vogels. Alle passagiers laten zich in de luren leggen door een con man die voortdurend van identiteit wisselt en afgedwongen naastenliefde in klinkende munt omzet. Zijn superieure rollenspel heeft alles te maken met de status van Amerika, het land waar je Amerikaan moet wórden door je oude (Europese) identiteit af te schudden, te breken met het verleden. Om te kunnen overleven als nieuwe Amerikaan dien je flexibel en inventief te zijn. Niets komt naar je toe. Wat zei president Kennedy, een jaar voordat hij werd vermoord? Vraag niet wat je land voor jou kan doen maar wat jíj voor je land kunt doen. Het is een mentaliteit die wezenlijk verschilt van de Europese en die niet meteen in simpele politieke termen als rechts-liberaal versus sociaal vertaald kan worden. De oplichters, vervalsers en andere «acteurs» horen tot de Amerikaanse amusementsindustrie, ze zijn zowel economisch als literair van betekenis.

Herman Melville, voorganger en vernieuwer van de Amerikaanse roman, houdt in The Confidence Man met vermakelijke essayistische tussendoortjes een pleidooi voor de wereld als schouwtoneel en voor mensen als acteurs die maskers dragen waarachter «niets» zit of iets wat verborgen blijft. Iedereen gaat op in zijn maatschappelijke rol. Melville is voor een verhevigde werkelijkheid in de kunst, dat wil zeggen: voor een meer ingedikte realiteit dan die het echte bestaan te bieden heeft. Vandaar die «boekige boeken» als Moby Dick en The Confidence Man, vol etymologische uitweidingen, want ook de taal is een ware travestiet. Het leven is een gekostumeerde picknick waaraan iedereen meedoet en de idioot kan uithangen. Mensen in een toneelstuk of in een roman moeten zich kleden zoals niemand zich kleedt, praten zoals niemand dat doet. «Voor een roman geldt hetzelfde als voor een godsdienst: hij dient een andere wereld te tonen, een waarmee we toch voeling hebben.» Die opvatting van een roman die verlicht, verleidt en misleidt was modern in het jonge Amerika van 1850, dat probeerde een nieuwe democratie op te bouwen maar donders goed wist, de democraat Melville voorop, dat niet iedereen gelijkwaardig was.

«Who ain’t a slave?» vraagt verteller Ishmael zich af in Moby Dick. Het is een vraag die na-echoot in het werk van literaire verleiders als William Faulkner, Ernest Hemingway, Philip Roth, Toni Morrison, Don DeLillo en Thomas Pynchon. De laatste schrijver, aan wie Toni Tanner zijn slotessay wijdt, schrijft in zijn historische roman Mason & Dixon over diezelfde slavernij. De Britse astronomen en landmeters Charles Mason (1728-1786) en Jeremiah Dixon (1733-1779) zijn de legendarische hoofdpersonen die naamgevers werden van de grens tussen de «vrije» staten en de slavenstaten. Ze zijn verbijsterd over het geweld tegen de indianen, over de massaslachtingen. Pynchon: «Waar gaat het die mensen in ’s hemelsnaam om? Zelfs de Hollander bij Kaap de Goede Hoop gedroeg zich niet zo. Is het soms iets in deze wildernis, iets ouds dat op hen wachtte en hun ziel infecteerde toen ze kwamen?» Tanner varieert op het beeld van Amerika als Het Land van de Mogelijkheden. Daar hoort ook het Kwaad bij, schrijft hij, Pynchon parafraserend: «Als Amerika is wat Brittannia droomt, dan herbergt die droom ook nachtmerries.» Tanner waarschuwt er overigens terecht tegen Mason & Dixon als een brave, politiek correcte roman te lezen. Een kampioen van de metamorfose in Pynchons roman, kapitein Zhang alias P. Zar pa zo alias Lord van de Zero, zegt het zonder enige rem en non-conformistisch: «Als u geen slaven denkt te zien in Pennsylvania (…), nou, kijk dan maar goed. Ze zijn niet allemaal Afri kaans en sommigen van hen weten het zelfs nog niet — misschien wel nooit — dat ze slaaf zijn. Aan deze kust is de slavernij een heel oude bekende, nergens rust onschuld op die praktijk, onder de indianen noch onder de Spanjaarden, en ook de rest van het christendom gedraagt zich als het eropaan komt niet anders.»

Toni Tanner leest Mason & Dixon vooral als een aanklacht tegen de rationele Verlichtings geest. Er is immers meer tussen hemel en aarde dan wat er op kaarten staat. Niet alles is te me ten. Er is niet zomaar een streep te trekken in een nog amper ontgonnen land. Tijden, plekken, mentaliteiten en stemmingen zijn niet vanzelf terug te brengen tot dogma’s. «En Amerika rond 1760 was uitgerekend dé plek waar alle oude zekerheden — religieuze, politieke, territoriale — erodeerden, en alles leek mogelijk te worden terwijl het land zich voorbereidde op het losmaken van Engeland en op de expansie naar het ogenschijnlijke oneindige en grenzeloze westen.» Vandaar dat Tanner Mason & Dixon Pynchons road-novel noemt.

Het enige essay in The American Mystery dat een afwijkende toon heeft, is het ongemeen felle titelessay over Don DeLillo’s Underworld. Tanner beschuldigt DeLillo ervan een epigoon te zijn van Pynchon. Het afval- of vuilnisthema in Underworld zou hij minder virtuoos behandelen dan Pynchon. Weliswaar heeft DeLillo een goed oor voor dialogen maar zijn megaroman — waarin een honkbal van hand tot hand gaat en vernuftig verknoopt raakt met het Koude-Oorlogsverhaal over de atoombom — is uiteindelijk niet veel meer dan «rampentoerisme». We krijgen alleen maar nieuws te lezen in Underworld, aldus een boze Tanner, een grabbelton van journaalbeelden. Bovendien zijn te veel personages verwisselbaar en is overal de stem van DeLillo zelf te horen, filosoferend over geschiedenis, terrorisme en paranoia. Tanner vindt het boek te kil en veronderstelt dat DeLillo’s spel met «wonderen» te maken heeft met zijn Italiaans-katholieke achtergrond.

Maar alleen al de manier waarop DeLillo in Underworld de kunst, gemaakt uit afval, opvoert als effectieve activiteit tegen verbrokkeling en chaos, spreekt Tanners kritiek op de roman als veredelde journalistiek tegen. Zijn zoektocht naar de mogelijkheden van de Ameri kaan se roman en het Amerikaanse ego verwordt hier tot een welhaast persoon lijke aanval. Wel ben ik hem dankbaar voor een citaat uit DeLillo’s artikel voor The New York Times: «The Power of History». Daarin schrijft Delillo over de roman als de «uitlaatklep vol dromen, het opschorten van de werkelijkheid dat de geschiedenis nodig heeft om aan haar eigen genadeloze beperkingen te kunnen ontsnappen… In feite is fictie een soort religieus fanatisme, met obsessieve, bijgelovige en vreesachtige trekjes. Die eigenschappen zullen vroeger of later hun losse band met de geschiedenis aangeven.

Nee, DeLillo leunt niet al schrijvend comfortabel tegen de Amerikaanse geschiedenis aan. Underworld is een roman over de nog onbeschreven nachtkant van de geschiedenis, een verhaal over de angsten en verlangens van mensen die geen verlies willen lijden en niet door welk geweld dan ook versplinterd willen worden. Dat kan de macht van fictie zijn. Toch heeft Toni Tanner, exclusief het misplaatste DeLillo-essay, een inspirerende essaybundel geschreven over de flexibiliteit, evenwichts- en overlevingskunst van het Amerikaanse individu.