De kunst van het gedogen

Gedogen is mooi, Nederland is er groot mee geworden. Maar waarom moet het nu ineens geformaliseerd worden? Pleidooi voor een terugkeer naar de hypocrisie.
Over verdovende middelen in de middeleeuwen zie verder H. Pleij, Dromen van Cocagne: Middeleeuwse fantasieën over het volmaakte leven, binnenkort te verschijnen bij Prometheus. De Amsterdamse ‘gedoogbeschikking’ wordt besproken in Het Parool van 17 april 1996. Met dank aan mr. H.P. Wooldrik, hoofdofficier te Zutphen.
DRUGSBELEID EN GEDOGEN lijken in Nederland synoniem. In het buitenland ligt dat echter heel anders. En hoezeer wij ook menen op de goede weg te zitten, de verbazing en vooral verontwaardiging van de mede-Europeanen verdienen toch wat serieuzer aandacht. Ze hebben namelijk gewoon gelijk.

Wij doen iets wat niet hoort. Wat de navolging van de bestaande regels moet relativeren kan niet in een apart regelsysteem ondergebracht worden. Dat botst. Iets kan niet verboden zijn volgens de ene regel, en een beetje toegelaten volgens een andere. Gedogen schrijf je niet op, gedogen doe je, uit pragmatische overwegingen. Soms is dat heel verstandig, zeker handig en niet zelden ook nog humaan. Zolang je het maar niet hardop zegt.
Wij zijn meesters in het gedogen. Dat moet wel, anders hadden we hier in deze onmogelijke modderpoel nooit kunnen bestaan. Van meet af aan schreeuwde onze typisch burgerlijke samenleving om overleg en compromissen. Want is het niet zo dat we ons al vanaf het prille begin verstrengeld zagen in een even noodgedwongen als toegejuicht superdemocratisme? Daarin bleek geen plaats voor strenge heersers en vurige idealen die met ijzeren vuist vanaf barricaden bevochten moesten worden. Hebben wij in de negentiende eeuw even geprobeerd onszelf dat laatste aan te praten met betrekking tot Opstand en Tachtigjarige Oorlog, dan moesten we toch al gauw weer toegeven dat deze oorlog allereerst ingegeven werd door kleinsteedse handelsbelangen, die niet het als totalitair ervaren centralisme van een moderne staats- en bedrijfsvoering verdroegen.
Wij zijn en blijven boeren en burgers die de natuur en elkaar voortdurend naar de hand moeten zetten, anders gaan we kopje onder. Adellijke of kerkelijke potentaten hebben we daarbij niet nodig, er is niet eens plaats voor: waar kun je hier nu een behoorlijke jachtpartij opzetten zonder op een sloot te stuiten? Een koningshuis is pas aangeschaft toen een stadhouder niet meer nodig bleek, maar wel de behoefte bleef bestaan aan wat visitekaartjesachtig vlagvertoon: goed voor de handel.
GEDOGEN IS HET cement van onze samenleving. De kinderen zuigen het in met de moedermelk. Van principes kun je niet leven. En we profiteren dagelijks van elkaar en het buitenland om handel te drijven en het hoofd boven water te houden. Nederland bestaat vooral bij de gratie van een droge-voetendemocratie. We hebben elkaar nodig om niet te verzuipen, heel letterlijk, en we zijn aangewezen op het buitenland om vervolgens in leven te kunnen blijven. Al dat water vraagt om handel, veel anders bleek ook niet mogelijk. Graan moesten we bijvoorbeeld wel importeren, al wisten we zelfs daarvan nog creatieve handel te maken. Diderot klaagt in de achttiende eeuw over die geslepen Hollanders die een deel van het uit Frankrijk aangevoerde graan met grote winsten weten terug te verkopen aan andere Fransen!
Zulk pragmatisch vernuft als overlevingsstijl vereist niet alleen een behendige omgang met mensen van allerlei slag, maar vooral een creatieve houding tegenover regel- en wetgeving. Natuurlijk hoort zo'n juridisch fundament er te zijn. Maar Hollanders hebben al vroeg geleerd dat men in de dagelijkse praktijk niet goed uit de voeten kan met zulke geabstraheerde directieven. Juist aan dergelijke moervaste principes en codes is de adel te gronde gegaan. Die zouden het dan ook nooit kunnen bolwerken tussen de rivierarmen.
Ons gedogen is uit nood geboren. Maar het dreigt nu in bureaucratie te sneven. En we blijven zitten met een handvol spreekwoorden en gezegden die deze vaderlandse grondhouding even bezwerend als geruststellend benoemen: water bij de wijn doen, het ene doen en het andere niet laten, leven en laten leven, en vooral: door de vingers zien. Zulk gedrag schrijven we graag aan zotten toe. We bedoelen dan echter niet dat het om stupide dwaasheid gaat, maar juist om het geslepen overlevingsinstinct van de ‘wijze’ nar die alles en iedereen aan zijn laars lapt en heel goed weet dat net doen alsof je neus bloedt tot de hogere levenskunsten behoort.
Gedogen doen we bij alles. Zo komt dit spirituele plamuren van ongewenste tegenstellingen ook goed te pas bij de houding tegenover prostitutie. Gedoogmatig verhinderen wij dat het exploiteren van het vrouwenlichaam uit de hand loopt en een broedplaats wordt voor echte criminaliteit door de poort op slinkse wijze geopend te houden voor een zekere uitbating ten dienste van belanghebbenden en belangstellenden. En zo'n zalf strijken we daar al eeuwen overheen.
Desnoods halen we ons gelijk nog bij de vroegchristelijke kerkvader Augustinus, die er al op wees dat het kwaad een niet weg te cijferen betekenis heeft. Zou het in een paleis zonder latrines niet overal stinken? En gaat een stad zonder bordelen niet te gronde aan heimelijke hoererij in alle hoeken en gaten? Kwaad heeft zin, want het verheft en verlicht het goede dat anders onzichtbaar zou blijven. Kwaad mag dus nooit helemaal onderdrukt worden, anders verdwijnt het goede ook. En bovendien is er de winst van de controle, die niet zelden eveneens concrete duiten in het laatje legde. Zowel kerk als overheid namen graag zelf de bedrijfsvoering ter hand op grond van hetzelfde gedachtengoed.
NEDERLANDERS HEBBEN zich bij uitstek de erfgenamen gevoeld van deze denktrant. Daar verandert het periodiek schoonvegen van de Wallen niets aan. Even wordt de standaard opnieuw gezet (wij weten ook wel hoe het hoort), om daarna met een opgefrist geweten weer beheerst de andere kant op te kijken. Die morele chipknip bestaat al eeuwen.
Maar ook hier begint de bureaucratisering toe te slaan, die een eind zal maken aan de eigenlijke gedoogtechniek en dus aan Nederland als zodanig. Bij het introduceren van een begrippenapparaat als tippelzones en afwerkplaatsen met een bijbehorend vergunningenstelsel is ook sprake van een geformaliseerd gedoogbeleid, dat net als de regel van maximaal vijf gram op een innerlijke tegenspraak berust. Amsterdam bestaat het zelfs om raamexploitanten op de Wallen uitzicht te bieden op een zogenaamde gedoogbeschikking, die ambtenaarlijk weer onderscheiden is in een voorlopige variant en een definitieve.
In ons systeem is slechts plaats voor een burgemeester die zo nu en dan een oogje dichtdoet: alweer zo'n handzaam gezegde waaraan onze taal opmerkelijk rijk is wanneer het om inschikken gaat. En als de burgemeester niet meer uit zijn ogen kan kijken van het knipperen, is de tijd rijp voor een aanpassing van de wet. Enzovoort.
Maar waarom zijn we dan nogal plotseling openbaar gaan maken wat voorheen stilzwijgend gebeurde? Toenemende bureaucratisering en internationalisering hebben daar ongetwijfeld veel mee te maken. Tevens mag duidelijk zijn dat die aanzwellende regelneverij in hoge mate verantwoordelijk is voor de typisch twintigste-eeuwse criminalisering van het gebruik van verdovende middelen.
Drugs, ook in de vormen die wij nu kennen en gebruiken, zijn van alle tijden. Ze konden zelfs als surrogaatvoedsel dienen bij gebrek aan beter. In ieder geval haalde geen overheid het in haar hoofd om zich met gebruik en distributie te bemoeien, behalve wanneer er wat te halen viel aan tolgelden of andere belasting.
Het is zelfs zo dat in het preïndustriële Europa voortdurend een groot deel van de bevolking halfgedrogeerd rondliep. Aanleidingen daartoe lagen niet alleen in de stelselmatige voedseltekorten met hun hallucinerende droomtrips in de staart, maar vooral in het noodgedwongen nuttigen van substituten met betoverende uitwerkingen.
Een overdosis aan bedorven voedsel, bladeren, zemelen en gegiste drank kon langdurig doen wegdromen in een ander land. Dat ging nog sneller wanneer men uit nood allerlei paddestoelen begon te eten en grassen van velerlei aard naar binnen werkte. En onvoorstelbare effecten moeten er ontstaan zijn wanneer een hele gemeenschap zich bij gebrek aan iets anders overgaf aan het afgrazen van complete papavervelden. Zulk gedrag is gerapporteerd in het Italië van de vroegmoderne tijd. Daar snoof men ook aan zalven en lotions, en nu veel bewuster, om in zalige verlustigingen te kunnen wegzeilen. Maar ook in de rest van Europa wordt al in de eeuwen daarvoor melding gemaakt van brood uit papaverextracten, en zelfs van meel uit hennepzaden waar eveneens brooddeeg uit werd bereid.
Uit dergelijke diëten groeiden onvermijdelijk gedeformeerde visies op de werkelijkheid. En het is zeker zo dat de werking van deze fysiologisch opgestarte droomfabriek met zijn netwerk aan hallucinaties en visioenen de nodige zorgen baarde. Erasmus fundeert zijn spot met de dwaasheid in de Lof der zotheid ook in de bekendheid van zijn lezers met de gevaren van het gebruik van verdovende middelen. Al was het maar van horen zeggen. Zijn hoofdfiguur, de Zotheid in persoon, is geboren op de Gelukzalige Eilanden, een van de paradijsdromen van de Antieken die de middeleeuwers graag overnamen en lokaliseerden op de plaats van de Canarische Eilanden. Daar leerde Zotheid al in de wieg het snuiven van hypnotiserende kruiden, die even gek als vergeetachtig maakten. Al lachend vergat men daardoor alle zorgen en voelde men zich weer jong. Maar men ging er ook wartaal van spreken en verloor blijvend het verstand. En daarom lag de bakermat van vrouwe Zotheid uitgerekend daar.
OOK WIST MEN in het Westen van de gevreesde Turken te vertellen dat zij hun moed en dwaasheid ontleenden aan wat opium genoemd werd. Daardoor 'raakten ze hilarisch van plezier en vreesden de dood niet meer; het was alsof ze totaal buiten zinnen raakten en constant halfbezopen waren’. Zo staat het in een schreeuwerig signalement over de gedragingen van de Turken, dat in 1542 als schandaalkrant door de drukpers verspreid werd.
Zulke berichten over de hallucinerende effecten van stelselmatig voedselgebrek, alternatieve eetwaren en bewust gebruikte bedwelmingsmiddelen zijn doorgaans negatief gestemd. Maar dat betekende allerminst dat enige overheid het in haar hoofd haalde om aan het al dan niet gedwongen gebruik van drugs paal en perk te stellen. De mens droeg immers een persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover God. Stelselmatig probeerde de duivel daartussen te komen. Bijvoorbeeld met verdovende middelen. Godsvertrouwen en de hulp van de geestelijke stand boden daartegen echter voldoende afweer, tenminste zolang het individu zelf voor de goede weg koos. En anders moest je het zelf maar weten.
Aan het eind van de middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd valt duidelijk een tendens waar te nemen om verdovende middelen allereerst te zien als bewerkstelligers van duivelse zinsbegoochelingen, die als zodanig ook gemeengoed zouden zijn in de heidense wereld van het Nabije en Verre Oosten.
Marco Polo is de eerste die in de dertiende eeuw omstandig vertelt over de Oude Man van de Berg. Deze oosterse despoot woonde in een kasteel ten zuiden van de Kaspische Zee, als leider van een ketterse islamitische sekte, gesticht in de elfde eeuw. Zijn volgelingen zagen hem als de plaatsvervanger van God. Om zijn macht te bestendigen en uit te breiden had hij zich verzekerd van de blinde trouw van een keurkorps aan jongelingen, die zelfmoordacties ondernamen om de door hem gestelde doelen te bereiken. Om hen zover te krijgen had hij een paradijselijke tuin doen aanleggen, die miraculeuze voorzieningen bood met behulp van een geraffineerd systeem aan buizen en fonteinen. Overal vloeide water, melk, honing en wijn. En beeldschone maagden verzorgden ongekende erotische verwennerijen.
De Oude Man ging nu als volgt te werk. Jonge mannen liet hij bedwelmen met hasjiesj, om ze daarna te doen afvoeren naar de tuin bij zijn kasteel waar het eigenlijke genieten kon beginnen. Daardoor geraakten ze in zo'n euforie dat ze bereid waren om alles te doen voor de Oude Man teneinde in de tuin te mogen blijven. Hij maakte ze dan wijs dat ze na een heldhaftige dood vanzelf voor eeuwig in dit paradijs zouden kunnen verkeren. En dat deed hen verlangen naar de dood, die ze zochten door elke opdracht tot het vormen van een zelfmoordcommando meteen te aanvaarden. Van deze moordzuchtige maar misleide jongelingen is het Franse woord assassin afgeleid: in oorsprong een hennepverbruiker, 'hash-shahsin’, onder bedwelming aangezet tot moord.
In het Westen zit de vrees voor het ongrijpbare van deze bedwelmende middelen er al vroeg in. Klaarblijkelijk verliest men de controle over zichzelf en staat men open voor alles, in het bijzonder voor kwade invloeden. Dan ligt het voor de hand dat een samenleving zich op den duur tegen dergelijke uithollingen van de vrije wil in haar eigen midden probeert te beschermen. Daaruit volgt een zekere beteugeling en dus beregeling van het gebruik, die op zichzelf in de moderne tijd ook op weinig weerstand hoeft te stuiten zolang deze maar mobiel blijft met behulp van een onuitgesproken gedoogelixer. Het publiceren en formeel voorschrijven van dit recept bevordert daarentegen slechts een onbegrijpelijke starheid met twee elkaar vragend aankijkende gezichten.
MAAR IS DAT stilzwijgende gedogen nu niet onaanvaardbaar hypocriet? Jawel, maar hypocrisie in dienst van overleven en waardevolle idealen kan ook mededogen heten, tolerantie, pragmatiek en begrip voor andersdenkenden. Onder zulke vlaggen hebben we dit land droog weten te houden, bewoonbaar gemaakt en zelfs ongekend welvarend. Meedogenloos zijn we alleen als het om het zoeken naar compromissen gaat. Daarom hebben we nu verreweg het saaiste parlement ter wereld. Dat komt niet doordat we per abuis de meest kleurloze landgenoten daarvoor uitkiezen, maar omdat we in Den Haag graag veel grijze gehaktbal verzameld zien om onze zaakjes soepel en zonder kabaal te bekokstoven.
Scheldt men elkaar in andere parlementen verrot (het Britse Lagerhuis), dan monkelen wij liever over de kwaliteiten van het paspoort (al jaren een geliefd nummer) of over de loop van diverse tracés voor spoorlijnen en autowegen. Dat leidt goed af van de meer ernstige zaken, die onze vertegenwoordigers fijnmalen tot voor iedereen even onherkenbare als weinig aanstootgevende besluitvorming. Heel geruststellend is ook dat er zo vaak vrijwel niemand in al die blauwe bankjes zit of achter de regeringstafel, zelfs als de televisie er is. Een veel koffie drinkende minister geeuwt zich door wat kopieën heen, waarvan de originelen worden voorgelezen door een geachte afgevaardigde ten dienste van de griffier. Zeker niets aan de hand. Laten we allen rustig gaan slapen.
Niemand ergert zich hieraan. Je zou wel gek zijn. Is dit niet zo langzamerhand het aangenaamste land ter wereld om te mogen vertoeven? En juist dat moet het gevolg zijn van die onvermoeibare hang naar gedogen en compromissen, die uiteindelijk geheel onzichtbaar het land in blakende welstand houden. Zo weet niemand meer (of al?) hoe nu precies die Betuwelijn zal gaan lopen. Of is die uitgesteld, afgeschaft, verplaatst naar een andere provincie dan wel verpatst aan een spelletjesfabrikant? En mochten we ons toevallig een besluit kunnen herinneren, dan ziet dat er onveranderlijk uit als een wereldstekker: elke insteek blijkt mogelijk. In die zin kan de recente besluitvorming over Maastricht Airport als model dienen. Er zullen geen nachtvluchten uitgevoerd worden behalve een beetje. Voor Zuid-Limburg heeft het kabinet namelijk bepaald dat de nachten daar slechts viereneenhalf uur duren. Dus niks vliegen in de nacht. Wij wachten met spanning af hoe lang de nachten rond Schiphol zullen uitpakken ten dienste van een gerieflijke besluitvorming.
Wat een heerlijk land om in te leven! Wij houden niet van schreeuwerige idealisten, barricadenbestormers, principiële gelijkhebbers en andere eenzijdig bevlogenen. Behalve zo nu en dan een van het type Rosenmöller, om het contrast des te scherper te doen uitkomen. We weten wel dat zulke mensen bestaan, ze behoren zelfs tot onze beste vrienden, maar een daarvan is meer dan genoeg. Geef ons naast zo'n exquis liflafje op zijn tijd maar de dagelijkse kost van een gezellige Dijkstal en al die andere huismanministers, die staan te dringen om hun kroost in te stoppen. Gewone mensen tenminste, die excelleren in de enige kwaliteit die in Nederland tot ware populariteit kan leiden: gewoonheid. En die weten dat de waarheid altijd in het midden ligt, dat de soep niet zo heet gegeten hoeft te worden als hij is opgediend en dat je niet op alle slakken zout moet leggen: weer een rij gezegden rond onze favoriete levensstijl. Daardoor kunnen we hier ook een regering hebben die bestaat uit links, rechts en kleurloos. Maar daardoor ook krijgt extreem-rechts hier nooit enige voet aan de grond.
DEZE GRONDHOUDING heeft ook verhinderd dat katholieken en protestanten elkaar in dit land ooit de strot doorsneden. Wanneer de Republiek na de Opstand voor het calvinisme kiest, verklaart zij in feite de katholieken vogelvrij en daarmee liefst de helft van de bevolking. Maar van massamoorden met de hand op de bijbel, zuiveringen, deportaties en verdrijvingen wil geen van die rechtgeaarde calvinisten horen. Want meteen ligt de gedoogcultuur weer klaar om zich te vlijen in het bed van ons geweten, zich kirrend te schurken aan een gelijk op lange termijn en een nieuw gezegde te baren dat voor deze ongemakkelijke situatie wel heel toepasselijk is: leven en laten leven.
De katholieken worden gedoogd op voorwaarde dat ze hun eredienst niet in het openbaar uitoefenen. Maar ze moeten hun mis natuurlijk wel kunnen lezen, vandaar een netwerk aan schuilkerken. Het cement werd geleverd door een calvinistische koopman, de betimmering was in handen van een remonstrantse aannemer en een doopsgezinde dichter deed ook wat, met zoveel ijver dat hij daar later zelf nog katholiek van werd. Zo maken wij onszelf met zijn allen steeds tevreden. En het geheime van al die schuilkerken bestaat alleen voor opgewonden toeristen in de twintigste eeuw.
Zo doen wij alles in deze allerbehaaglijkste samenleving, of het nu om euthanasie gaat, snelheidsovertredingen of hinderwetten. Gedogen is bijna een automatisme geworden. Het werken volgens de regels is alleen nog bekend als politiek drukmiddel onder de naam 'stiptheidsactie’. En juist dergelijk voorbeeldig gedrag, dat de standaard behoort te zijn, beschouwen we nu als illegaal, aangezien de rechter verzocht kan worden om zo'n stiptheidsactie bij een arbeidsconflict te verbieden!
Willen wij het echter droog houden, dan dient die overbloezende bureaucratie met haar hang naar het formuleren van allerlei vormen van gedoogbeleid krachtig de kop ingedrukt te worden. Zonder dat iemand het merkt natuurlijk. Gedogen is een mentaliteit, niet een regel.
En wie dat nog steeds te gortig is, mag zich gesteund weten door een beschaafd rechtsprincipe dat men in dit land even graag als kies hanteert. Een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie kan besluiten om niet tot vervolging over te gaan op grond van het opportuniteitsbeginsel. Het kan immers uit menslievende dan wel pragmatische overwegingen heel verstandig zijn om bepaalde zaken maar te laten rusten. Dat is gedogen ten voeten uit: een mentaliteit, niet een nieuwe reeks voorschriften. Ook de rechter beschikt over enkele mogelijkheden om gedogenderwijs zijn vonnissen maatschappelijk bij te kleuren. Zo kan hij wel schuldig verklaren, maar tegelijk besluiten geen straf op te leggen.
Wat de juristerij vermag, moet de lokale en landelijke overheid weer opnieuw bijgebracht worden. Nederland kan het eigenlijke gedogen niet missen. Alleen zo kunnen we in Europa een voortvarende toon blijven aanslaan wanneer het om drugs en andere zaken gaat. Dat betekent in de praktijk dat er steeds ondubbelzinnig aangesloten moet worden bij een Europese wetgeving. Die kan bij toepassing telkens aanleiding geven tot liberaliseringen, welke op hun beurt bij gebleken succes weer zullen resulteren in aanpassingen van het overeengekomen regelsysteem. Zo doen we het eigenlijk al eeuwen.