De dictatorroman, of hoe een potentaat zijn macht behoudt

De kunst van het heersen

In de achteraf meest spectaculair gebleken bijeenkomst van lijsttrekkers gaf wijlen Pim Fortuyn een stevig schot voor de boeg, nog voor het debat goed en wel op gang was: ‘Uw pennenvruchten zijn mí-ní-máál’, slingerde hij Thom de Graaf in het gezicht. Behalve hijzelf mocht alleen ‘collega professor Balkenende’ zich, wat Fortuyn betrof, beroepen op zijn kunde als schrijver. Het klonk overtuigend: politici die het geschreven woord machtig zijn, hebben meer recht van spreken. Churchill won niet voor niets de Nobelprijs voor de literatuur.

Toch zegt schrijfvaardigheid maar weinig over de bekwaamheid en voortreffelijkheid van een politicus. Laat staan over zijn trouw aan democratische principes of over zijn vermogen ‘het volk aan te spreken’, waar men de laatste dagen zo hoog van opgeeft. Het verzameld werk van Stalin beslaat minstens drie boekenplanken, de Koreaanse despoot Kim Il Sung schijnt een groot, of althans productief poëet te zijn, en als we de recensies uit Irak mogen geloven, is dictator Saddam Hoessein niet alleen een vakkundig schrijver van politieke traktaten, maar zelfs een buitengewoon talentvol en voortreffelijk romancier. Zijn tweede en vooralsnog laatste roman telt maar liefst 713 pagina’s en wordt in Irak geprezen als een ‘vernieuwing in de geschiedenis van de roman’. De suggestie van de CIA dat de Iraakse dictator een ghostwriter in dienst heeft genomen, wordt door de Iraakse media zonder meer van de hand gewezen. Alleen Arabisch lezende critici waren in de gelegenheid een oordeel te vellen. Geen buitenlandse uitgeverij heeft interesse in de rechten getoond.

Momenteel repeteert het Iraaks Nationaal Theater voor de première van een musicalversie van Saddams eerste roman. In dit boek schijnt de despoot zich van zijn kwetsbare kant te tonen. De heerser in Zabibah wa’l-Malik , oftewel Zabibah en de koning, wordt geplaagd door onzekerheden. Hij hunkert naar liefde en advies van de vrouwelijke heldin van het verhaal. Hij vertrouwt haar toe dat hij zich geïsoleerd voelt, dat hij zijn samenzwerende hovelingen vreest en het contact met zijn volk kwijt is. Maar ook de politieke verwijzingen zijn niet van de lucht. Zij, Zabibah, staat voor het dappere maar vernederde Iraakse volk. Haar man, een in zwarte pij gehulde griezel, vertolkt de westerse, vijandige wereld. De griezel houdt niet op Zabibah af te ranselen, zoals Engelse en Amerikaanse vliegtuigen al jarenlang vrijwel wekelijks Irak bombarderen.

Onlangs wijdde de redactie van het literaire tijdschrift Raster een volledig nummer aan de ‘dictatorroman’. Uit de kwalitatief zeer verschillende bijdragen en de bijna literatuurwetenschappelijke inleiding blijkt dat Saddams roman niet typisch is voor dit literaire genre. Ze schrijven en dichten wel, de dictators, maar nooit boeken met een despoot in de hoofdrol.

Ongelezen kan van Zabibah en de koning dan ook worden gezegd dat het een bijzondere roman is. Het boek werd namelijk niet alleen geschreven door een dictator, het gaat ook nog eens over een dictator. Hoogst ongebruikelijk, derhalve.

Schrijvers die de dictator wél tot onderwerp van hun roman maken, leggen hem in de regel ellenlange toespraken in de mond. Daarin maakt de alleenheerser zijn onderdanen duidelijk hoe zijn persoonlijke geschiedenis samenvalt met die van zijn vaderland en via welke, soms doorgrondelijke, maar meestal ondoorgrondelijke en zelfs obscurantistische wegen de geschiedenis zijn machtspositie legitimeert. Die redevoeringen gaan meestal in het Spaans. Want het leeuwendeel van de papieren despoten bestiert een Zuid-Amerikaans land. Hoe kan het ook anders: het gros van de tot de verbeelding sprekende, welhaast exotische, negentiende- en twintigste-eeuwse dictators zijn te vinden in Latijns Amerika. García Márquez, op wiens naam enkele zeer indringende schoolvoorbeelden van het genre staan – zoals De herfst van de patriarch – verklaarde zelfs: ‘De Latijns Amerikaanse dictator is misschien wel de enige mythische figuur in de geschiedenis van het continent.’

De grootste klassieker in het genre komt daar ook vandaan: Yo el Supremo van Augusta Roa Bastos (1974). De redactie van Raster nam enkele fragmenten ervan op in haar tirannennummer. Bastos modelleerde zijn fictieve dictator naar een negentiende-eeuwse alleenheerser van zijn land Uruguay, een zekere dr. José Gaspar Rodríguez de Francía, ofwel de ‘Allerhoogste’ en ‘Eeuwige dictator’. Hij is een voorganger van Stroessner, de dictator die verantwoordelijk was voor de verbanning van Bastos. Naar beproefd recept richt de despoot zich in Ik de allerhoogste tot zijn secretaris.

De beroemdste Nederlandse dictatorroman (Albert Helmans De dolle dictator: Het ondoorgrondelijke leven van Juan Manuel de Rosas , uit 1935) houdt zich niet aan de klassieke regels van het genre. Sterker, in Nederland zijn de klassieke ingrediënten van de dictatorvertelling niet of nauwelijks terug te vinden in de literatuur. Op het toneel wel. Zoals in een niet in Raster opgenomen komedie die onlangs in Nederland is opgevoerd door de Toneelschuur uit Haarlem. In dit stuk, Om de macht, brengt acteur Hans Leendertse een op Ceausescu lijkende despoot meesterlijk tot leven in korte dialogen en lange monologen. Ze zijn geschreven door de kleinkunstenaar Niek Barendsen, wiens sketches en liedjes zelden gespeend zijn van politieke verwijzingen, wat momenteel ook blijkt in het satirische programma Fit, dat door hem werd geschreven en waarvan de NPS vrijdagavond de derde aflevering uitzendt.

De Nederlandse toneelversie van Ceausescu laat zich in Om de macht toespreken als ‘onze eik van de Karpaten, zoon van het volk en stralende zon’ en toonzet zijn laatste monologen in de stereotiepe taal die onlosmakelijk verbonden is aan zijn metier. Op het punt de macht te verliezen, galmt hij ze eruit, alsof hij op de automatische piloot is gezet.

De ponteneur, de egomane en idiote bombast, zo eigen aan exotische alleenheersers, lijkt in Nederland nergens beter, maar ook nergens anders uitdrukking te vinden dan in de komedie. Het is wellicht daarom dat de serieuze literatoren van Raster zich bij de bestudering van Nederlandse potentaten niet richten op de verpolderde politici van de gevestigde macht, maar zoeken in ministeries, redactieburelen, uitgeverijen en multinationals – overal waar machtsverhoudingen een rol spelen. Verreweg de meest indrukwekkende bijdrage is van Maarten Asscher. De schrijver, ex-uitgever en topambtenaar richt machiavellistische aanwijzingen tot een bekende van hem, die hij zojuist aan een nieuwe benoeming heeft geholpen. Een ‘prachtige stap’, die ‘mits gevolgd door de juiste vervolgstappen een weg naar de absolute top’ openstelt. Asscher geeft elke Raster -lezer gratis zijn diepe inzicht in de machinaties van de macht. ‘Wees constant in je onvoorspelbaarheid’, stelt hij. En: ‘Voel je niet zo snel geroepen om een stilte te verbreken, zorg dat de ander zich ongemakkelijk gaat voelen’. En: ‘Als je niet af en toe in besloten kring iemand afsnauwt, dan riskeer je dat je op een zijspoor terechtkomt, dat men ophoudt om je te informeren of om je toestemming voor dingen te vragen, omdat men er te gemakkelijk vanuit gaat dat je er wel mee akkoord zult zijn’. En: ‘Geef jezelf nooit complimenten, dat is een teken van zwakte en onzekerheid, alsof er een misverstand over je kwaliteiten mogelijk zou zijn’ (een aanwijzing die voetbaltrainer en dictator Louis van Gaal wel heel nadrukkelijk in de wind sloeg); ‘Geef je minderen publiekelijk complimenten, brandt ze af in besloten kring; zorg dat elke handeling van de ondergeschikten, hoe onbenullig ook, eruitziet als deel van een beweging, die geeft mensen een collectieve identiteit’.

Met die aanwijzing voert Asscher ons direct terug naar het klassieke genre, met de gezwollen retoriek van lachwekkende vetkleppen met rijen medailles op de borst. In de gedragen monoloog van de despoot gaat het immers altijd om die collectieve identiteit. De dictator in de Hollandse komedie: ‘Kameraden. Wij staan op een keerpunt in de geschiedenis (…) zalig is het een klaproos te zijn in het bloembed der revolutie, dat wuift in de wind (…) Als je me vraagt – en dat vraag je me – gaat het je om de eer, de macht, de poen? Dan zeg ik nee. Die kan me gestolen worden. Het gaat me om de boerin in de bergen die weet: er wordt aan me gedacht, ik ben deel van iets groters.’

Dit zijn slechts enkele van de vele aanwijzingen die Asscher de op efficiëntie gerichte machtswellusteling geeft. Het is verplicht leesvoer voor elke secretaris-generaal, souschef van een detailhandel, captain of industry, hoofdredacteur of al die andere mini-potentaatjes. Lees Asscher in plaats van al die halfzachte leiderschapsboeken die vol staan met sociaal wenselijke en cultureel correcte woorden als ‘inspiratie’, ‘zelfsturende taakgroepen’, ‘helicopter-view’, et cetera, et cetera.

Vooral Nina Brink zou er haar voordeel mee kunnen doen. In een bijdrage van Jannetje Koelewijn blijkt zij de minst gemanierde brulboei te zijn, een dictator die in ijltempo haar gezag en macht verloor door lomp en gillerig gedrag.

Bovendien problematiseert Asscher met zijn bijdrage de verhouding tot de dictator, de alom gehate, grootheidswaanzinnige idioot die slechts kommer, kwel, angst, schendingen van de mensenrechten en een rampzalig inefficiënte aanwending van grondstoffen veroorzaakt. Want iedereen die zich heeft voorgenomen de baas te worden – van zijn gezin, zijn leefgemeenschap of bedrijf – kan niet zonder de trucs voor de vergroting en het behoud van macht. Asscher geeft geen karikatuur van de dictator, maar lessen die gelden voor iedere succesvolle tiran.

’De tiran’, Raster

Driemaandelijkse uitgave van uitgeverij De Bezige Bij, 200 blz., € 15,-

Niek Barendsen, Fit

NPS, vrijdag 17, 24 en 31 mei, 23.10 uur, Nederland 3