De kunst van het inpakken

David Mitchells nieuwe boek werkt met klassieke ingrediënten van de avonturenroman: onzekerheid over de heersende moraal, voortdurende strijd tegen onduidelijke, soms kwaadaardige machten, plus een onmogelijke liefde. Dit alles tegen de achtergrond van kleurrijke historische omstandigheden. Een benarde maar karaktervaste calvinistische Nederlandse ambtenaar probeert zich rond 1800 in een afgelegen omgeving - Deshima in Japan - staande te houden. Hij krijgt te maken met corruptie van Nederlandse en Japanse kant en met een machtsstrijd tussen Japanse fracties waarvan een Japanse vroedvrouw op wie hij verliefd is het slachtoffer dreigt te worden. Hij weerstaat vrijwel in z'n eentje een Engelse aanval op Deshima, wat hem de waardering oplevert van de Japanse magistraat. ‘Sadder and wiser’ keert hij terug naar Nederland.
Deze samenvatting zegt uiteraard weinig over toon en schrijfwijze van deze ingenieuze roman. Maar het is duidelijk dat Mitchell niet van plan was terug te schrikken voor veelbeproefde elementen uit een langzamerhand vergeten literaire traditie waarbinnen schrijvers als Daphne du Maurier en Jean Rhys glorieerden. Met gekwelde individuen die zich binnen een koloniale setting tevergeefs overeind proberen te houden. Zelfs riep Mitchells roman herinneringen bij me op aan de ijzersterke 'pageturner’ Shogun (1975), meesterwerk van de Amerikaanse blockbuster-tycoon James Clavell. Ook daar een beeld van het historische Japan, deze keer rond 1600, waar veldheren om de macht strijden, waarbij Portugese missionarissen een kwalijke rol spelen en een Engelse zeevaarder op de kust van Japan belandt en het uiteindelijk schopt tot vertrouweling van de Shogun. Prachtig boek, ik was er dagenlang zoet mee.
Ook Mitchells boek hield me met volle kracht bij de les. Niet alleen omdat ik weinig afweet van dat piepkleine eilandje Deshima in de baai van Nagasaki waar de voc van 1641 tot 1859 de scepter zwaaide en lange tijd lucratieve handel dreef met Japan. Mitchell geeft een mooi beeld van dit eilandje, waar niet meer dan tien ambtenaren de moeizame betrekkingen met Japan onderhielden. Bij hem uiteraard geen uitvoerige historische overpeinzingen over de 'ontmoeting van twee culturen’. Dat nooit als je een goeie schrijver bent. Hij laat van binnenuit zien hoe het in elkaar zat. Je mocht bijvoorbeeld als bewoner van Deshima geen uiterlijke tekenen van de christelijke godsdienst bij je hebben. Dit brengt Jacob de Zoet, de Nederlandse held, danig in de problemen omdat hij zijn psalmenboek niet wil afstaan. Door de hele roman blijft deze kwestie een rol spelen, Jacob verbergt het liedboek. Op deze manier weet de schrijver de problematiek van de verschillen tussen culturen zeer voelbaar te maken. Hier gaat het om in deze roman: de onmogelijkheid afstand te nemen van de als 'uniek’ en 'onvervangbaar’ ervaren 'eigen’ leefwereld. Mitchell demonstreert dit bovendien door geestige verwarringen rondom de taal. Vaak vragen de Japanse tolken, die toch echt redelijk Nederlands spreken en verstaan, zich verbijsterd af wat die rare barbaren nu weer bedoelen.
Mitchell brengt de verschillen tussen de culturen ook verder fraai in beeld, waarbij hij erin slaagt de bekende clichés over de 'ondoorgrondelijkheid’ en 'onbetrouwbaarheid’ van de Oosterse mens, waarmee we in de moderne filmkunst keer op keer worden opgezadeld, te omzeilen. Ook in het negentiende-eeuwse Japan heb je boeven en helden en ook daar spelen allerlei gecompliceerde belangen tussen families en politieke fracties, net als hier, een belangrijke rol. Niets rationeels blijkt de Japanse mens vreemd te zijn. Wel creëert hij een klassieke boef in de figuur van Enomoto, die in een afgelegen klooster een gruwelijke sekte in stand houdt. Maar zonder dit soort figuren heb je natuurlijk niet snel een spannend boek.
En dat wilde Mitchell dus wel schrijven. Een spannend maar toch ook een mooi boek, dat blijft het hoogste.
De schoonheid zit bij Mitchell in de details. De roman start met een verpletterende en uiterst gedetailleerde beschrijving van een moeizame bevalling. En om het ook nog wat aanschouwelijker te maken is een fraaie tekening van het beschrevene toegevoegd. 'Orito wurmt haar vingers tussen de biceps van de foetus en de gescheurde schaamlip van de moeder, totdat ze halverwege haar pols in de vagina van Kawasemi zit. De concubine rilt en kreunt.’ Kijk, dan heb je iets. En zijn beschrijvingen van bijvoorbeeld een executie van drie inbrekers, van stadstafereeltjes in Nagasaki, van tochten door het Japanse landschap, van een bombardement op Deshima zijn schitterend. Dan laat Mitchell zijn verhaal even stilstaan, en gaat hij er eens lekker voor zitten om iets wat nooit gezien of voelbaar was toch zichtbaar en voelbaar te maken.
Hij heeft een sterke voorkeur voor beschrijvingen van medische ongemakken, de behandeling van de jicht van de kapitein van het Engelse schip dat Deshima belaagt is treffend en kwellend tegelijk. 'Hij [de arts] haalt een schaal en een roestig lancet te voorschijn, en neemt de Kapitein bij de onderarm. “Mijn scherpste mes. U voelt zo goed als…” Penhaligon verbijt zijn au!, zijn vloek en rilling van pijn. “…niets.” Nash brengt een katheder in om roofvorming te voorkomen. “En nu…” “Niet bewegen. Ik weet het.” Trage bloeddruppels vormen een plasje in de schaal.’ Ja, lekker huiveren bij de verschrikkingen die anderen overkomen, dat is het heerlijke van literatuur, en die Engelse kapitein is toch al een vervelende kerel, dat scheelt. David Mitchell schreef een spannend en mooi boek, waarin hij zich langzamerhand helemaal liet inpakken door zijn eerst onhandige en aandoenlijke held die later toch uit het juiste hout gesneden blijkt te zijn. En ik liet me ook inpakken.

David Mitchell
De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet
Uit het Engels vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema,
Ailantus, 624 blz., € 24,95