De kunst van het kwaadspreken

DE WETENSCHAPPER Le Gallienne illustreerde zijn artikel ‘The Psychology of Gossip’ uit 1912 met een beangstigend beeld. Volgens de oude Scandinavische scheppingsmythe wordt de hele wereld omgeven door de kronkels van een onmetelijke slang die zichzelf in de staart bijt. De wereld ligt nog steeds in een wurggreep en de naam van het verstikkende reptiel is roddel. Overal waar mensen zijn, kun je het sissende gefluister van het serpent horen, zijn snode zaad wringt zich in bochten en hij bijt en vergiftigt verborgen nesten van walgelijke myriaden. Zijn gif verspreidt zich en neemt de omvang aan van een negenhoofdige Hydra die hele naties in gevaar brengt. Of van microscopische wormen die zich in razend tempo vermenigvuldigen in de bedekte poelen van het priveleven. Aldus een zich verlustigende Le Gallienne.

Het beeld is afschrikwekkend en passend. Niet alleen om de voorspelbare giftige tong van de slang - de figuurlijke betekenis die de Van Dale van serpent geeft, is niet voor niets ‘kwaadsprekende vrouw’- maar ook om de beschermende cirkel die het fabeldier maakt. Want roddel, daar zijn de vele sociologen die de kwaadsprekerij bestudeerden het roerend over eens, is behalve kwalijk en giftig ook de lijm die een sociaal verband hecht houdt. Roddel zorgt ook voor coherentie, handhaaft de status quo binnen een groep, is een sociaal bindmiddel bij uitstek. Wordt een groepsband niet veel inniger als die ene onuitstaanbaar over het paard getilde man kan worden belasterd?
Hoe exclusiever de gemeenschap is, hoe meer er wordt geroddeld. Zo stelt de antropoloog Gluckman dat roddel in drie soorten groepen welig tiert: in beroepsgroepen, in minderheidsgroeperingen en in sociale groepen die hun exclusiviteit willen behouden. Meest van al geven de leden van elitaire gezelschappen zich over aan het indiscrete kletsen. Ze willen de deur dicht houden voor parvenu’s, verklaart Gluckman. Om tot een elite te behoren moet je gedistingeerde voorouders hebben, beroemd zijn of beroemde vrienden hebben, maar wil je echt insider zijn dan moet je kunnen roddelen over hen met wie je verkeert. En je moet zelf onderwerp van kwaadsprekerij zijn, wil je voor vol worden aangezien.
DE NEGENTIENDE-EEUWSE Franse schrijvers Edmond en Jules de Goncourt zijn ontegenzeglijk de beroemdste literaire roddelkonten. Hun dagboek - waar ze in 1851 aan begonnen te werken en dat tot 1896 doorloopt en in de definitieve Franse editie zo'n vijfduizend pagina’s beslaat - bevat een schat aan genadeloze gegevens over de hele literaire menagerie van hun tijd. Flaubert, Gautier, Zola, Daudet, George Sand, Sainte-Beuve, De Maupassant, niemand van hun beroemde en minder beroemde tijdgenoten heeft vermoed dat de twee broers na hun bezoeken aan dejeuners, diners, soirees en salonbijeenkomsten de pen slepen om een venijnig verslag neer te schrijven van alles wat ze hadden gezien en gehoord. De gebroeders De Goncourt zijn zich daarbij heel wel bewust dat roddel een probaat bindmiddel is. 'Niets smeedt twee mensen zo aaneen als kwaadspreken over een derde: het is misschien de meest hechte band die de maatschappij kent’, noteert Jules op 23 oktober 1860 in het dagboek. Een jaar daarvoor hebben ze al geconstateerd: 'Van andere mensen kwaad spreken, en dan in het bijzonder van zijn vrienden en familieleden is nog steeds de grootste ontspanning die de in groepsverband levende mens heeft weten te bedenken. Wat is de wereld? Een organisatie voor kwaadsprekerij?’
In hun dagboek profileren de Goncourts zich als absolute insiders. De wereld die ze van binnenuit laten zien, is die van een adellijke en culturele elite. Op 8 april 1862 beschimpen ze Victor Hugo omdat hij altijd een notitieboekje op zak heeft waarin hij de geringste gedachte en het kleinste idee dat hij uitspreekt - 'alles wat uitgaat boven “Ik heb goed geslapen” of “Schenk mij nog eens in” ’ - optekent. 'Alles komt hem van pas: overal maakt hij kopij en materiaal van. Niets gaat verloren; alles wordt tot boek verwerkt’, becommentarieren de broers schamper. Toch doen zij zelf in feite niet anders. Hun notitieblok is weliswaar mentaal, maar ook zij leggen de geringste voorvallen en de kleinste gespreksflarden vast. De onbenulligste vertrouwelijkheden die hun ter ore zijn gekomen, de miniemste zinnetjes opgevangen op straat, de triviaalste roddels, alles is voor de broers kopij en materiaal voor hun dagboek. Nu ja, voor de ware insider is geen detail te minuscuul.
WERKELIJK, DE GEBROEDERS De Goncourt geven zich aan alle vormen van kwaadsprekerij en achterklap over. Ze dopen hun pen in vitriool als ze een portret van hun vrienden schetsen. Ze kraken de artistieke produkten van hun kennissen kwaadaardig af, terwijl ze hen in het gezicht niets dan lof betuigen. (Salammbo van Flaubert vinden ze 'kinderlijk’ en 'belachelijk’, 'die eeuwige beschrijvingen heel vermoeiend’; Zola weet niet waar hij over schrijft: het lijkt wel of hij leeft in een kist met een gat, waardoorheen hij de liefde bedrijft met een onzichtbare vrouw.) Ze memoreren prompt alle lelijkheden die men achter elkaars rug over elkaar formuleert. Ze brengen de intieme gesprekken die zich binnenskamers voltrekken letterlijk naar buiten. Geen vertrouwelijkheid is bij hen veilig. Ze leggen alle geruchten, alles wat ze zelf beluisteren, maar vooral wat ze van anderen over anderen horen of wat anderen weer van anderen over anderen hebben gehoord, vast. Ze roddelen in de eerste, de tweede en de derde graad, ze bezondigen zich aan achterklap en 'metaklap’, zo blijkt uit hun algemene, objectiverende opmerkingen over het lasteren.
Neem de onverbiddelijke portretten. Hun vriend en collega-schrijver Theophile Gautier typeren ze als een man met een log gezicht, 'waarvan alle trekken naar beneden zakken, een dikke massa lijnen, een gelaatsuitdrukking in sluimer, een geest die in een vat materie gestrand is, de vermoeidheid van een nijlpaard, een begripsvermogen dat slechts bij vlagen werkt, iemand die ontoegankelijk is voor ideeen en ook nog last heeft van gehoorshallucinaties’.
De vermaarde criticus Sainte-Beuve, met wie ze veel tijd doorbrengen, karakteriseren ze als een kikker: de onderste helft van zijn gezicht is roze van kleur en ziet er weldoorvoed uit, zijn koontjes springen als twee gezwelletjes naar voren en zijn mond is breed, vooral als hij glimlacht. 'De algemene indruk is die van een intelligente provinciaal, vrolijk en fris van uiterlijk, met zijn blanke voorhoofd en zijn rode wangen, een man die uit een bibliotheek of kloostercel vol boeken komt, waaronder zich een kelder met uitgelezen bourgogne bevindt.’
Over de criticus en wijsgeer Hippolyte Taine schrijven ze dat hij de bewonderenswaardige kunst beheerst anderen iets te leren dat hij zelf gisteren nog niet wist. Aan de hand van een uitstapje naar Flaubert, die buiten Parijs verblijft, kenschetsen ze de vrolijkheid van Zola als die van een klerk van een venduhuis die een boedelbeschrijving gaat opmaken. Daudet is opgewekt als een man die het echtelijk huis is ontvlucht en nu eens goed aan de rol gaat, en de uitgever Charpentier als een student die een flink aantal glazen bier in het verschiet ziet liggen.
Of neem het onthullen van intimiteiten. Het meest geliefde gespreksonderwerp van George Sand zijn faecalische grappen, vooral over poep en winden, laten de broers een vriend van haar vertellen. En ze schrijft alsof ze diarree heeft, dat wil zeggen: doorlopend. Zo had ze eens om een uur ’s nachts een roman voltooid. Nadat ze verzucht had: 'Wel, ik ben klaar’, begon ze ogenblikkelijk aan een volgende. Ze noteren de grootspraak van Flaubert over zijn jonge jaren: als hij toen met vrienden naar een bordeel ging, zocht hij de lelijkste hoer uit en stond hij erop haar te naaien waar iedereen bij was, zonder zijn sigaar uit de mond te nemen. Dat terwijl ze over dezelfde Flaubert het vermoeden uitspreken dat hij nog maagd is en hem vijf jaar eerder in hun dagboek laten uitleggen dat hij een heel eenvoudig middel heeft gevonden om het zonder vrouwen te doen: 'Ik ga op mijn buik liggen, en dan ’s nachts… het werkt feilloos.’
ALS RECHTGEAARDE RODDELAARS hebben de Goncourts de meeste smeuige anekdoten van 'horen-zeggen’. De tweelingzus van de roddel is immers het gerucht. Want kwaadsprekerij boet aan betekenis in als er niet wordt doorverteld. Telkens weer worden prikkelende zaken in het dagboek ingeluid met: 'X vertelde ons het volgende’, 'Y verzekerde ons met de hand op het hart’, 'Wij hoorden Z aan het tafeltje naast ons zeggen’. Een arts vertelt hun hoe keizer Napoleon III met zijn liefdes omgaat. Hij laat ze naar de Tuilerieen brengen, ze in de ene zaal ontkleden en naakt naar een andere zaal brengen, waar hij op ze wacht. Ze krijgen het volgende gebod mee: 'U mag Zijne Majesteit overal kussen, behalve op zijn gezicht.’ Ze halen De Maupassant aan over de homoseksuele Engelse dichter Swinburne en zijn vriend, die hun lusten bevredigen met apen of jonge bedienden van veertien of vijftien jaar oud. Totdat een van de bedienden de aap ophing, waarschijnlijk uit jaloezie.
De schrijver Hennique brieft de broers door dat De Maupassant zijn lid eens liet beschilderen alsof hij syfilis had om vervolgens naar een van zijn maitresses te gaan en haar met geweld te nemen. Een jaar later verklaart Hennique dat De Maupassant een fabelachtige potentie heeft en zijn lid stijf kan krijgen wanneer hij maar wil: 'Hij ging weddenschappen aan dat hij, als hij even met zijn gezicht tegen de muur had gestaan, zich om zou draaien met zijn lid omhoog, en die weddenschappen won hij altijd.’ Ze krabbelen neer wat de dichter Rollinat de minnaar van Verlaine, Rimbaud, in een cafe heeft horen roepen: 'Ik ben kapot, ik ben aan mijn eind. X*** heeft me de hele nacht genaaid… Ik kan mijn ontlasting niet meer ophouden.’ Daudet heeft een andere keer in een cafe opgevangen hoe Rimbaud luidkeels over Verlaine praat: 'Als hij op mij wil klaarkomen, uitstekend! Maar hij wil toch niet dat ik het met hem doe? Nooit, absoluut niet, hij is echt te smerig en hij heeft zo'n afschuwelijke huid!’
De stroom scandaleuze anektdoten is schier onuitputtelijk. Het is niet meer dan natuurlijk dat de meeste achterklap het driftleven betreft. Schandaal en sensatie zijn de Pokon waarop roddel gedijt en niets wekt dat kennelijk sterker op dan seksuele uitspattingen. 'Vrouwen en liefde, dat is altijd het onderwerp van gesprek als een aantal intelligente mannen samen eten en drinken’, schrijven de gebroeders op 28 januari 1878 met gevoel voor understatement.
DE ENGELSE ROMANCIERE George Eliot definieerde roddel ooit afkerig als de rook die van vieze tabakspijpen afkomstig is. Roddel bewijst niets behalve de slechte smaak van de roker. De gebroeders De Goncourt proberen in hun dagboek nu juist de sigarenrook, dat wat ijl is en uiteindelijk vervliegt, op papier te krijgen. Het is ze niet om essentialia te doen, niet om grote lijnen, maar om het schuim van de dagen. Het is ook conform hun realistische literaire program dat ze de werkelijkheid in haar vluchtige details willen vangen. Zoals Edmond de Goncourt in het voorwoord bij de eerste, gekuiste uitgave van het dagboek in 1887 schrijft: 'We hebben dus geprobeerd voor het nageslacht onze tijdgenoten tot leven te wekken zoals ze werkelijk waren, en wel door een levendig verslag van een gesprek, door hen te betrappen op een typisch gebaar, door die kleine emotionele trekjes waaruit blijkt hoe iemand werkelijk is, door al die moeilijk te omschrijven zaken waarin het echte leven naar voren komt.’
Daarmee is de roddelaar als minnaar van het minieme uiteindelijk ook een kunstenaar. In ieder geval deed rond de eeuwwisseling de theorie opgeld dat er een grote overeenkomst bestaat tussen de roddelaar en het genie. De argumenten: beide typen hebben een grote intellectuele nieuwsgierigheid, een uitstekend geheugen en het vermogen nieuwe en originele verbanden te leggen tussen gebeurtenissen. Hoe obscuur de theorie ook is, de broers neigen in soortgelijke richting als ze stellen dat echte kunst alleen voortkomt uit mensen die zich amuseren en genieten. De generatie van Taine, zo redeneren ze in 1866, heeft niets anders dan critici voortgebracht omdat ze zelfkastijdend, als in een cel heeft geleefd, slechts vervuld van arbeid, wetenschap, analyse, een overdaad aan lectuur. Kunstenaars mengen zich onder de mensen. En moeten zich, schrijven ze in 1858, geregeld in de banaliteit wentelen: 'Een mens heeft behoefte aan een dagelijkse hoeveelheid gesproken en gedachte trivialiteiten en grofheden. Dat geldt in het bijzonder voor een schrijver, iemand die van ideeen leeft, en in hoge sferen verkeert.’
ALS KWAADSPREKERIJ kunst is, is ze dat echter in de eerste plaats binnen de conversatie. Het dagboek van de Goncourts moet in zijn tijd worden geplaatst en dat is nog steeds de tijd van de salons, die elitaire centra van verbale virtuositeit. Zeker, er werd in de salons ook over vraagstukken van filosofische, religieuze of literaire aard gediscussieerd, maar de werkelijke welbespraaktheid laat zich toch het best demonstreren aan dat wat geen inhoud heeft. Mme de Stael formuleerde het zo: 'Het spreken is een vrije kunst, zonder doel of resultaat. De conversatie is voor de Fransen niet een middel om hun ideeen, hun gevoelens, hun bezigheden mee te delen, maar het is een instrument dat men graag bespeelt en dat de geesten doet opleven, zoals de muziek bij bepaalde volken, en de sterke drank bij weer andere.’
Voor la converstation pour la conversation is roddel uitermate geschikt. Roddel is een vorm van small talk, van ledig gepraat over triviale persoonlijke gebeurtenissen, van sociaal divertissement. Een soort intellectuele kauwgum zogezegd.
Inderdaad zijn Jules en Edmond de Goncourt bovenal als roddelaars kunstenaars. Hun lijvige realistische romans worden nauwelijks meer gelezen, hun historische studies zijn vrijwel vergeten, hun toneelstukken worden niet meer opgevoerd, alleen hun lasterlijke dagboek bevestigt nog hun roem. En dat is ook terecht. De broers zijn vervelende ijdeltuiten als het om hun eigen werk gaat, aartsconservatieve burgermannen wat betreft de politiek, ze zijn irritant schongeistig, snobistisch, kleinzielig, misogyn, homofoob en antisemitisch, maar ze zijn superieure kwaadsprekers. Hun stijl is meeslepend gemeen en hun oordeel komt als de bijl van de guillotine op hun slachtoffers neer.
Rest de vraag waarom de zucht naar klets bij hen zo'n pathologische vorm heeft aangenomen. Want hun 'metaklap’ en realistische literatuurtheorie is natuurlijk heel mooi, maar wat heeft de broers ertoe bewogen hun dagboek voornamelijk te vullen met wat de Engelsen treffend hearsay noemen? Over het antwoord valt uiteraard slechts te speculeren. Laten we daarvoor teruggaan naar de slang die in haar eigen staart bijt, naar haar koesterende omstrengeling van de wereld. Roddel heeft, zoals gezegd, onmiskenbaar iets van doen met de bevestiging van een sociaal verband, met handhaving of inbreuk op de status quo. De Goncourts bewogen zich in de bij uitstek gesloten, exclusieve gemeenschap van de Parijse beau monde. Vanzelfsprekend wilden ze insider daarvan zijn. Getuige hun kennis van wat zich in de geheimste hoeken van de boudoirs van hun tijdgenoten afspeelde, waren ze dat ook.
Nu wil de paradox dat ze zichzelf in hun dagboek als buitenstaanders bestempelen en de buitenwereld per definitie wantrouwend bezien. 'Als ik bedenk hoe mijn broer en ik anders zijn dan de anderen, hoe verschillend onze manier van denken, voelen en oordelen is’, oordeelt Edmond. Of zoals ze in hun dagboek schrijven: 'Het is verschrikkelijk te zien dat wij beiden bij meningsverschillen zo alleen staan en dat wij nooit iemand voor onze overtuiging weten te winnen.’ Het heeft er veel van weg dat de gebroeders met hun achterklap greep proberen te krijgen op de wereld waar ze in verkeren. Dat ze het gevoel in de marge te leven en miskend te zijn proberen te verdrijven door o zo ingevoerd te zijn in het wel en wee van hun omgeving.
In de sociologie is een mooi begrip gemunt voor een dergelijke vorm van kwaadsprekerij: 'degradatieceremonie’. Het begrip staat voor een verwarrende strategie die in het algemeen de drijfveer is van nogal wat roddel. De roddelaar wil ergens bijhoren, wil insider zijn. Tegelijkertijd degradeert hij de wereld waar hij toegang tot wil krijgen met zijn kwaadwillende loslippigheid. Daarbij is roddel voor de broers een wat merkwaardig middel om geliefd te zijn: 'De kunst om bij mensen in de smaak te vallen lijkt ons heel eenvoudig. Het gaat simpelweg om twee dingen: nooit over jezelf praten, en het altijd over de anderen hebben.’
Tja, dat hebben ze gedaan.
JE KRIJGT DE INDRUK dat de achterklap vooral een hechte band tussen de gebroeders zelf heeft gesmeed. Ze vormen samen, alhoewel ze acht jaar in leeftijd schelen, een curieus soort Siamese tweeling. Na de vroege dood van hun ouders zijn ze gefortuneerd en hoeven ze niet te werken. Met een zeldzame onafscheidelijkheid wijden ze hun leven aan de letteren, hun kunstverzameling, de smaakvolle inrichting van hun huis. Ze gaan samen uit en ze gaan samen weer naar huis en ze schrijven samen aan een dubbele lessenaar. 'Vrouwen zijn in ons bestaan tot de eenvoudigste vorm teruggebracht: de bijslaap eens per week’, schrijven ze in hun dagboek. De plaats van de vrouw is ingenomen door schilderijen: 'Alles wat niet door kunst wordt uitgedrukt, is voor ons rauw vlees.’
'Nooit is een zozeer gelijkende ziel toebedeeld aan twee lichamen’, constateert Jules. 'Samen vormen wij een tamelijk volledig geheel’, laten zij in hun dagboek weten. Vandaar dat de biografe Wanda Baunour de broers in Edmond et Jules de Goncourt ou le genie androgyne een nieuwe naam geeft: Juledmond. De broers zijn zozeer samengesmolten dat ze samen een wezen, een wij vormen. In hun dagboek geven ze aan dat de eenwording ligt in dezelfde denkbeelden, dezelfde waarderingen, dezelfde intellectuele optiek. Allicht berust de fusie tussen de broers evenzeer op hun gemeenschappelijk genoegen in kwaadsprekerij. Juledmond is in ieder geval een uitstekende combinatie voor klets.