H.J.A. Hofland

De kunst van het mogelijke

Naarmate het ogenblik van de beslissing over de missie in Uruzgan nadert – nog twee jaar blijven of in de zomer van volgend jaar vertrekken – wordt het debat heftiger. Een groep kamerleden is ter plaatse zelf gaan kijken. Maar door het vrijwel permanente levensgevaar was er geen sprake van dat ze zich onbelemmerd op de hoogte konden stellen. Hebben ze een beeld gekregen van de dagelijkse werkelijkheid? Nee. Zelfs de minister kan geen goed beeld krijgen (zie de bijdrage van Joeri Boom op pagina 10 van dit nummer). Toch zijn ze, behalve Femke Halsema van GroenLinks, allemaal gematigd optimistisch teruggekomen. Het gaat moeizaam, maar er wordt vooruitgang geboekt. Ze neigen tot de beslissing dat de Nederlandse missie moet blijven.

In een gesprek met de NRC bekijkt Halsema het vraagstuk in breder verband. ‘De Navo-missie en de operatie Enduring Freedom van de Amerikanen, een keiharde vechtmissie om de terroristen te bestrijden, staan op gespannen voet met elkaar. (…) De Afghanen ervaren de troepen als een bezettingsmacht.’ Ze zullen nog jaren een internationale vredesmacht nodig hebben, maar die kan alleen door de Verenigde Naties worden georganiseerd. ‘De huidige formule werkt niet’, zegt Halsema.

Aan het nationale front weren zich de vanouds geharnaste columnisten. In de NRC legt Afshin Ellian uit dat Joris Voorhoeve, die heeft voorgesteld om onder de verantwoordelijkheid van de VN ook troepen uit moslimlanden bij Afghanistan te betrekken, zich vergist: ‘Voor mensenrechten hebben ze helemaal geen belangstelling.’ De Afghanen ‘zijn op onze hulp aangewezen’. Daarom: ‘Blijf in Afghanistan.’ Filosoof Hans Achterhuis schrijft een gesluierd artikel waarin hij Hannah Arendt aanroept en niet tot een conclusie komt. In de Volkskrant bestrijdt Arie Elshout de neiging bij links om zich van Afghanistan af te keren. Links, dat de internationale solidariteit in zijn vaandel heeft! ‘Bij de SP en GroenLinks zien ze het verwijt al aankomen. Vertrek, zeggen ze, maar geef geld dat anders naar de missie was gegaan.’ Elshout besluit: ‘Dan hou je je handen weer schoon. Jammer is dan alleen dat het geweten besmeurd is geraakt.’ Ook in de Volkskrant, 1 september, leggen twee militaire deskundigen, Julian Lindley-French en Martijn Kitzen, uit dat Nederland in Uruzgan moet blijven, maar dat er ‘ruimte moet worden geboden aan een inhoudelijke discussie over de toekomst en de doelen van Nederlandse missies in de wereld’.

Zoals bij ons gebruikelijk is er geen gebrek aan nobele bedoelingen. Het deed me in de verte denken aan onze grote plannen aan het eind van de jaren vijftig, toen we de Papoea’s op Nieuw-Guinea de democratie wilden brengen, waarvoor we nog ons vliegdekschip de Karel Doorman naar de andere kant van de wereld hebben gestuurd. Dat ook de buitenlandse politiek de kunst van het mogelijke is, wil er bij ons niet goed in. Dat blijkt in deze discussie vooral uit het feit dat het Amerika van Bush er niet of nauwelijks in voorkomt, terwijl we voor de toekomst van onze missie regelrecht afhankelijk zijn van wat deze president in het laatste jaar van zijn bewind nog met zijn getrouwen zal bedenken.

Een paar praktische vragen. Zal Bush er op het nippertje nog in slagen in Irak het begin van een enigszins geordende staat te scheppen? Binnen een paar dagen komt hij, na zich een paar uur ter plaatse persoonlijk op de hoogte te hebben gesteld, met zijn volgende veelbelovende voorstelling van zaken. Sinds 1 mei 2003 weten we wat zijn diagnoses waard zijn. Intussen blijft, hoe dan ook, Irak de Amerikaanse aandacht en energie opslorpen, ten koste van Afghanistan.

Zal Bush om te voorkomen dat Iran een kernwapen bouwt, het land hier en daar laten bombarderen? Hebben onze eigen strategen zich al een voorstelling gemaakt van de mate van tumult die dit in het hele Midden-Oosten zal veroorzaken? We weten dat Pakistan een sleutelrol vervult in de strijd tegen de Taliban. In het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan ravitailleert en recruteert de vijand. Wat president Musharraf daaraan kan doen, of doet, weten we niet; wel dat zijn positie het afgelopen jaar steeds wankeler is geworden. Wat als daar de revolutie uitbreekt?

Intussen doen onze soldaten in Uruzgan hun levensgevaarlijke werk. Daarbij wordt de omgeving van de grote internationale politiek ook steeds gevaarlijker, en daarop heeft Nederland geen invloed. Ik ben van mening dat de missie er zou moeten blijven als over een half jaar tot een jaar blijkt dat de internationale toestand meer hoop biedt. Dat weten we nog niet. Daarom kunnen we ons nu nog niet verbinden. Moet er al een beslissing komen, dan hoort die voorwaardelijk te zijn.