De kunst van het talmen

Kees Ouwens, Een, twee, drie, vier… Uitgeverij Meulenhoff, 291 blz., f49,90
HET VERHAAL WIL dat de redacteur van uitgever Ollendorf, ene monsieur Humlot, gevraagd naar zijn oordeel over het manuscript van Marcel Prousts eerste deel van A la recherche du temps perdu, het boek zou hebben afgewezen met de woorden : ‘Misschien ben ik traag van begrip, maar ik kan er echt niet bij dat iemand dertig pagina’s nodig heeft om te beschrijven hoe je voor het inslapen in je bed ligt te woelen.’ Van fictie verwachtte hij kennelijk heel iets anders dan geraffineerd opgezette en uitgevoerde vertragingstechnieken. Dat flitsend vertellen geen waarde op zichzelf hoeft te zijn, en dat een schrijver er welbewust voor kan kiezen om de narratieve tijd te vertragen, hem cyclisch of zelfs onbeweeglijk kan maken om zo zijn lezers te activeren, kwam niet bij de man op. Hij eiste kennelijk allereerst snelheid, actie en reactie, spannende handelingen en verwikkelingen waarin de lezer zich kon inleven en uitleven.

En toch is de idee van de voorlopige onthouding, het welbewuste uitstel om zo de spanning langzaamaan te maximaliseren, niet van vandaag of gisteren. Al in de oude handboeken van de seksuele casuistiek was het fenomeen niet onbekend. Daarin wordt het omschreven als delicatio morosa, een begrip dat vastlegt hoe het moment supreme optimaal kan worden genoten door de kunst van het talmen. Voordat er iets opwindends plaatsvindt, moet eerst de uitgestelde verwachting worden geactiveerd.
Bij het lezen van Een, twee drie, vier…, de nieuwe roman van Kees Ouwens, kwam even de vraag bij me op wat monsieur Humlots commentaar op dit boek zou zijn geweest als het hem ter beoordeling was toegezonden. Want in vertragen, dralen en talmen slaat Ouwens zijn Franse collega Proust in alles. Maar de wens naar kennis van dat oordeel is natuurlijk niet meer dan een variant op de vraag: wat vind ik zelf van dit boek?
Ouwens schrijft bijzonder proza, markant maar ook van een niet geringe moeilijkheidsgraad. Twee romans publiceerde hij tot nu toe, in 1968 en 1987, en beide vielen ze op door hun opmerkelijke toonzetting die in de stijl nogal eens aan Gombrowicz deden denken. Ook naar hun inhoud vroegen ze om een geconcentreerde aandacht. Zo staat Armand, de hoofdpersoon uit zijn tweede roman De eenzaamheid door genot, zo'n vijftien pagina’s lang voor de deur van zijn ouders, die hem hebben buitengesloten wegens te laat cafebezoek en duurt een (gefingeerde?) masturbatiescene in dit boek een pagina of twaalf.
De rek die in deze beschrijvingen is aangebracht typeert Ouwens’ proza. De belangrijkste eigenaardigheid daarvan zit in de tactiek van het vertragen en uitstellen. In zijn boeken weet Ouwens tergend langzaam voort te borduren op uitgezette verwachtingspatronen en daarbij speelt seksualiteit een rol van betekenis. De hoofdpersoon uit zijn eerste roman, De strategie, is bijvoorbeeld rusteloos op zoek naar het ‘vrouwelijk wezen’ en wordt naar zijn droombeeld toegeleid door een ietwat vreemde jongen die hem in een kasteelkelder zijn geheime verlangens voortovert, belichaamd in een naakte dienstmaagd.
HET VERBOND TUSSEN vertraging en erotiek is ook in Een, twee, drie, vier… volop aanwezig. Het is opnieuw een bijna plotloos verhaal geworden, waarin nu zelfs elke actie tot stilstand is gebracht. Voor zover er al over gebeurtenissen kan worden gesproken, wekken ze de indruk dat ze zich afspelen in een tijdloos moment dat voortdurend wordt herhaald, als ware het een verstilde herinnering of droom. Ze zijn verbonden met een kruispunt waarop een auto met een lekke band stil is komen te staan, en een keuken. Ze lijken een ontmoeting en een wankel evenwicht te symboliseren. In de keuken gaat het om eem waterketel die moet worden opgezet, een aanrecht en een struikeling. Het verhaal rond de bandverwisseling is van een al even grote trivialiteit. De auto - die regelmatig nogal verheven 'Fabrikaat’ heet - behoort toe aan Agnes-Dei, een vrouw die ook wel Aloha wordt genoemd. De auto is glanzend gelakt en van een zinnelijke schoonheid.
Het heeft er de schijn van dat het ongemak een voorbeschikking is - in elk geval brengt het Agnes in contact met Anthony die zo bereidwillig is het wiel te verwisselen. Hij is van een heel wat eenvoudiger komaf en nauwelijks meer dan de gelukkige bezitter van een fiets. Hij is tevens de hoofdfiguur. Anthony, die zichzelf in verband brengt met zijn naamheilige, de Antonius van de verzoekingen, is eenentwintig jaar oud of, zoals dat in Ouwens’ taaleigen heet, 'leeft in zijn eenentwintigjarigheid’. Hij heeft eerst zijn ouderlijk huis in Zinzendorp verlaten (de mythische plek die ook al in De eenzaamheid door genot een rol speelde) en daarna zijn kantoorbaantje verruild voor de begeerte. Hij weet zich nu een Kwekeling, iemand die kennelijk nog alles van het leven te leren heeft, met andere woorden daarin moet worden geinitieerd. Grenzen, transgressies en transfiguraties spelen daarom in het boek een belangrijke rol.
MAAR DEZE verhaalelementen zijn in Een, twee, drie, vier… om zo te zeggen niet meer dan het oog van de orkaan; ze vormen de windstilte in de roman. Daaromheen is er van alles aan de hand, wervelt veel ongrijpbaars rond, opgeladen met mysterieuze, duistere en zinnelijke krachten die vooral met erotiek en religie te maken hebben, en komt het boek feitelijk tot zijn betekenis. Voor een belangrijk deel gaat het hier om gedachten van Anthony en een dialoog tussen hem en Agnes- Dei. Er is daarin sprake van lust, verwachting, dronkenschap, vervloeien en verzinken, een met het onveranderlijk cursief gedrukte woord 'slijmvlies’ verbonden verlangen, dat op zaadlozing en masturbatie duidt. Of om met de woorden van Anthony te zeggen, en derhalve ook in de taal van de roman: 'Mijn heteroseksualiteit was niet herleidbaar maar solitair.’ In een wat mystiek verband daarmee staat het thema van het offer, van lijden dat bevrijding brengt.
Talloos in het boek zijn de verwijzingen naar de passie en de kruisweg. De bandverwisseling vindt plaats op een T-kruising, die ook wel 'dwarshout’ wordt genoemd. Anthony en Agnes-Dei (haar naam kan ook als Agnus Dei, Lam Gods worden gelezen) stuwen elkaar op in hun drieeenheid - er is namelijk nog een derde persoon in het spel, Mike. Mike is een man die als de doornenkroon gevlochten is uit hun bespotting, iemand die de fantasie van het tweetal op gang houdt. Er zijn ook verwijzingen naar de mensenzoon, de kruisafneming, het woord dat vlees moet worden. Mike is de figuur van de wederopstanding, een vorm van hoop.
De titel kan worden gelezen als het begin van een aftelsom die eindigt in het getal veertien. Want veertien hoofdstukken telt het boek, zoals de kruisweg veertien staties telt. Maar bevredigen doet dit gekunsteld spel van vertraging, geheime begeerten, bevrijding en binding uiteindelijk niet. Het raadsel blijft te groot, de taal te gemaniereerd. Een nog redelijk te begrijpen fragment als voorbeeld: 'Mike ontwaakt vanochtend maar weet zich ook uit zijn ontwaken te redden. De slaapkamer verlaat hij in een staat van opeenvolging, de trap gaat hij af over de treden als vaste verbinding tussen type en hellend vlak. Wat hij ook aanraakt, het is het bestaande als waar, bij de produktie waarvan hij de dans ontsprong. Zijn ochtendjas was voor hem maar niet door middel van hem. Zijn lichaam is zo ingekleed dat het hem verder draagt. Onafgebroken de rechtvaardiging van zijn lichaam jegens de waar. Hij heeft een voorgeschiedenis maar lijkt voor te vallen. Zo hoog ontwikkeld is zijn herleidbaarheid, dat hij het is die zich voordoet.’
Een, twee, drie, vier… is een litanie vol paradoxale zinnen en hermetische beelden. Curieus, dat zeker, maar doordat Ouwens zich vergaand inkapselt in een eigen taal- en beeldenwereld, nog ternauwernood navolgbaar. Mag aanvankelijk een enkel fragment nog wel bewondering wekken, op den duur ontstaat irritatie. Maar ook die kan produktief werken. Erger is dat het boek je ten slotte onverschillig laat. Zo althans verging het mij en dat was me bij Ouwens nog nooit eerder overkomen.