Raster 113, Marianne Moore & Elizabeth Bishop: De kracht van het zichtbare

De kunst van het verliezen

Raster 113
Marianne Moore & Elizabeth Bishop:
De kracht van het zichtbare (red. Bernlef)
De Bezige Bij, 190 blz., 15,-

Na bijna dertig jaar heeft de redactie van het meest prikkelende literaire tijdschrift van Nederland, Raster, zich geruisloos opgeheven. Wat blijft er over? Een twaalfkoppige redactieraad (onder anderen oprichter Ten Berge, Bernlef, Offermans, Van Toorn en Vogelaar) die bij toerbeurt vier keer per jaar een themanummer samenstelt. Bernlef mocht het spits afbijten. Hij stelde Raster 113 samen: De kracht van het zichtbare, een poëzie- en prozabloemlezing uit het werk van de Amerikaanse dichteressen Marianne Moore (1887-1972) en Elizabeth Bishop (1911-1979). Daarmee volgt hij de _Raster-_traditie: het introduceren van minder bekende buitenlandse literatuur die willens en wetens afwijkt van de literaire hoofdstroom.

Bernlef heeft al eerder poëzie van Moore (Een veldmuis in Versailles, 1968) en Bishop (Een wonder als ontbijt, 1980, en Alfabet op de rug gezien, 1995) vertaald. Voor deze gelegenheid heeft hij zijn bestaande vertalingen drastisch herzien en de anthologie uitgebreid. Dat juist Bernlef zich al jaren met Moore en Bishop bezighoudt, is niet zo verwonderlijk. De drie dichters hebben iets essentieels gemeen: als scherpe waarnemers waarderen ze de schijnbaar onooglijke details, bijzonderheden die zij als nederige letterknechten van de verbeelding inzetten tegen het grote vergeten. In het kleine kan zich de kosmos weerspiegelen. Dat klinkt verheven of esoterisch, maar de poëzie van Moore, Bishop en Bernlef heeft eerder iets aards, nuchters, laconieks, tastbaars en parlando-achtigs. Marianne Moore dichtte: «De kracht van het zichtbare/ is het onzichtbare, zelfs/ waar geen boom der vrijheid groeit,/ is zogeheten brute moed zich hiervan bewust». Geen heldhaftige poëzie over Leven en Dood, maar bescheiden, precieze, concrete en immer relativerende gedichten. In een van haar credo-achtige gedichten schrijft Moore zelfs dat ze niet zo van poëzie houdt maar met bewust dédain toch «ruimte voor het authentieke» zoekt. Laconieke zeggingskracht, zo zou ik Moore’s poëzie willen omschrijven. Deze biologe, lerares, bibliothecaresse en nauwgezette redactrice (1925-1929) van het invloedrijke New Yorkse tijdschrift The Dial koesterde met besliste twijfel en onbewuste kieskeurigheid liever de «kieskeurige mier» die ogenschijnlijk zinloos zijn sjouwwerkzaamheden verricht dan de loodzware stoomwals die alles vlak maakt en de zorgeloos dwarrelende vlinder dreigt te pletten. Het dierlijke en menselijke leven blijft kwetsbaar en dient derhalve heel nauwkeurig geobserveerd te worden: «Allen zijn/ naakt, niemand is veilig». De kwal, de slak, de vlinder, de olifant en duizend andere dieren hadden haar onvoorwaardelijke aandacht. In de fauna en flora verbergt zich het echte, authentieke leven. In het zichtbare verschuilt zich de onzichtbare essentie: het leven, dat vanaf de geboorte al weer langzaam weglekt.

Moore’s latere hartsvriendin Elizabeth Bishop geloofde in de volledige onderdompeling (net als de zeerob). De kunst van het verliezen – schreef ze in het gedicht Het is een kunst – valt te leren: «om weg te raken lijken dingen zo vol vuur/ dat hun verlies ons niet hoeft te deren». Maar die verdwijningen deren ons wel degelijk, vandaar Bishops inzet, haar reislustigheid en niet-aflatende observatiekunst: beschrijven is gedenken en behouden, al is het maar op papier. Wie reist, ook in de eigen schrijfkamer, wordt als het ware vloeibaar. En misschien is die mentaliteit – de bereidheid van gedaante te verwisselen – wel kenmerkend voor Bishops poëzie: liever de beweging dan de stolling, liever het vloeibare dan het vaste, liever de ijsberg dan het schip. «IJsbergen stroken met de ziel/ (beide op eigen kracht geschapen uit haast onzichtbare materie) hen zo te beschouwen: concreet, edel en ondeelbaar opgericht».

Bishops gedichten pendelen tussen het roerloze vasteland en de beweeglijke zee, inclusief fregatvogels, pelikanen, papegaaiduikers, alken en strandlopers. De zee is een verzamelaar, dichtte Marianne Moore. Voor strandjutter-dichter Bishop is de zee wrakhoutzee: «Hout hangt hechter samen/ dan zee of wolk of zand zelfs zou kunnen,/ veel beter dan zee, zand of wolk in ’t echt./ Het verkoos zo te groeien en niet te bewegen». De scherp observerende struiner aan de vloedlijn vergaart kennis van de dingen en de mensen die verdwijnen. En die kennis bevindt zich op het grensgebied tussen hard en zacht, tussen rots en golf: «donker, zout, helder, in beweging, volstrekt vrij,/ opgediept uit de koude harde monding/ van de wereld, onttrokken aan de rotsharde borsten/ altijd maar door, vloeiend en opgediept, en aangezien/ onze kennis historisch is, vloeiend en vervlogen».

Het interessante van deze Raster is dat Bernlefs bloemlezing van Bishops en Moore’s werk ook zijn eigen literaire preoccupatie weerspiegelt. Bishops «Kunst van het verliezen» is een rake omschrijving van Bernlefs poëzie en proza. Zijn laatste roman bijvoorbeeld, De onzichtbare jongen, is een soort omgekeerde Hersenschimmen: een jongen met een formidabel geheugen wordt het slachtoffer van datzelfde onbegrensde herinneringsvermogen. Hij «verdwijnt» uit het leven van zijn schoolvriend en komt in een inrichting terecht. Wie alles onthoudt, gaat daaraan onderdoor. De kunst van het verliezen en het vergeten blijft noodzakelijk, want de mens is niet alleen dat wat hij (nog) weet, maar ook dat wat hij bewust of onbewust verdringt.