Drie boeken over filosofie en avantgarde

De kunst zij met ons

Het geloof in de vooruitgang in de kunst is op sterven na dood. Ondanks manhaftige pogingen van filosoof Maarten Doorman, en ondanks het verzet van astrofysicus Vincent Icke wil bijna niemand meer aan zo’n vooruitgangsidee. Zeker atheïsten niet, zo blijkt uit een bundel interviews door wetenschapsjournalist Harm Visser.

Het opvallendste komkommerdebat van deze zomer begon in de kolommen van NRC Handelsblad en verspreidde zich als een olievlek over andere dagbladen en weekbladen. Over geloven of juist niet geloven. Filosoof en Groene-medewerker Ger Groot schreef voor NRC Handelsblad een bespreking van de boeken Nederland seculier! van August Hans den Boef, Leven zonder God, een bundel interviews met atheïsten door de wetenschapsfilosoof Harm Visser, en Wat betekent religie vandaag? van de Canadese politiek filosoof Charles Taylor. De eerste twee auteurs etaleren hun onvrede met gelovigen en hun immer voortdurende macht in de samenleving, de laatste onderzoekt de oorzaken van de secularisering en de aard van nieuwere vormen van geloof.

Het bleek een oneerlijke vergelijking tussen de boeken. Groot kan niet anders dan concluderen dat Taylors boek «een oase van verstand en kalmte is naast het opgewonden mengsel van rancune en uitgelatenheid van Visser en Den Boef». Groot is ongelovig, «god is een illusie en engelen een semantisch misverstand», maar hij is wel katholiek opgevoed en zelfs in de theologie geschoold. Wellicht dat hij daarom niet de atheïstische zendingsdrang van Visser en zijn geïnterviewden en de woede van Den Boef over alle christelijke restanten in onze samenleving deelt. Ze beklagen zich er vooral over dat nog zo veel mensen het duistere geloof in onbewezen en onbewijsbare bovenmenselijke entiteiten verkiezen boven het heldere licht van de rede. Vooral daarom kan Groot het niet laten de bijkans voortdurend verontwaardigde atheïsten er nog eens op te wijzen dat «het in de godsdienst nooit primair gedraaid heeft om kennis, maar altijd om verlossing».

Een van de door Visser geïnterviewden, Rudy Kousbroek, was niet gediend van Groots bespreking. Als reactie schreef hij een paginagroot stuk met de titel Vlees, vis of vleesvervanger: Kanttekeningen van een ongelovige. Intellectueel op een adembenemend laag peil toont de auteur nog eens precies wat Groot bedoelde met een «mengsel van rancune en uitgelatenheid».

Na de mantra’s van de oude pruilende grombeer Kousbroek raakte de e-mailbox van de NRC-brievenredactie voller dan ooit. Ook columnisten gingen zich ermee bemoeien. Zelden genereerde een zo gemakzuchtig bundeltje zo veel aandacht. Ook dit komkommernummer van De Groene Amsterdammer laat zich in de discussie niet onbetuigd (zie behalve deze bespreking ook het mini-essay van Thijs Wöltgens op pagina 16-17). En dat komt niet alleen door de komkommertijd, door de eeuwige, universele interesse in het geloven, of door de manier waarop de journalist Harm Visser aandacht vraagt voor zijn bundeltje bij collega’s. Het heeft er ook mee te maken dat het elftal rechttoe-rechtaan-interviews met atheïsten en anderszins nadrukkelijk ongelovigen niet louter en alleen gemakzuchtig is. Want ondanks het ogenschijnlijk totale gemis aan urgentie zitten er toch een paar mooie pitten in deze komkommer. Vooral over kunst, hoe ongewoon dat ook is in een bundel vol atheïstisch wapengekletter.

Visser «rekent zichzelf», zoals de flaptekst van zijn bundeltje vermeldt, «eveneens tot het ongelovige volksdeel». Het is waarschijnlijk opzet dat hij geen kritische vraag stelt, waardoor de geïnterviewden hun antwoorden beginnen met «precies!», «zo is het!», «o zeker», wat Visser dan tevreden opschrijft. Ook de keuze van geïnterviewden is niet bijster origineel: louter bekende, manlijke en inderdaad scherpzinnige gelovigenlasteraars. De doorsnee krantenlezer had het rijtje zelf kunnen bedenken. Dat siert een komkommer natuurlijk, maar je vraagt je af of een wetenschapsjournalist als Visser niet één onbekende, onorthodoxe atheïst met een opvallende, wellicht merkwaardige kijk op het geloof had kunnen bedenken. Zoals de 28-jarige doctorandus Thijs Voskuilen, die zijn studie afsloot met een bijna achthonderd pagina’s tellend filmscript (cijfer: 9) waarin een poging wordt ondernomen Paulus te ontmaskeren als een spion van Rome — het christelijk geloof als een geslaagd staaltje meesterfraude.

Maar aardig is dat de keuze van gasten lang niet altijd zo voorspelbaar uitpakt als Visser waarschijnlijk had gehoopt. Zo doet het interview met de neerlandicus Matthijs van Boxsel de atheïstische agenda van Visser eigenlijk geen goed. In de meerdelige Encyclopedie van de domheid legt Van Boxsel uit dat alle menselijke neigingen en strevingen voortkomen uit domheid — en daarin liggen verankerd: liefde, saamhorigheidsgevoel, wetenschappelijke kennis, discipline, en natuurlijk ook geloof, wat de reden zal zijn geweest Van Boxsel te interviewen voor deze bundel. Maar net als uit zijn encyclopedie blijkt uit het vraag gesprek met hem dat zijn uitgangspunten en conclusie zo allesomvattend zijn, en daardoor abstract, dat ze nergens meer iets over zeggen. Je moet maar geloven dat het gebruik van intelligentie louter en alleen voortkomt uit de noodzaak met onze domheid om te gaan, zoals Van Boxsel beweert. Hij vindt die allesverklarende theorie van hemzelf overigens uiterst bijzonder en zelfs zo dwaas dat hij zichzelf als «dwaasgeer» heeft opgenomen in zijn eigen encyclopedie der domheid, in het deel over de morosofie, zijn verzameling «dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen», zoals de ondertitel luidt. Een dwaasneus dus, die weinig autoriteit bezit als het gaat om het afserveren van lieden die zich bezondigen aan het dwaze geloof in God.

Dat de mens louter en alleen gedreven wordt door domheid, in positieve en negatieve zin, is een even betekenisloze assumptie als de veel gangbaarder, door (vooral Amerikaanse) economen verspreide notie dat de mens slechts zijn zelfbegrepen eigenbelang najaagt, dat hij, als «self-utility maximising man», geeft, neemt, besluit en betaalt uit het oogmerk zichzelf «beter» te maken. Als al het menselijk handelen wordt gedreven door eigen belang (ook het doneren aan goede doelen, of het helpen van een buurman) wordt dit een evidentie, die helaas niets meer over de mens zegt dan dat hij een mens is. Absoluut waar dus, maar zo’n verklaring verklaart niets meer.

Matthijs van Boxsel moet worden nagegeven dat hij tenminste voor enige broodnodige luchthartigheid in deze bundel zorgt. Verder vallen de eloquentie en scherpzinnigheid van filosoof Herman Philipse op, en de heldere wetenschappelijke keuzes van psycholoog en jurist Hans Crombag en hersenonderzoeker Dick Swaab. Toch is het enige dat echt smaak geeft aan dit boekje de behartigenswaardige opmerkingen die, tussen de regels door, over kunst worden gemaakt. Dat is opvallend, omdat kunst niet bepaald de eerste interesse van de interviewer heeft. Samen met de geïnterviewden gooit hij esthetische beleving doorgaans op één hoop met spiritualiteit en religie, bij de uitdrijvingsrituelen, de tarotkaarten, de stigmata en andere vormen van kletskoek die geen geloof verdienen. Geïnterviewde Jaap van Heerden: «Het spreken in verheven termen gebeurt ook op momenten dat de kunst wordt verdedigd. Let maar op: zodra er een pleidooi voor kunst wordt gehouden, zijn de diepere zijnsgronden niet van de lucht.» En de «vrolijke ongelovige» Peter Schat beschuldigt zijn collega’s er in deze bundel nog één keer van — kort na het interview met Visser overleed de componist — dat ze hun smaak als «een soort religie» vieren.

De astrofysicus en beeldend kunstenaar Vincent Icke vormt een uitzondering in dit legertje atheïsten. Waar het kunst betreft verzet hij zich voorzichtig tegen de suggestieve en sterk sturende vragen van Visser. Zo wil hij niet erkennen dat spiritualiteit en geloof direct in elkaars verlengde liggen, wat revolutionair is in deze bundel. «Ik trap niet in de definieerval», zegt hij, «maar ruwweg verwijst ‹spiritueel› naar functies van onze hersenen die zo ingewikkeld zijn dat ze niet meer in elementaire neuronpatronen te vangen zijn. In die zin is spiritualiteit een functie van het individu, zoals ademhaling of hartslag.» Icke geeft voorzichtig toe dat kunst inderdaad dikwijls «in het kader van het hogere wordt gezien», maar hij heeft het vermoeden «dat dit komt doordat we het proces dat tot kunst leidt niet begrijpen. Vandaar dat het publiek kunstenaars vaak als zieners beschouwt. Want ga maar na: als je een kunstenaar of wetenschapper vraagt hoe hij op iets is gekomen, dan blijkt dat meestal onnaspeurbaar.» Icke wijst erop dat er kunstenaars zijn die dat gegeven in hun eigen voordeel draaien, of zaken nog verder mystificeren, zoals Karel Appel, die «het» naar eigen zeggen allemaal «van boven» doorkrijgt. Niet alleen in het geloof, maar ook in de kunst krijgt de charlatan het publiek op de banken. Dat is vooralsnog natuurlijk geen nieuws. Maar Icke gaat verder. Net als in de wetenschap, beweert hij, is er in de kunst een «kritische cyclus» waarbij een volgend kunstwerk voortborduurt op de kritische beschouwingen over het vorige. Hij gaat zelfs zo ver te beweren dat er sprake is van vooruitgang in de kunst: «(…) we weten nu meer van bijvoorbeeld muzikale samenklanken, waardoor de muzikale ruimte zich enorm heeft uitgebreid (…) Op dezelfde manier kun je zeggen dat het een uitbreiding van het natuurkundig domein is dat we nu niet alleen weten dat er een elektron bestaat, maar dat we er ook de eigenschappen van kennen.»

«Vooruitgang in de kunst» — voor de enige andere kunstenaar in de bundel, Peter Schat, is het idee even gevaarlijk als het geloof in Jezus Christus, de Heilige Schrift of wichelroedelopers. Dat is misschien niet een exemplarische mening, maar met de dood van het modernisme zullen inderdaad weinig kunstenaars nog geloven in artistieke vooruitgang. Soms is er nog iets van terug te vinden in de essays van kunstcritica Anna Tilroe, of in een enkele naïeve en dikwijls moeizaam geschreven catalogustekst, maar voor de meeste kunstenaars, kunstcritici en –theoretici eindigde de relevantie van de vraag naar vooruitgang in de kunst met de Brillo-dozen van Andy Warhol, kortom, op het moment dat alles kunst was geworden. Vooral de in kunstkringen gezaghebbende en vermaarde filosoof Arthur Danto benadrukte het belang van dat Brillo-moment in de kunstgeschiedenis, wat volgens hem de logische uitkomst was van de zoektocht van het modernisme naar de grenzen van de kunst. Doordat modernisten vanaf het einde van de negentiende eeuw met ieder kunstwerk de vraag stelden: «Is dit kunst?» werd de definitie van kunst onderdeel van het werk. Door dit zelfbewustzijn werd uiteindelijk alles kunst, waardoor de vraag naar de vooruitgang ervan zinledig werd. De avant-garde had één van haar eigen idealen opgeblazen. De scherven liggen nu overal, bij de opblaaskonijnen van Jeff Koons, tussen de beddenlakens van Tracy Emin en in de ingezonden brieven van Erik van Loon (zie pagina 27 van dit nummer).

Danto overdreef misschien met de verkondiging van het «einde van de kunst», die net als Francis Fukuyama’s «einde van de geschiedenis» is ontsproten aan de — misschien te — diepgaande bestudering van de vaak duistere dialectiek van Hegel. Toch maakt Danto op onovertroffen wijze duidelijk dat de ontwikkeling die het modernisme heeft doorgemaakt niet een andere uitkomst kon krijgen dan de bevestiging dat alles kunst is. En dat kunst zich dus nergens meer van en in onderscheidt. Uit ergernis over dit postmoderne «anything goes» schreef de Nederlandse filosoof Maarten Doorman het intrigerende Steeds mooier, zijn proefschrift van enkele jaren geleden (dat binnenkort in een Engelse vertaling zal verschijnen), waarin hij het door Danto afgeschreven geloof in de vooruitgang nieuwe glans probeert te geven. (Uit balorigheid of oprechte trots heeft Doorman op het achterplat van de Engelse versie een lovend citaat van uitgerekend Danto laten opnemen.) Doorman ergert zich aan de «op desinteresse gebaseerde tolerantie» die hij in de kunstwereld waarneemt: «Waar alles kan, is niets meer mogelijk.» Een hernieuwd geloof in vooruitgang in de kunst kan panacee zijn; het moet «een patroon in de kakofonie van het nu» scheppen.

Maarten Doorman geeft enkele argumenten om vooruitgang niet alleen als geloofsartikel te huldigen, maar ook als realiteit te ervaren. Eén daarvan is zo eenvoudig en naïef dat er een grote schoonheid in schuilt. Economen kennen producten een waarde toe. Productie betekent daardoor meetbare economische groei: accumulatie van waarde. Ook ieder kunstwerk vertegenwoordigt in economische zin een zekere «waarde», dat kunnen zelfs de grootste kunsthaters niet ontkennen. Ook blijken er steeds meer kunstwerken te ontstaan. Een opeenstapeling van waarde dus. Dat kan maar één ding betekenen: vooruitgang. Hoe banaal dit argument voor het bestaan van vooruitgang ook moge klinken, een econoom zou het niet kunnen weerleggen zonder de fundamenten van zijn vak geweld aan te doen.

Natuurlijk gaat het Doorman er daarnaast vooral om dat er steeds meer mogelijkheden ontstaan: steeds uiteenlopender technieken, stijlen en genres. Dat argument deelt hij met Vincent Icke. Verder gaat het Doorman bij de vooruitgang om de training van de waarneming en de politiek vernieuwende rol die kunst kan spelen.

Maar niet alleen uit de praktijk van de beeldende kunst, ook uit de reacties op Doormans boek bleek dat weinigen die over kunst denken nog aan zo’n vooruitgangsidee willen. Om bij het voorbeeld van Vincent Icke te blijven: Haydn kende de dissonant wel degelijk, maar verkoos die spaarzaam te gebruiken. Mozart maakte zelfs eens een dissonantenkwartet (KV465) met louter moeilijk in het gehoor liggende noten, wat ongekend «modern» klinkt. Maar het was als grap bedoeld.

Is Boulez verder gekomen dan Haydn en Mozart?

Bij nadere bestudering blijkt dat een zin ledige vraag. Vooruitgang in de kunst is nergens aan te toetsen. En vooruitgang is niet hetzelfde als ontwikkeling. Je kunt wel beweren dat het goed voor de kunst zou zijn als kunstenaars weer in artistieke vooruitgang zouden geloven, zoals Maarten Doorman doet, maar dat zal voor vele kunstenaars onaanvaardbaar paternalistisch zijn. En inderdaad doet Doormans pleidooi voor een hernieuwd geloof in de vooruitgang in de kunst denken aan Frits Bolkesteins opmerking dat hij zelf niet kan geloven in God, en dat hij daar ook eigenlijk te intelligent voor is, maar dat het voor de samenleving goed zou zijn als het merendeel der burgers wél gelooft.

Harm Visser

Leven zonder God: Elf interviews over ongeloof

Uitg. L.J. Veen, 192 blz., € 15,50

Maarten Doorman

Art in Progress: A Philosophical Answer to the End of the Avantgarde

Uitg. Amsterdam University Press, 192 blz., € 29,-

Arthur C. Danto

De komedie van de overeenkomsten: Over kunst, filosofie en geschiedenis

Uitg. Historische Uitgeverij, 352 blz., € 24,95