De kunstenaar aan het woord

Het grootste deel van de honderden brieven van Vincent van Gogh bevindt zich in het Van Gogh Museum. De kern vormen de brieven aan zijn broer Theo, die hem zijn hele kunstenaarsloopbaan lang financieel steunde. Hoewel kunst er een belangrijk aandeel in heeft, worden inhoud en toon vooral bepaald door de familieverhoudingen. Deze zomer verwierf het Van Gogh Museum ook een echte kunstenaarscorrespondentie: 55 brieven van Van Gogh aan de Utrechtse schilder Anthon van Rappard (1858-1892). Ze getuigen van een intensieve confrontatie tussen twee kunstenaars die zochten naar hun mogelijkheden en posities in de kunstwereld.

Medium rappard
Medium rappard 1

«Ik wou dat we nog wat meer met elkaar konden zijn», schreef Vincent van Gogh in 1883 aan de 25-jarige Anthon van Rappard. Ze hadden elkaar leren kennen in 1880 in Brussel en Van Gogh kreeg daar gelegenheid om te tekenen op het atelier van Van Rappard. Ze raakten bevriend en hun «wrijving van gedachten» bleek bijzonder stimulerend te werken in de daarop volgende jaren. Voor het grootste gedeelte hielden ze elkaar op de hoogte door middel van brieven, maar ze werkten in de jaren 1881-1885 ook meermalen samen in het atelier van Van Gogh in Etten, Den Haag en Nuenen, en in dat van Van Rappard in Utrecht. Een ooggetuige herinnerde zich een Brabantse ontmoeting in 1881: «Hij [Van Gogh] ontving in die dagen bezoeken van Van Rappard, die uit België kwam en op de hei in de buurt een olieverf studie had opgezet. Eenmaal trokken wij met ons drieën er op uit ’s morgens vroeg. Ik schilderde toen een studietje terwijl de beide anderen teekenden. Van Gogh was toen zeer opgewekt en vrolijker dan ik hem ooit later zag.»

Van Gogh had een sterke behoefte om artistieke ideeën uit te wisselen, technische problemen te bespreken en zijn werk te toetsen aan dat van anderen. Door schetsjes in de brieven en meegezonden tekeningen hielden Van Gogh en Van Rappard elkaar op de hoogte van hun werk en ze schrokken er niet voor terug om onomwonden kritiek op elkaar te leveren. Ze discussieerden stevig over principiële zaken zoals de maatschappelijke rol van de kunstenaar en het nut van onderwijs aan de academie, waar Van Gogh een fel tegenstander van was.

Ze moeten aan elkaar gewaagd zijn geweest, al verschilden hun achtergronden sterk: Van Rappard was van aristocratische komaf en financieel vrij, en hij was opgeleid aan de kunstacademie; Van Gogh groeide op in een domineesgezin met bescheiden middelen, was financieel afhankelijk van Theo en als kunstenaar autodidact. Het standsverschil bezorgde de geïsoleerde Van Gogh enige reserve tegenover zijn vriend, die volop deelnam aan het sociale en artistieke leven. Maar dat werd overbrugd door de wederzijdse herkenning en waardering, en door de overeenkomsten in hun karakters.

Begin jaren tachtig kocht Van Gogh stapels tijdschriften met prenten, vooral houtgravures. Die troffen hem door hun realisme en directheid, en stimuleerden hem zich in die ongepolijste techniek te bekwamen. In veel brieven aan Van Rappard brengt hij de gravures die hij verzamelde ter sprake. Zijn voorkeuren zeggen veel over de taak die hij zich als kunstenaar stelde, en de verzameling die hij opbouwde was nauw verbonden met zijn aspiraties om als illustrator te gaan werken. De twee ruilden dubbele bladen, bespraken grafische bijzonderheden en onthulden hun voorliefde voor bepaalde tekenaars en graveurs. Van Gogh hield van prenten waar «ziel» en «karakter» in zat.

De meest omvangrijke aanwinst voor zijn collectie vond hij in Den Haag. Hij onderhandelde «met iemand die een aantal tijdschriften, uit een leesinrigting afkomstig te koop had. Ik ben besloten die in alle geval te nemen.» Hij bemachtigde maar liefst tien jaargangen van het Engelse tijdschrift The Graphic, 21 zware banden uit de jaren 1870-1880 die hem «slechts» 21 gulden kostten – schandalig goedkoop in zijn ogen. Toch was de aanschaf een financiële aderlating voor iemand die permanent de bodem van zijn beurs zag en destijds f 12,40 huur per maand moest betalen. De eerdere aankoop van een partij tijdschriften door Van Rappard daagde hem vermoedelijk uit tot deze enorme uitgave. Na lang aarzelen versneed Van Gogh de afleveringen en hij ordende de bladen om er sneller in te kunnen zoeken. Om ze beter te kunnen hanteren plakte hij de gravures op grote vellen van ruw papier, waarop ze nog altijd zitten. Uit zijn verzameling zijn er zo’n zeventienhonderd overgeleverd, die zich in de collectie van het Van Gogh Museum bevinden.

In navolging van de Engelse illustratoren vond Van Gogh dat een kunstenaar zijn motieven «in ’t hart van ’t volk» moest zoeken: de werkende klasse op het land, in fabrieken, op straat, in het café en in wachtruimtes van stations. De serie Heads of the People in The Graphic sprak hem zo aan dat hij besloot iets dergelijks te doen. Hij tekende reeksen koppen van vissers en «weesmannen», inwoners van het oudemannenhuis. Van Rappard deelde deze voorkeur en maakte vergelijkbare studies in het Utrechtse Blindeninstituut. Een ander motief dat ze allebei schilderden en tekenden waren de wevers aan hun getouw in hun kleine hutjes; Van Gogh moedigde zijn vriend aan vooral op die weg verder te gaan.

Van Gogh hechtte aan Van Rappards mening over zijn werk, maar er waren wel grenzen aan zijn incasseringsvermogen. In het voorjaar van 1885 besloot Van Gogh een schilderij te maken met verscheidene figuren, gebaseerd op voorbereidende studies van poses, gebaren, voorwerpen en mogelijke composities. De aardappeleters moest zijn meesterproef worden. Nog voordat het werk klaar was, maakte hij er een lithografie naar en hij stuurde een afdruk aan Van Rappard. Tot Van Goghs verwondering antwoordde die buitengewoon kritisch; hij vond het een mislukking en een belediging aan de schilders Jules Breton en Jean-François Millet – idolen van Van Gogh.

Van Rappard kwam scherp uit de hoek: «Waarom mag die man rechts geen knie hebben en geen buik en geen longen? Of zitten die in zijn rug? En waarom moet zijn arm een meter te kort zijn? En waarom moet hij de helft van zijn neus missen? En waarom moet die vrouw links zoo’n pijpesteeltje met een dobbelsteen er aan tot neus hebben?»

Gekwetst zond Van Gogh die brief retour – het is daardoor de enige brief van Van Rappard aan Van Gogh die nog bekend is. De vriendschap bekoelde. Er volgden nog een paar brieven, maar korte tijd later viel de correspondentie geheel stil.

In één van de 55 verworven brieven, die moet zijn geschreven tussen circa 12 en 17 september 1882 en die hierbij wordt afgedrukt, vraagt Van Gogh of Van Rappard er misschien iets voor voelt om samen naar de Belgische mijnstreek de Borinage te gaan om daar te tekenen. Ook zou hij graag dichter bij hem in de buurt willen wonen. Een haastige «krabbel» als postscriptum moet een indruk geven van de aquarel die hij onder handen heeft.

Van Gogh weet dat Van Rappard een voorstander is van «het illustratieve» en er niet schamper over spreekt, zoals veel andere kunstenaars. Uitvoerig gaat hij in op enkele prenten die hij hem heeft gestuurd. Wel waarschuwt hij dat de bladen niet puntgaaf zijn, omdat ze van een «leesinrichting» afkomstig zijn. In de negentiende eeuw kon een lener zich abonneren op lectuurpakketten, een directe voorloper van de leesmap. Na verloop van tijd werden de uitgeleende boeken en tijdschriften uit de roulatie genomen en verkocht.

In de brief brengt Van Gogh een joodse boekverkoper ter sprake. Dit was Jozef Blok, bijgenaamd de «open-lucht-bibliothecaris van het Binnenhof», die met zijn boekenkraam op de Grote Markt stond. Blok verkocht collector’s items, tijdschriften en literaire werken, en was bekend bij kunstenaars. Van Gogh maakte een geslaagde portrettekening van hem.

Van Gogh graaft zich in deze jaren werkelijk in in de tijdschriftillustraties. Hij heeft het hier onder andere over The haunted armoury naar Percy T. Macquoid, die was verschenen in The Graphic, over diens Reflections die had gestaan in The Illustrated London News en de Grève de mineurs naar Alfred Roll, uit het Franse tijdschrift L’Illustration («superbe» volgens hem). Enthousiast is hij voor een paar bladen van de tekenaar Auguste Lançon «waar ik s’nachts voor opstond om ze nog eens te bekijken, zoo sterk was de indruk die ze op mij maakten».

Wie midden in de nacht niet het medicijnkastje of de drankvoorraad nodig heeft, maar portefeuilles met houtgravures, en daar vol overtuiging en met genot in rondstruint, leeft volledig en onvoorwaardelijk voor de kunst. * Hans Luijten is conservator Onderzoek bij het Van Gogh Museum