De kunstenaar als mens

SOMS SCHUILT de aantrekkingskracht van kunst in de poster. Een man gekleed in hetzelfde witte pak als waarin de Amerikaanse schrijver Tom Wolfe zich pleegt te hullen, kijkt ons tevreden glimlachend aan. De belettering, rood op een donkere ondergrond, kopt: ‘De ideale man.’

Een goeie titel is het halve werk, weten ze bij de afdeling communicatie van het Arnhemse Museum voor Moderne Kunst. Een damesbladentitel die je ieder jaar weer ziet opdoemen op de cover van de Elle, de Viva of de lentespecial van de MarieClaire, nu gebruikt voor een kunsttentoonstelling. Dat maakt nieuwsgierig. ‘Hallo, ik zou graag willen weten hoe in jouw ogen de ideale man eruitziet. En bij ideale mannen bedoel ik het soort mannen waar je op valt of eigenlijk vooral die je er goed uit vindt zien.’ Met deze enquête nodigde Eijkelboom in 1977 een honderdtal vrouwen uit hun ideaalbeeld te schetsen aan de hand van een meegestuurde portretfoto. Op die foto van Eijkelboom konden de vrouwen aangeven wat er allemaal aan zijn gezicht moest veranderen om te voldoen aan hun eisen. De kunstenaar: 'Op basis van deze gegevens heb ik de hulp van een grimeur ingeroepen en ben ik de nodige kleren gaan zoeken. Elke vrouw was aanwezig bij het maken van de foto van hun ideale man om aanwijzingen te geven aan de grimeur en over de kleding.’ Wat volgde was een ontroerende, alle clichébeelden bevestigende, soms verrassende, dan weer saaie portrettengalerij van Eijkelboom poserend als ideale man. Als dandy in wit pak, in te kort bruin leren jekkie met snor (type 'stille’), als hippie met gebleekt Joe Cocker-T-shirt en lang krulhaar, in houthakkershemd, met zijden sjaaltje in de kraag van het overhemd gevouwen, met mouwloos vest, in ruitjescolbert met quasi-nonchalant over de schouder geworpen sjaal (archetypische 'architect’), als man in trui met snor en baard (type 'stoere dierenoppasser’) en in leren jack met wollen das (type 'VPRO-medewerker jaren zeventig’). WAT EEN IDEALE man precies is, daarover bleken de meningen van de ondervraagde vrouwen nogal uiteen te lopen. 'Mijn ideale man begint de dag steevast met oefeningen op de roei-hometrainer, daarna douchen en scheren, met kwast.’ Of: 'Mijn ideale man is 1,90 meter lang. Eerder een spijker. Wel spieren over de botten heen.’ En ook, als troost voor mannen die niet zijn gezegend met een filmsterren-uiterlijk: 'Mijn beeld van de ideale man ligt meer in zijn uitstraling en karakter en de dingen die gezegd worden’, naast: ’T-shirts zijn ook prima als er maar geen bedrukking op staat.’ De overzichtstentoonstelling van Hans Eijkelbooms fotografische werken hangt vol met dit soort projecten waarbij het publiek, geheel in de geest van de jaren zeventig, een actieve rol kreeg toebedeeld. Zo wezen voorbijgangers de kunstenaar aan welke mensen op straat ze wel of niet aantrekkelijk vonden, waarna de geselecteerden fotografisch werden vastgelegd. Een oefening in kijken waarbij duidelijk wordt dat niets zo rekbaar is als de begrippen mooi en lelijk. Dat de manier waarop stadsbewoners hun omgeving waarnemen volstrekt gekleurd is, bleek ook uit het project Ode aan August Sander (1981), waarin Eijkelboom mensen op straat vroeg voorbijgangers sociaal te typeren. Zo ontstonden de categorieën Schorem, Grijze Mensen en Idealisten naast Turken, Punkers, Zorgelijke mensen en Echt Rijke Stinkerds. De omschrijving was volledig gebaseerd op kleding en haardracht, wat voor de kijker soms hilarische effecten teweegbrengt. 'Arbeiders’ zijn vrouwen in Hema-regenjassen met verweerde gezichten en 'Echt Rijke Stinkerds’ blijkt te passen bij een ingetogen ogende man wiens gestalte gehuld gaat in een suède leren jack. Classificeren, typeren en van bruikbare bijnamen voorzien: niets menselijks blijkt de gemiddelde inwoner van de gemiddelde Nederlandse provinciestad vreemd. Eijkelboom tekende het op en legde het vast in nuchtere, niet-dramatische huis-, tuin- en keukenkiekjes. Dat de werkelijkheid zelf ook manipuleerbaar blijkt, toonde de kunstenaar in de serie In de krant (1973), waarbij hij 'een poging deed minstens tien achtereenvolgende dagen op minstens één foto in de krant te staan’. Zo dook Eijkelboom op in foto’s bij koppen als 'Sociale dienst hard toe aan centralisatie’, 'Tennispark Presikhaaf open’ en 'Schoolvoetballers verdelen de buit’. Kleine gebeurtenissen, als kunst gepresenteerd, waarmee de toeschouwer zijn blik op de werkelijkheid intensiveert. DIE UITSNEDES uit het dagelijks leven, de aandacht voor het ogenschijnlijk gewone, het peilen van de kijkgewoontes en sociale verwachtingspatronen, het directe contact met 'mensen van de straat’ - al deze karakteristieken vinden we terug in het werk van hedendaagse kunstenaars afkomstig van de Rijksacademie, het Sandberg Instituut en de Jan van Eyck Academie. Kookperformances, koffie drinken met gasten en praten over toekomstverwachtingen, bij mensen overnachten en hun dromen optekenen, dobberen in een kano, foto’s van op de huiskamervloer uitgestald huisraad, gitaar spelen in een zaaltje, jezelf een maand lang opsluiten in een kubus: allemaal pogingen om het kleine, het alledaagse, het onbeduidende en het niet-affe een plaats te geven in de kunst - Hans Eijkelboom, Jos Houweling, Marinus Boezem, Sigurdur Gudmundsson en Bas Jan Ader, to name a few: ze hebben hun sporen nagelaten. IS DE IDEALE man daarmee een louter historische terugblik geworden? Niet echt. Eijkelboom is namelijk nog steeds bezig de werkelijkheid te betrappen op haar alledaagsheid. Met zijn in 1992 begonnen Fotografisch dagboek maakt hij, zes dagen per week, tussen de één en tachtig foto’s per dag. Het zijn 'eenvoudige registraties van dingen en situaties die niet gezocht worden maar die ik tegenkom in de dagelijkse gang der dingen in mijn leven’. Het werk zal in 2007 worden afgerond. Een taak van gigantische omvang, zo lijkt het, waarbij de vraag rijst hoeveel boeiende facetten de dagelijkse gang van zaken dan wel mag bevatten. Voorlopig kent de kunstenaar geen gebrek aan onderwerpen. Zijn camera vergezelt hem overal waar hij gaat of staat. Daarbij is het zaak om motieven te selecteren. In de Rijnzaal van het museum hangt een schitterende serie van mannen in witte overhemden met stropdassen, die druk, druk, druk onderweg zijn. Wie goed kijkt ziet hoe de uniformiteit van het kantoorpak de individuele gelaatstrekken van de kwieke ambtenaren accentueert. Hetzelfde geldt voor de series van 'gearmde stelletjes’, 'mannen met zonnebrillen’, 'skaters met ontbloot bovenlijf’ en de serie 'Prins Carnaval’. Eijkelboom bekijkt de wereld met kunstenaarsogen, maar hoe ziet de wereld Hans Eijkelboom? Die vraag wordt beantwoord in de zwart-witserie Identiteiten (1976). Een medewerker vroeg oude jeugdvrienden en kennissen wat ze dachten dat er van Eijkelboom geworden was. Eijkelboom reageerde hierop door de aangegeven beroepen uit te beelden op een portretfoto. Zo zien we hem als jachtvlieger, actievoerder, bankemployé, boswachter en nozem met puntschoenen. Conclusie: ons zelfbeeld valt nooit samen met de blik van de ander. 'Als ik afga op mijn geheugen dan is hij niet veel bijzonders geworden. Wat ik me herinner is een echte boef die altijd bereid was om het buiten even verder uit te praten maar dan met de handen. Wat er van hem terecht is gekomen zou ik echt niet weten, hij is naar Arnhem verhuisd en ik heb hem nooit meer gezien. Maar volgens mij is hij niets veranderd.’