De kunstkoddebeiers

De mei was in de maand en de beleidsadviezen van de diverse kunstkoddebeiers dwarrelden als lentebloesem op de natie neer. De Paardenkathedraal doet het uitstekend. De subsidie voor Djazzex moet worden stopgezet. MillenniuM, hoewel inmiddels opgeheven, krijgt structurele steun. Leonard Frank kan in het oosten niet aarden. Theater Carre moet zijn boekhouder beter op de vingers kijken. Tirade, Maatstaf en Hollands Maandblad mogen wel op hun tellen passen. Waar hebben die mensen zin in!

Het gaat allemaal om minimale schijtbedragen, nog geen procent van de overheidsuitgaven. Het is de sluitpost van de rijksbegroting, die inmiddels niet toevallig onder het beheer van een staatssecretaris, hierarchisch de tassendrager van de minister, is geplaatst. Als de cultuur inmiddels niet de reddende hand van de Rabobank en de Robecogroep had gegrepen, zaten alle Nederlandse kunstenaars inmiddels in de bijstand.
Die schijtbedragen moeten min of meer eerlijk worden verdeeld. Deze taak is door de staatssecretaris aan de diverse deskundigen gedelegeerd.
Zij liever dan ik.
Ja, iemand moet de bloedhond zijn, zoals Gustav Noske zei alvorens de opstandelingen neer te laten schieten. De voorzitter van het belangrijkste adviesorgaan, de Raad voor Cultuur, is niet toevallig een oud-kapitein van de mariniers. Onder zijn leiding zijn de diverse processen-verbaal uitgedeeld. Iedereen kwaad, natuurlijk, behalve diegenen die er wellicht een centje bij gaan krijgen.
Het geschiedt allemaal ongetwijfeld hoogst integer, voor zover dat naar menselijke maatstaven mogelijk is, want iedereen kent iedereen, de ene kunstrechter vertegenwoordigt een kunststroming die tegen een andere kunststroming is en commissielid X heeft ooit met kunstenmaker Y in bed gelegen, wat zijn of haar oordeel onherroepelijk beinvloedt, ten positieve of ten negatieve.
Ik word zelf van tijd tot tijd gevraagd een rolletje in het kunstbedrijf te spelen, veelal als jurylid. Kijk, dat is leuk. Je hoeft niemand af te schieten, integendeel, je verricht je jurerende werkzaamheden in de wetenschap dat uiteindelijk iemand rijk, beroemd en gelukkig zal worden gemaakt. En de meeste kunstenaars zijn to`ch al schlemielen, geduld door een principieel kunstvijandige overheid, die hen in ruil voor zestig procent van het minimumloon genadiglijk van de sollicitatieplicht heeft ontslagen.
Zonder overheidssteun kan geen kunst worden gemaakt. De Toneelgroep Amsterdam zou gedwongen zijn het hele jaar De tante van Charlie te spelen. De Nederlandse Opera zou zich over de rug van Die lustige Witwe heen staande moeten houden. Maar erg genereus kan die overheidssteun niet worden genoemd. Ik las een dezer dagen een staatje in de krant waaruit bleek dat de musici van het Concertgebouworkest gemiddeld met f50.000,- ’s jaars naar huis gaan, ongeveer de helft van hun collega’s van de Tonhalle Zurich. Het zijn overigens salarissen waarvan de doorsnee Nederlandse toneelspeler of kunstschilder alleen maar kan dromen.
Dat er in het vaderland niettemin zo goed wordt gedicht, zo aardig wordt geschreven, zo vooruitstrevend wordt gedanst, zo interessant wordt geacteerd en zo excellent wordt gemusiceerd moet, gegeven dit gegeven, een mirakel worden genoemd.