20 april 1946

De kunstkudde en Picasso

Medium opland 25 3 1961

In één opzicht zal ik den Picasso van deze tentoonstelling altijd dankbaar blijven: hij heeft mij, en dat nog wel in het wereldje van de hedendaagsche kunstminnaars, op het spoor gebracht van een vrij mensch. Ik heb het over de schrijver van de dialoog Picasso de Vernieler in De Groene van 13 April.

Hier is dan eindelijk een man, die – en in het openbaar – niet bang is ‘oogenschijnlijk in een verkeerd kamp terecht te komen’; een man, die, terwijl hij Guernica erkent als een ‘onvergetelijke wandschildering’, tenminste inziet, dat de hier tentoongestelde werken ‘langs dogmatisch-cerebralen weg tot stand gekomen wanstaltigheden’ zijn, waarachter zich ‘een geestelijk vacuum’ bevindt.

Het is mijn gewoonte niet mij te mengen in het geschrijf over kunst. Ik doe het nu, omdat ik vrees dat deze roepende overschreeuwd zal worden in het burgerlijk woestijntje van onze kunstkritiek, die in haar imbeciele serviliteit hier ‘diepe afgronden’ ontdekt, ‘zware innerlijke stormen’, ‘diepten zoo ongenaakbaar’, ‘ongekende diepten’ en een ‘doorbraak in nieuwe levenssferen’. Het kon wel niet anders. Hun geestelijke vaders of grootvaders waren dan tenminste nog onbedorven grutters toen zij zich vergisten in Van Gogh. ‘Dat was eens, maar nooit meer’, dachten zij, die zich voor hun afkomst schamen, en sindsdien zwelt het domme koor dier verkapte grutters, en geen holheid is hol genoeg voor hun geeuwhonger naar ‘diepte’. Bosch en Van Gogh noemen zij nu bij hun voornamen… waarom ook eigenlijk niet, in een tijdperk dat aan ondergeschikten iedere familiariteit vergunt. Daar staat echter tegenover dat zij voor een selfmade madman direct in de houding schieten. Mijn eerste indruk van deze tentoonstelling was die van een atoombom in de beeldende kunst. Ik vergiste mij: een atoombom maakt puin. Dit bleek een picturale schnauze, die op slag een gegalvaniseerd gelid van manhaftige ondergeschikten formeerde: Befehl ist Befehl!

Na de burgerlijke hysterie van het nationaal-socialisme is het waarlijk niet meer nodig, eerst nog communist of historisch materialist te worden om in dit werk van deze modieuze communist een brutale uitwas van de burgerlijke kunst te herkennen.

Maar wat te denken van den kunstenaar Picasso, die de beschikking kreeg over een machtig talent, en die zich door ‘een zeker element charlatanerie’ (zooals de schrijver in De Groene zoo treffend opmerkt) liet verlagen tot den commercieelen profiteur van deze grutterlijke dieptehonger.

Die grutters weten het niet, maar de schrijver van die dialoog zal er met mij wel van overtuigd zijn, dat Picasso, als hij, alleen met zichzelf (maar kan hij dat nog zijn?), dat zelf confronteert met de ‘Bohémienne’ van den douanier Rousseau of met den ‘Nebuchadnezzar’ van William Blake zich zal schamen, zooals de begenadigde, die groot had kunnen zijn maar die zijn kans verkwanselde, zich schaamt als de grooten hem, zwijgend, uitwijzen.

Als dit geconstateerd is, rest er voor dat koor der serviele grutters nog slechts een geeuw van verveelde geringschatting. •

…………………………………………………………………………………..

Boze Brievenschrijvers
Al had Willem Steenhoff zijn lezers al in de jaren tien warm proberen te krijgen voor de nieuwe experimenten in de beeldende kunst, hij was daar niet zonder slag of stoot in geslaagd. Nog jaren later werden de kolommen in de krant ingenomen door brievenschrijvers die briesend het Stedelijk uit waren gekomen en hun woede in één beweging op papier zetten. En juist kort na de oorlog waren er redacteuren die zo’n brief graag plaatsten.

In april 1946 kon het Adriaan Roland Holst niet genoeg zijn. Nadat er zo’n woedende brief in De Groene had gestaan, schreef hij een week later ook nog eens een instemmend commentaar, opvallend geplaatst met een grote rand om zijn stukje, als betrof het hier één groot uitroepteken. Het ging om een tentoonstelling van werken die Picasso had geschilderd in de oorlogsjaren. De brievenschrijver had geconcludeerd: ‘Afgaande op deze werken kan ik niets anders in hem zien dan een grooten vernieler.’ Méér kon dichter Adriaan Roland Holst, de ‘Prins der Nederlandse dichters’, het niet met hem eens zijn.

(PvO)