De kunstmultinational

Aan het begin van het kunstseizoen publiceerde schouwburgdirecteur en rijkskunstadviseur Melle Daamen een tweeluik over het Nederlandse kunstdebat in NRC met als sluitstuk zeven adviezen voor de Facebook-generatie.

Afgezien van wat platgetrappelde categorische imperatieven (heroverweeg spreiding! herzie kwaliteitsbegrip! innoveer!) bepleit Daamen om in de kunsten vanaf nu vooral groot te denken. Hij wil een einde maken aan het koesteren van ‘een brede humuslaag van beginnende, jonge kunstenaars en nieuwe instellinkjes’. Hij wenst een cultuurbeleid dat ‘niet primair is gericht op de onderkant, maar op het stimuleren van het beste, het kaf van het koren scheiden en wat overblijft toegankelijk maken voor een groot publiek’.

Met een verwijzing naar ons kapotgepolderde omroepbestel stelt Daamen voor om in de kunsten te opereren als een multinational. ‘Investeer groots en voor de lange termijn’, is zijn devies, ‘blijf niet steken in nadruk op jong en nieuw talent maar onderken dat ook bij grote cultuurinstellingen talentontwikkeling plaatsvindt. Sterker nog: daar ligt de basis.’ U bent gewaarschuwd: deze dikke praat wordt de trend. De politiek heeft sinds 2010 ruig gesloopt in het kunstgebouw, de bijbehorende haat-slogans werden gretig aangeleverd door gedogende populisten. Nu de rook is opgetrokken en velen roepen dat het een stuk gezelliger is geworden, komt de kunstburgerij het karwei afmaken.

Groot denken dus. De voorbeelden die Daamen in zijn sector (toneel) opsomt zijn raar. Romeinse tragedies (2007) van Ivo van Hove bij Toneelgroep Amsterdam wordt genoemd als vorm van ‘talentontwikkeling’ binnen een grote kunstinstelling. Dat Ivo van Hove (1958) ook vanaf zijn vijftigste verjaardag blijft bijleren is verheugend, maar rechtvaardigt het voorbeeld niet. De kunstmultinational Nederland zou, aldus Daamen, het recente ideetje (meer dan een voorzet is het namelijk niet) voor een pan-Europees toneelgezelschap van Johan Simons moeten omarmen. Bij uitstek Europese toneelmakers als de ‘Vlaamse Duitser’ Luk Perceval en de Letse regisseur Alvis Hermanis stellen al enige tijd vast dat een Europese toneelcultuur botst op één grote hindernis: de taal. Hermanis zei daarover in 2013: ‘Werken aan toneelproducties in het buitenland heeft het permanente risico van een blind date. Een universele, globaliserende toneeltaal bestaat niet. Toch wordt de indruk gewekt dat het Europese theater bloeit bij de gratie van een permanente, internationale uitruil. Maar wat krijgt het publiek daar precies van mee? En hoeveel betekenislagen worden er gemist? Of eenvoudigweg niet begrepen?’ Er bestond tot voor kort in Wiesbaden een Europees festival voor nieuwe toneelstukken. Dat festival is afgelopen zomer, tegelijk met de pensionering van de directeur, per direct opgeheven. Veelzeggend? Ik vond het pijnlijk en tekenend.

En dan het rijpen van jonge (podium)kunstenaars. Ook de huidige cultuurminister is er nu achter dat zulks niet exclusief binnen grote kunstinstellingen kan gebeuren. Getuige althans de maatregelen die ze onlangs bekendmaakte. Weliswaar in de vorm van een veredelde voedselbank-fooi en voorzien van volstrekt inadequate maatregelen, maar goed, het signaal is er. Verkeerd signaal, zegt Daamen. Want: de zoveelste uiting van ‘het onbewezen model van de brede basis die noodzakelijk zou zijn voor een smalle top. Dat versnippert, de instellingen zijn eilandjes, er is weinig samenwerking en veel middelmaat.’ Het is precies deze toon die Daamen in 2010 in zijn rol als kroonlid van de Raad voor Cultuur aansloeg, toen de regering-Rutte 1 haar kunstbezuinigingen had afgekondigd. Ik voelde toentertijd de nare sensatie dat de kunstenaars er in plaats van een gesprekspartner een sluipschutter bij hadden gekregen. Deze beleidsadviezen maken het er anno 2014 niet echt inspirerender op. Ik hoop nog van de partij te zijn op het moment dat de Facebook-generatie gaat rammelen aan de poorten van Daamens hippe, Europese en geglobaliseerde kunstburcht.