INTERVIEW MET ANNA TILROE

‘De kunstwereld is incestueus’

Kunstcritica Anna Tilroe werd artistiek directeur van Sonsbeek 2008. Een gesprek over de tentoonstelling, de kritiek en de marginalisering van de kunsten.

KUNSTKRITIEKEN SCHRIJVEN is een introverte bezigheid. De kunstcriticus bezoekt in zijn eentje tentoonstellingen, waar hij in zijn eentje een mening over vormt, die hij vervolgens in zijn eentje opschrijft. Hij neemt een standpunt in, verandert van mening, is voortdurend in innerlijke discussie. Het maakt de criticus tot een erudiete, maar ook een wat verstrooide, ja zelfs asociale persoonlijkheid. Zijn gedrag is afwezig, zijn blik glazig. Vaak mompelt hij in zichzelf.
Je zou dus verwachten dat Anna Tilroe (1946) een mentale ommezwaai moest maken toen ze, na bijna dertig jaar schrijven over beeldende kunst, in 2006 artistiek directeur werd van de tiende Sonsbeek. De befaamde Arnhemse internationale beeldententoonstelling is tenslotte geen sinecure, en artistiek directeur geen snoepbaantje. Het betekent kunstenaars uit verschillende landen mobiliseren, fondsen aanschrijven, tientallen medewerkers aansturen. Het betekent ook vergaderen tot je scheel ziet en iedereen tevreden houden. Een klus, kortom, ondoenlijk voor een beschouwer zonder organisatorische ervaring.
Maar dat viel mee. Het was in het begin zoeken en aftasten, zegt de kunstcritica in de tuin van de Arnhemse boerderij waar ze tijdelijk haar intrek heeft genomen, maar toen het team er eenmaal was, verliep het werkproces vrij organisch. Achtentwintig kunstenaars uit veertien verschillende landen selecteerde Tilroe om het thema, ‘Grandeur’, vorm te geven. Fernando Sánchez Castillo uit Spanje maakte voor de grote vijver een viertal bronzen bustebeelden van despoten die elkaar met water bespuwen. De Amerikaanse Rona Pondick exposeert een roestvrijstalen boompje in de takken waarvan een afgietsel van haar eigen hoofd zweeft. De Argentijnse architect Tomas Saraceno heeft een enorme transparante cumulus van ballonnen gemaakt als voorproefje van zijn Flying Cities-project. En de Nederlander Hans van Houwelingen laat iedere dag in het monument voor Nobelprijswinnaar Lorentz de naam van een befaamd natuurkundige uithakken vanuit de gedachte: een genie staat nooit alleen.
Het thema Grandeur, zegt ze, is urgent. Anna Tilroe: ‘Met de ondergang van de grote ideologieën is ook het idee van een Nieuwe Wereld met een Nieuwe Mens verdwenen en is er in onze cultuur een grote leegte ontstaan. Voor het laatste nobele mensbeeld moet je terug naar de jaren zeventig. Sindsdien zijn termen als “een betere wereld” en “een betere mens” lege hulzen geworden. In de krant werd mij de ambitie in de schoenen geschoven het idealisme in de hedendaagse kunst in kaart te willen brengen. Maar dat is een vergissing. Deze tentoonstelling gaat niet over maatschappelijk idealisme, maar over een fundamentele menselijke drang: het verlangen om beter en grootser te worden dan we zijn. Dat verlangen zit in onze genen, en is bepalend voor onze hoop voor de toekomst. Het brengt innerlijke conflicten, morele vraagstukken, verbazing over onze verbeeldingskracht en onze potenties met zich mee; daar wilde ik het over hebben.’
Het thema blijkt aan te slaan. Bij de inwoners van Arnhem, van wie er zich bijna duizend in zogenoemde ‘gilden’ aansloten om, voorafgaand aan de officiële opening van de tentoonstelling, de kunstwerken in een processie door de stad te dragen. En bij het publiek dat in groten getale de kunstwerken in Park Sonsbeek komt bekijken. De tentoonstelling, vertelt Tilroe met lichte trots, heeft na twee weken al meer dan twintigduizend bezoekers getrokken.
Dat succes was welkom, want Sonsbeek kon wel een imagoboost gebruiken. De tentoonstellingen van de Amerikaanse curator Valerie Smith en de Vlaamse kunstpaus Jan Hoet (respectievelijk dertien- en twintigduizend bezoekers) waren geen succes en behoorden tot de slechtst bezochte uit de vijftigjarige geschiedenis van het evenement. Ze knikt: ‘Toen ik hier een paar jaar geleden mijn concept presenteerde, heerste er een negatieve stemming in de stad. De laatste twee edities werden niet alleen slecht bezocht, maar ook slecht begrepen. Buurtbewoners hadden zoiets van: prachtig dat er allerlei ingewikkelde beelden in de rosse buurt of in het winkelcentrum staan, maar wat heeft dat in vredesnaam met óns te maken?
Om dat wantrouwen weg te nemen zijn we de wijken ingegaan en hebben we veel met de mensen gepraat. Voor de kunstprocessie wierven we Arnhemmers uit alle lagen van de bevolking, zodat we ten slotte ‘gilden’ konden samenstellen van Rotary-leden, advocaten en architecten, maar ook van bewoners uit probleemwijken, daklozen en zelfs een gilde van moslims en christenen samen. Bij mijn presentaties vertelde ik over de Russische constructivisten, die in 1920 in een processie hun visioenen van een nieuwe, betere wereld door de Moskouse straten droegen, over het einde van de twintigste-eeuwse droom van een maakbare wereld en over de hedendaagse mens die nu voor zichzelf moet uitmaken wat menselijke grootsheid is. Waarna ik liet zien wat de ideeën van de deelnemende kunstenaars daarbij waren. Dat werkte! Mensen die normaal nooit naar het museum gaan, bleken opeens open te staan voor de kunstwerken: ze begrepen de ironie van sommige beelden, moesten erom lachen, voelden zich betrokken.’

Het moet een bemoedigende gedachte zijn voor iemand die een groot deel van haar leven heeft gespendeerd aan het begrijpelijk en inzichtelijk maken van beeldende kunst. Als recensent voor de Volkskrant en NRC Handelsblad groeide ze uit tot ’s lands meest gerespecteerde critica. Tilroe weet hoe belangrijk een handreiking kan zijn: ze groeide op in een a-cultureel milieu in het Zeeland van de jaren vijftig. Op haar veertiende liet iemand haar een tijdschrift met foto’s van de beelden van Alberto Giacometti zien. Een revelatie: ‘Het was zo’n ervaring die je maar een enkele keer in je leven hebt en waarbij alles kantelt.’
Eenmaal studente in Amsterdam dompelde ze zich onder in de kunstscene: ze had een vriendje dat kunstenaar was, verkeerde in kringen rond Provo-kunstenaar Robert Jasper Grootveld en liep mee in linkse studentendemonstraties – dat laatste meer uit nieuwsgierigheid dan uit oprecht engagement: ‘De eerste week dat ik in Amsterdam woonde, was er een demonstratie tegen de nieuwe bank in de Vijzelstraat. Ik liep mee, terwijl ik niet eens wist waar de Vijzelstraat was.’ Eigenlijk wilde ze romanschrijfster worden, maar toen ze op haar 28ste de stapels met aanzetten overzag, besloot ze die ambitie te laten varen. Na een paar jaar interviews met kunstenaars te hebben gemaakt voor de maandelijkse glossy Avenue, werd ze criticus bij de Haagse Post. Ron Kaal, toen hoofdredacteur, leerde haar het vak: ‘Wat hij tegen me zei? Dat een goed stuk een structuur heeft en dat je een kritiek nooit mag beginnen met een dooddoener als: “Het was druk op de opening.”’
Waren er critici die u ten voorbeeld dienden?
Veert op. ‘Harold Rosenburg: een Amerikaanse kunstcriticus uit de vroege jaren zestig. Ik bewonderde de manier waarop hij de kunst in een culturele context plaatste, en de helderheid en flair waarmee hij dat deed. Zijn openingszinnen zijn een voorbeeld van ogenschijnlijk gemak.’
Bent u in de loop der jaren gemakkelijker gaan schrijven?
‘O nee. Alles wordt nog steeds om en om gedraaid: klopt het wat ik zeg? Wat is de strekking van wat ik beweer? Er zijn critici die drie dagen gaan zitten broeden en het stuk dan in een ochtend op papier zetten. Zo’n criticus ben ik niet. Ik krijg veel van mijn inzichten al schrijvend. Dat is ook het spannende. Als ik van tevoren al precies zou weten waar het naartoe gaat, zou ik me enorm gaan vervelen.’
Waar moet goede kunstkritiek aan voldoen?
‘Een goede kritiek bevat een goed beargumenteerd oordeel, is informatief en helder geschreven en is fair naar de kunstenaar toe. Een goede kunstcriticus probeert zich in diens denkwereld te verplaatsen. Hij gaat niet uit van a-priori’s, maar durft zijn eigen criteria voortdurend ter discussie te stellen. Continuïteit is ook belangrijk. Wanneer je met enige regelmaat schrijft, krijg je een lezerspubliek dat wil weten wat jíj van een tentoonstelling vindt.’
Naar het oordeel van welke Nederlandse collega’s bent ú nieuwsgierig?
Ze denkt lang na. ‘Die collega’s bevinden zich veelal buiten de kunstkritiek. Iemand die ik graag lees is NRC Handelsblad-journalist Marc Chavannes. En cultuurcritici als Bas Heijne, Maarten Doorman, Abram de Swaan. De Nederlandse kunstkritiek zelf volg ik niet zo goed meer. Ze is me te voorspelbaar. Ik mis daarin een interessante argumentatie bij het oordeel. Het wemelt van vooropgestelde kaders: beantwoordt het hier aan? Beantwoordt het daar aan? Nee? Dan kan het niets zijn. De meeste kritiek, en dat geldt niet alleen voor de beeldende kunst, is oerconservatief.’
Is goede kunstkritiek persoonlijk?
‘Ik wil niet met het ego van de criticus geconfronteerd worden. Het interesseert me niet dat iemand bij een schilderij een jeugdherinnering kreeg. Schrijf niet: “Ik ben verdrietig”, maar schrijf op zo’n manier dat de lezer denkt: “Jezus, wat een verdriet.” Als je zo graag wilt uitweiden over je persoonlijke besognes moet je maar een roman schrijven. Het vervelende is: er verschijnt steeds meer kunstkritiek waarbij de criticus zichzelf de hoofdrol geeft.’
Moet kunstkritiek niet ook grappig zijn? In uw stukken valt betrekkelijk weinig te lachen.
‘Dat losse en ironische, waar bijvoorbeeld Britse kunstcritici erg goed in zijn, dat lukt mij niet. Ik probeer het altijd lichter op te schrijven dan ik het ervaar, maar dat valt niet mee. (Lacht) Kunstkritiek is niet zomaar een bezigheid die ik even bedrijf. Het is mijn leven. Ik vind kritiek zo belangrijk voor een kunstklimaat. Je hebt het niet alleen over de kwaliteit van een kunstwerk, maar over de kwaliteit van een hele cultuur.’
In uw laatste boek ‘Het blinkende stof, op zoek naar een nieuw visioen’ wordt nauwelijks meer van kunst genoten; ze wordt vooral geproblematiseerd. Is dat een gevolg van uw lange staat van dienst?
‘Hetblinkende stof had ook een grote lofzang op de kunst kunnen zijn, er is altijd wel werk dat zich daarvoor leent. Maar dat zocht ik niet. Mij interesseerde hoe kunst en cultuur zich in onze tijd tot elkaar verhouden. Kunst is voor mij nooit een geïsoleerd fenomeen geweest; ik zie haar altijd in een bredere context. Niet alleen kunstgeschiedenis, maar ook politiek, economie en filosofie doen mee. Het blinkende stof is een cultuurkritisch onderzoek, met beeldende kunst en architectuur als uitgangspunt. Door met een architect als Rem Koolhaas over moraal te praten of een reportage te maken over gated communities in Los Angeles en het uitgeholde idealisme in Cuba probeer ik iets te weten te komen over de wereld waarin wij leven en tegelijk onderzoek te doen naar wat kunst nog kan betekenen in deze tijd.’
Het zijn interessante tijden voor een criticus, dat is zeker. Nog nooit werden er zulke astronomische bedragen neergeteld voor kunst die ‘niets te zeggen heeft’, nog nooit ook is de kunst sociaal gezien sterker gemarginaliseerd dan nu.
‘Die marginalisatie is grotendeels de schuld van de kunstwereld zelf: die is incestueus en op zichzelf gericht. Dan heb ik het niet over de kunstenaars – hoewel die er ook een flinke tik van kunnen hebben – maar vooral over het zelfingenomen discours van theoretici en curatoren. De kunstwereld is modieus en conservatief tegelijk: elk half jaar is een nieuw filosofisch begrip in de mode en tegelijk zijn de bestaande kaders maatgevend. Past iets niet binnen een bestaande categorie of gangbaar theoretisch model, dan weet men niet hoe men erover moet denken en wordt het genegeerd. Of afgebrand.
Een andere oorzaak is de gewijzigde positie van het museum. Tot de jaren tachtig was het museum maatgevend in de kunst, het was dé plek waar kunstgeschiedenis werd geschreven. Die tijd is voorbij. Er is geen duidelijke lijn in de geschiedenis meer. Die is ontmaskerd als een fabel. Het museum heeft zich hier nog steeds niet van hersteld. Het functioneert niet meer als richtinggevende autoriteit bij nieuwe ontwikkelingen, integendeel, het hobbelt vaak stuurloos en met een lege portemonnee achter de ontwikkelingen aan. Jammer genoeg komt een discussie over de functie van het museum maar niet op gang. Ik denk dat een museum kunst in een brede culturele en historische context moet durven tonen. Dan kan een andere, veel belangwekkender discussie ontstaan over kunst als betekenisgever. Want dan krijg je zicht op de culturele rijkdom waaruit een kunstwerk voortkomt.’
Zorgelijk vindt ze het wel, die marginalisering van de kunsten: ‘Kunst is de uitdrukking van onze verbeeldingskracht. Ze maakt het ons mogelijk om de wereld met een nieuwe, frisse blik te zien en dingen opnieuw te denken en voelen. En dat is precies wat we in deze verwarrende tijd nodig hebben.’

Sonsbeek 2008: Grandeur t/m 21 september in Park Sonsbeek, Arnhem. Bezoekerscentrum: Zijpendaalseweg 24a. www.sonsbeek2008.nl