Waar de zee stroomt, waar onmenselijk maanlicht in beweging is, daar scheurt een hyena de laatste stukken van je lichaam, verdwaalt die liefkozing van je in een doodskist en overstemt je hartslag het geluid van de angst.

Waar de zee stroomt, daar veranderen vogels in spijkers, zijn alle geesten en uitspraken waar, klimt een hagedis tegen een muur van beenderen op en ligt het zand te rillen onder de slagen van de lucht. Waar de zee stroomt, rennen kinderen door je tranen heen, vertelt de stilte opnieuw en opnieuw en opnieuw een verhaal, kotst een zwangere vrouw, kan monotoon blauw geen enkel woord meer vinden, eindigt taal in jouw taal, blaffen zeehonden als schaduwen, maakt willekeurig welke vis gebruik van je buik om een stank te laten opstijgen, begrijpt het bloed alleen maar hoe het je moet weigeren en is niets een misdaad. Waar de zee stroomt, duwen kleine dieren je bewegingloos in de duisternis, gaan minnaars kussend onder bomen door, moet je steeds terug naar waar je altijd al stond, klauteren kinderen op groene banken en ben je al gestorven: dus ben je niet bang om lief te hebben. Waar de zee stroomt, ontsnapt iemand zonder verhaal in de dag met een gebaar van ontsnappen uit de dag, is iemand zonder verleden overleden en zijn meeuwen tegen de avond in een abstract boek verwerkt. Waar de zee stroomt, bevindt zich tussen donker en donker alleen de lente. Maar het donker zegt geen woord, elke ster is gebroken speelgoed, bedelaars kruipen bij elkaar met wederzijdse haat en maken zo een stad zonder plek om voor de regen te schuilen, de straat naar het kerkhof almaar modderiger, in het donker is er altijd een lichaam dat terugdrijft naar de plaats waar niet gedroomd wordt. Waar de zee stroomt, kan geen zee tot leven komen. Maar taal sterft in uitspraken, een boom sterft op het adres van de wind en elke vogel is in zulke oude bloedvlekken gedoken. De purperen kristallen oceaan sterft in een meer ergens anders, het gedicht dat de tijger verstoort, moet eindigen op een tafel die voor ellebogen vlucht. Zonnige dagen beginnen altijd bij de zee. Elke zomer valt een dode man in de groene sneeuw van pijnbomen die ademen alsof ze groeien op een Chinees kerkhof, maar de wind verandert rustig de richting van de dag. Het tegenovergestelde van hemel verdient het niet om hel te worden genoemd, vogels duwen koortsachtig de lucht opzij, een piranha heeft een mond vol glimlachende tanden en de duizenddelige encyclopedie van de golven nagelt de regels vast. Geen zee kan tot leven komen. Op een of ander adres snijden kinderen een granaatappel open en nu is het verst weg. Ogen gaan open en vallen in de werkelijkheid. Omdat je kijkt, kun je het lied van de vogel alleen als begrafenismuziek horen. Je luistert, maar droomt van het karmijnrode stofomslag van de oceaan, in de vensterbank gelegd. Je stilstand is vol als de waanzin van de oceaan. De autobiografie van de dood omarmt de doden in de lucht, wij horen onszelf elders vallen en uiteenspatten: van deze kust varen we uit.