Menno Hurenkamp

De kust van Tsjechië (1)

Nederlanders zijn kampioen vakantiegangers. Er is geen volk dat meer reist en er is geen volk dat meer vrije tijd heeft. Het gros gaat naar Frankrijk en Duitsland. Maar je vindt ook duizenden Nederlanders bungelend aan de Chinese Muur of vastgevroren aan de ijskap van de Noordpool. Je ziet hele Nederlandse gezinnen, pa, ma en ettelijke kinderen in luiers of Nintendo-gesnoerd, bus-in-bus-uit zeulen op Cuba. Haal je schouders op over het feit dat mensen vijfduizend euro uitgeven voor een reis naar een gebied waar de lokale bevolking maar één ding wil, en dat is: weg. Wat valt dan op?

Om te beginnen dat ze in het buitenland het liefst elkaar opzoeken. De constatering is een cliché. Niet alleen op de camping in Frankrijk spellen Nederlanders samen De Telegraaf. De meest verkochte reisgids in Amsterdam is de Lonely (!) Planet en die loodst de avonturier van hotel naar varende bananenboom naar café waar gegarandeerd collega-reizigers in de meerderheid zijn. 99 procent van de reizigers komt dan ook alleen in aanraking met «locals» wanneer een financiële transactie plaatsvindt. Het buitenland is een decor van Novib-hutjes, tempels, scooterparcoursen, stranden en pleintjes – plaatsen in dienst van de reizigers, plaatsen waar je kunt zitten, kunt kijken of waar je iets kunt kopen. De toerist of reiziger loopt door een wereld die hij niet tot de zijne wil maken. Frits Bom vroeg ergens in de jaren negentig een man die met zijn voeten in de Middellandse Zee zat om op een kaart aan te wijzen waar hij zich bevond. De man koos Tsjechië, land zonder strand of marine. Waarom? Omdat, en dat is het tweede dat opvalt, de reiziger «eindelijk even zichzelf» is. Jij bent ergens anders, dat telt. Waar, dat doet er minder toe.

Sla een vakantiedagboek open en in de tweede alinea is de schrijver eindelijk zichzelf. Vraag iemand wanneer hij zichzelf is, en hij zal zeggen: op vakantie. Driehonderd dagen per jaar staat de Nederlander in dienst van een ander. Baas, vrouw, collega’s, buren, oma – alles en iedereen verlangt dat je in de pas loopt. Ondanks onze «ontplooiingsstaat» waarin we in ons werk steeds meer mogelijkheden hebben om precies dat te doen of die vaardigheden te ontwikkelen die wij belangrijk vinden, hoor je van mensen die op reis zijn dat ze eindelijk genieten van het bestaan. Het is logisch dat als je dan even jezelf bent, lekker ontspannen, de nieuwigheid en de uitheemsen niet te dichtbij moeten komen.

De amateur psycholoog zou dus zeggen: blijf waar je bent. Maar zo simpel is het niet. Want of het nu gaat om reisbureaus, modebladen, interessante banen of reclame voor een lekker drankje: de Nederlander krijgt constant de boodschap ingepeperd dat alleen «loosers» thuisblijven. In vacatures is veel reizen een van de grote voordelen van een baan. Vakantiereclames – waarop overigens de eerste homo, zwarte, lelijke of ongelukkige medemens nog ontdekt moet worden – benadrukken regelmatig dat thuisblijven duurder is. Wie het hele jaar niet weg is geweest heeft wat uit te leggen – Pfeiffer gehad?

We móeten weg maar willen niet. De kunst is dus om thuis te blijven terwijl je weg bent. Hoe dat te doen, zal ik volgende week uit leggen.