De kwaal van de precisie

Paul Valery, Meneer Teste. Vertaling en nawoord: Piet Meeuse, uitgeverij De Bezige Bij, 103 blz., f26,50
Van 1894 tot aan zijn dood in 1945 heeft Paul Valery elke morgen tussen vier en acht aan zijn Cahiers gewerkt. Hij noteerde wat in zijn hoofd opkwam: notities, aforismen en stellingen over natuurwetenschappen of wiskunde, flarden van gedichten, opmerkingen over muziek, architectuur, literatuur. Alles door elkaar. Wat af is, is niet gemaakt, luidt de titel van een bundel lezingen waarin Valery zijn poetica ontvouwt. Schrijven was voor hem geen ‘operatie’ waarbij zich meteen allerlei afgeronde ideeen in taal aandienden. Beelden, analogieen, motieven en ritmes die min of meer toevallig bij iemand opkomen, achtte hij waardevoller. Die menselijke bedenksels of ‘creaties’ koesterde hij.

Meneer Teste, in hetzelfde jaar ontstaan als de eerste Cahiers-aantekeningen, is een van die verzinsels. Maar wie is Edmond Teste? De volmaakte geest, een taalfiguur, een bedrieglijk beeld van het intellect in zijn zuiverste vorm. In het dagelijks leven is Teste een onmogelijkheid. Hij is een soort glasachtig lichaam uit woorden opgetrokken. ‘Want hij is niets anders dan de demon van de mogelijkheid.’
Mogelijk. Het is een van Valery’s lievelingswoorden en het past in een woordenreeks die zijn denkhouding weergeeft: voorlopig, plastisch, kneedbaar, transcendent, afwezig, transparant, transformatie, operatie, (de)montage, excercitie. De vreugde van het maken, daar bestaat Valery’s schrijven uit.
Niet de gedachte of een idee maar het eindeloos vloeiende denken zelf, het peinzen, daar gaat meneer Teste in op. Nee, er komt niets uit zijn handen, dat wil zeggen geen solide, gestolde taalprodukten. Teste wil dat ook helemaal niet. Hij is een niemand die iedereen zou kunnen worden. Geen enkele mogelijkheid wil hij uitsluiten. Teste is de protagonist van de komedie van het menselijk intellect, de hogepriester van de geest, mysticus zonder God (zoals zijn vrouw Emilie hem tegenover een priester noemt). 'Ik beken dat ik van mijn geest een afgod heb gemaakt, maar ik heb geen andere gevonden.’
Teste zelf komt via flarden uit zijn logboek aan het woord. Via brieven en berichten van zijn vrouw en vriend, onvolmaakte Teste-figuren, komt de lezer meer te weten over 'de man van glas’ en lijkt hij transparanter te worden. Maar het blijven scherven. Mevrouw Teste schrijft in het begin van een brief aan een Teste-bewonderaar dat de ziel in staat is te genieten zonder volledig te begrijpen. Niemand kan zichzelf helemaal begrijpen. Als we alles wisten, zouden we zwijgen. 'Kennis is als het ware vreemd aan het zelf.’
Dat wil niet zeggen dat Valery niet naar kennis dorstte, integendeel. In Leonardo en Socrates probeert hij de springerige uitvindersgeest van Leonardo da Vinci te vermengen met de langs rechte lijnen peinzende Socrates, die gepassioneerd 'het kennen’ onderzocht.
Toch schreef Paul Valery, die jarenlang niet heeft gepubliceerd, uit zwakheid. Zwijgen was voor hem de ultieme vorm van niet-zijn. In het niet-zijn, bijvoorbeeld niet publiceren, handhaaft zich het mogelijke, het toevallige, het precieze. Want Teste lijdt evenals zijn schepper aan 'de kwaal van de precisie’, ondanks een zwak geheugen. In het fragment 'Voor een portret van Meneer Teste’ staat onder meer dit: 'Meneer Teste is geboren uit het toeval. Zoals iedereen. Alle geestkracht dankt hij aan die omstandigheid.’ Meneer Teste is gevoelig voor het kunnen en willen (discipline is een groot goed), omdat hij gevoelig is voor het nog ongeordende om ons heen. Alles en iedereen kan steeds opnieuw worden opgebouwd.
De Bezige Bij heeft nu drie Valery-titels uitgebracht. Het wachten is op publikatie van een keuze uit de Cahiers, waarin Valery zichzelf als auteur afwijkend profileert: 'Tegen mij als schrijver pleit, dat ik het oninteressant vind en het me zelfs tegenstaat, op te schrijven wat ik heb gezien, of ervaren of wat me heeft aangegrepen. Dat is voorbij. Ik voer de pen voor de toekomst van mijn denken - niet voor zijn verleden.’