Albanië staat op barsten

De laatste Balkanoorlog

Het Albanese nationalisme is definitief ontwaakt. De zwarte adelaar slaat zijn vleugels uit. Een nieuwe oorlog dreigt.

Kosovo, juni 1998 – Op een veld net buiten het dorp Lladovc verzamelt zich een menigte van zo’n tweeduizend Albanezen. Hier wordt een martelaar van het volk ter aarde besteld. De dragers van de kist worden voorafgegaan door twee meisjes met een grote krans. Op de kist, in lintvorm aan de grafkrans, op het podium dat naast het graf is opgericht en waar straks de politieke toespraken zullen worden gehouden – overal wappert de tweekoppige zwarte adelaar op het bloedrode vlak: de Albanese vlag. Ordebewakers met rode banden om de arm maken de dienst uit. Ze hebben de menigte opgesteld rond de graven, in een keurige cirkel. Als de dragers verschijnen, steekt een van de ordebewakers zijn rechterarm in de lucht. Het wordt doodstil. Dan maken zijn vingers het V-teken. Als één man volgt de menigte zijn voorbeeld. ‘Laudi!’ klinkt het gelijktijdig uit tweeduizend kelen. Het betekent zoiets als 'eer’ of 'glorie’. Er gaat een enorme kracht uit van deze haast negentiende-eeuwse ceremonie. Geen wonder, deze eenzame dode vertegenwoordigt een heel volk.

Maar vooralsnog is de ware nationale glorie uitgebleven voor de Albanezen. Het is ze nooit gelukt hun volksgenoten in één staat te verenigen. In het oude communistische Joegoslavië leefden talloze etnische groepen samen. De grootste daarvan – Serven, Kroaten, Macedoniërs, Montenegrijnen, Slovenen en Moslims – hadden elk hun eigen republiek, met het recht op afscheiding. Dat met name de Serven vele volksgenoten in andere Joegoslavische republieken hadden, heeft bij het uiteenvallen van de communistische veelvolkerenstaat tot enorm bloedvergieten geleid. De Serven wilden koste wat het kost al hun bloedbroeders in één staat verenigd houden.

Ook de Albanese natie is verspreid over verscheidene staten. Voorheen was de situatie – net als bij de Serven – tamelijk overzichtelijk. Albanezen leefden in Albanië en in het oude Joegoslavië. Tijdens de Koude Oorlog bestond tussen de stalinistische staat van Enver Hoxa en het ‘onafhankelijke’ communisme van Tito weliswaar weinig vriendschap, maar toch was er een onwrikbare status quo. Het uiteenvallen van Joegoslavië heeft de verhoudingen tussen de volkeren op de zuidelijke Balkan echter volkomen veranderd. De strijd om Slovenië, Kroatië en Bosnië is gestreden; Macedonië heeft zich zonder oorlog afgescheiden en ook de Servische offensieven in het voornamelijk door Albanezen bewoonde Kosovo behoren tot het verleden. Maar het wordt steeds duidelijker dat de laatste etnische oorlog op de Balkan nog niet is gestreden. Want intussen is rond de Albanese irredenta een situatie ontstaan die gevaarlijk is voor de vrede op de Balkan. Sinds het Kosovo-drama realiseert Albanië zich des te scherper dat er Albanezen in Kosovo, Zuid-Servië, Zuidoost-Montenegro en West-Macedonië leven. Die gebieden, alsmede Oost-Servië en Noordwest-Griekenland (Epirus) waaruit de Albanezen zijn verdreven, horen volgens Albanese nationalisten binnen de eigen grenzen. Voor het gemak heeft de Albanian-American Civic League (aacl) de grenzen van Groot-Albanië maar alvast op een kaartje aangegeven.

Pompeuze begrafenissen van martelaren; epische gezangen over heldenmoed van uck-strijders vertolkt door ernstig kijkende kindertjes (onder meer te zien in een recente documentaire ter promotie van de Novib, met Astrid Joosten, opgenomen in Kosovo); het eeuwige spreken en danken 'uit naam van ons volk’ – ook door de Albanezen die waren ingevlogen voor de Kosovo-hulpactie op de Nederlandse televisie: het Albanese nationalisme is minstens zo drammerig en onontkoombaar als het Kroatische en het Servische. Het is het nationalisme van een laatbloeier in de Balkanese etnische geopolitiek.

De grote mogendheden die tijdens het Congres van Berlijn in 1878 de Balkan herindeelden, hebben Albanië kleiner gehouden dan de natie groot was. Pas in de Tweede Wereldoorlog kreeg Groot-Albanië gestalte, maar wél op instigatie van de fascisten. Volgens New York Times-journalist Chris Hedges is het geen wonder dat de Groot-Albanese gedachte onmiddellijk weer de kop opstak met het verschijnen van het uck. In het kader van het (inmiddels officieel opgeheven) Kosovo Bevrijdingsleger wemelde het van de afstammelingen van SS-leden die hadden gediend in de SS Divisie Skanderbeg. In 1944 droeg deze zorg voor het opsporen van enkele honderden zielen die Kosovo’s joodse gemeenschap telde.

Toen Servische en Kroatische troepen bezig waren zoveel mogelijk Bosnisch gebied voor hun eigen natiegenoten te veroveren, bleef het echter stil in Albanië. Toch hadden de Albanezen toen dé kans om van de onrust te profiteren en meer rechten te eisen voor de miljoenen volksgenoten die buiten de Albanese grenzen leefden. Maar het land worstelde met zijn communistische verleden, de diepe sporen van zijn internationale isolement en zijn armoede, het stortte zich in onbestemde avonturen met de piramidefondsen van malafide banken en was gedompeld in een permanente half-oorlog tussen de Democratische Partij van Sali Berisha en de Socialistische Partij van Fatos Nano.

Maar de tijden zijn veranderd. Albanië is inmiddels schuifelend op weg om een moderne staat te worden. Met het stalinistische trauma is korte metten gemaakt en internationale, financiële steun zorgt voor een langzame verbetering van de economische situatie. Aan het terugdringen van anarchie en de georganiseerde criminaliteit wordt in internationaal verband met man en macht gewerkt. Het land kreeg alle lof voor zijn terughoudende optreden tijdens de oorlog in Kosovo. Het openstellen van zijn volledige infrastructuur voor Navo-troepen en hulpverleners en de gebroederlijke opvang van 450.000 Kosovo-Albanenezen oogstten internationaal veel lof. Over de ondersteuning van uck-aanvallen door Albanese artillerie werd door het Westen – dringend verlegen om grondtroepen – uiteraard niet moeilijk gedaan.

Dat de gedachte aan het verenigen van alle Albanezen in één staat nu, in deze nieuwe Navo-springplank, opgeld doet (iets wat zonder bloedvergieten haast onmogelijk is), daaraan besteedt men in het Westen liever niet al te veel aandacht. Maar uiteindelijk zal niemand er omheen kunnen: het Albanese nationalisme is definitief uit zijn sluimering ontwaakt. De tweekoppige, zwarte adelaar slaat weer zijn vleugels uit. Met name, maar niet alleen, in Kosovo.

Daar is er inmiddels geen houden meer aan. Kosovo – volgens VN-resolutie 1244 nog altijd een Joegoslavische provincie – moet en zal zich van Servië losscheuren. Sinds de door de Navo gedomineerde internationale troepenmacht kfor vorig jaar juni binnentrok, nemen de Albanese Kosovaren niet met minder dan onafhankelijkheid genoegen. Het zou de Vlaamse Balkan-historicus Raymond Detrez niets verbazen als de internationale gemeenschap straks schouderophalend akkoord gaat met de onafhankelijkheid van Kosovo. Eigenlijk, meent hij, is Kosovo al los van Servië. Detrez: 'Er wordt hoegenaamd niet opgetreden tegen de verdrijving van Serven, de Kosovo Protection Force is niet multi-etnisch, maar veeleer een Kosovaars legertje en de Joegoslavische dinar is als betaalmiddel verdwenen. Er is geen enkel symbool meer van de Joegoslavische staat, die officieel nog altijd de baas is in Kosovo. En er worden absoluut geen pogingen gedaan om Kosovo opnieuw, maar nu met meer autonomie, in Servië te integreren, zoals de afspraak was. Veel waarschijnlijker is het dat men Kosovo aansluiting zal laten zoeken bij Albanië. Dat vinden de Albanezen een natuurlijke oplossing, en naar het schijnt de VN inmiddels ook.’



Voor de bombardementen peinsde men er niet over Kosovo toe te staan zich af te scheiden. De kans dat daardoor de Albanezen in West-Macedonië aangemoedigd zouden worden ook naar de wapens te grijpen, om net als hun volksgenoten in het aangrenzende Kosovo van de 'Slavische overheersing’ af te komen, was te groot. Want daarmee zou de gevreesde oorlog om Macedonië, die in de geest van vele westerse waarnemers haast mythische proporties aannam, een aanvang kunnen nemen.

Bij die oorlog op de Zuid-Balkan zouden Albanië (omwille van zijn volksgenoten), Bulgarije (dat Macedoniërs beschouwt als Bulgaren), Servië (dat een aanzienlijke Servische minderheid in het buurland heeft wonen), Montenegro (dat met zijn eigen Albanese minderheid geen separatisme kan dulden) en Griekenland (dat kampt met een eigen Slavisch-Macedonische minderheid en bovendien meent dat Macedonië historisch gezien bij Griekenland hoort) betrokken kunnen raken. Bij dit rampscenario vallen de vier oorlogen die tot nog toe rond het uiteenvallen van Joegoslavië zijn gevochten in het niet. Breekt de gevreesde Laatste Balkanoorlog ooit uit, dan zou dat wel eens het einde van de Navo kunnen betekenen, want wellicht zullen ook Turkije (pro-Albanees) en Griekenland – tevens lid van de EU – elkaar in de haren vliegen.

Raymond Detrez acht de kans dat dit doemscenario uitkomt niet heel groot. Maar dat het Westen te weinig oog heeft voor het Albanese irredentisme lijdt volgens hem geen twijfel. Detrez: 'Nationalistische taal hoort niet tot het door de Navo en de EU geaccepteerde discours, dat beseffen de Albanezen heel goed. Dat betekent echter niet dat ze zich niet bezighouden met de nationale gedachte. Alle Albanezen moeten in één staat leven. Dat is in hun ogen een volstrekt legitiem idee, een soort natuurwet. Je kunt het je als Albanees niet permitteren te zeggen dat Kosovo niet bij Albanië hoort. Hetzelfde geldt voor West-Macedonië. Ik heb in Albanië menig intellectueel daarover gesproken. Politici, dwars door het partijlandschap heen, en hooggeplaatste journalisten – allemaal zijn ze het erover eens. Het liefst zouden ze ook Epirus claimen, het noorden van Griekenland. Maar daarmee zijn ze wat voorzichtiger. Griekenland is Navo- en EU-lid, en zonder de internationale gemeenschap is Albanië niet veel waard.’



Een zorgelijke ontwikkeling is dat dr. Ibrahim Rugova, de als gematigd bekendstaande president van de nog altijd niet internationaal erkende (Albanese) Republiek Kosova, zijn voorzichtige beleid lijkt te hebben gewijzigd. In een interview met Der Spiegel kondigde hij 'de volgende oorlog’ aan: 'Wij allen, de gehele bevolking van Kosovo, zullen ten strijde trekken’, antwoordde hij op de vraag wat er zal gebeuren als de internationale gemeenschap Kosovo niet de onafhankelijkheid gunt.

Net als in Bosnië worstelt de VN in Kosovo met een schier onoplosbare etnische scheiding. De 900.000 Albanese vluchtelingen die het gebied verlieten tijdens het grootste Servische offensief sinds het begin van de guerrilla-activiteiten, zijn weer terug. Daar staat tegenover dat sinds het einde van de oorlog 240.000 Serven, Montenegrijnen, joden, Roma en Slavische Moslims Kosovo ontvluchtten. Ook de 60.000 leden tellende Turkse gemeenschap rond de stad Prizren staat onder zware druk om het gebied te verlaten. Volgens militante Albanezen zouden de Turken gecollaboreerd hebben met de Servische troepen, die hen ongemoeid lieten. Tijdens de aanwezigheid van de internationale troepenmacht kfor werden meer dan zeshonderd Serven vermoord. Nog maar 90.000 Serven leven in wat ze beschouwen als de wieg der Servische natie, de meesten in het noordoosten dat aan Servië grenst en waar de gedeelde stad Mitrovica ligt. Anderen in enclaves bewaakt door kfor-soldaten – zoals in Orahovac, waar Nederlandse troepen het Servische getto beschermen. Dat die bescherming niet altijd afdoende is, toont het aantal orthodoxe kerken en kloosters dat door Albanese extremisten de lucht is ingejaagd: tachtig stuks. De oorlog die volgens Rugova in het verschiet ligt bij uitblijvende onafhankelijkheid van Kosovo, is in feite al sinds juni vorig jaar aan de gang.

Ooit predikte Rugova geweldloos verzet tegen de 'Slavische overheersers’. Die geweldloosheid ontsproot niet aan een uitgesproken, ideologisch pacifisme, maar was ingegeven door politieke berekening. Het was Rugova’s bedoeling om, nadat hij tijdens schaduwverkiezingen door de Albanese Kosovaren tot president was gekozen, Kosovo op de politieke agenda te plaatsen. Rugova’s partij ldk nam niet deel aan de Kosovaarse guerrillastrijd en raakte met het opvoeren van de vijandelijkheden steeds meer op de achtergrond. Pas tijdens de Navo-bombardementen op Servië deed Rugova weer echt van zich spreken. Hij ging op de thee bij Milosevic, terwijl de helft van de Kosovo-Albanezen op de vlucht was voor Servische troepen. Natúúrlijk werd hij gedwongen, maar een beetje Albanees weerstaat de vijand tot in de dood, meenden veel Kosovaren. De kwalificaties die de beminnelijke, in Parijs opgeleide cultuurcriticus werden toegevoegd varieerden van 'slapjanus’ tot 'een verrader die doodgeschoten moet worden’ (uck-leider Hashim Thaçi).

Nu doet dr. Rugova zijn best het goed te maken. Geweld sluit hij niet meer uit en een Groot-Albanië ook niet: Rugova in Der Spiegel: 'Alle Albanezen horen in één staat. In Macedonië is tegenwoordig 35 procent Albanees en ook in Montenegro groeit het aantal Albanezen. We zijn een gedeeld volk.’ Als het aan Rugova ligt, blijft dat niet zo. Zijn nieuwe politieke agenda wordt steeds duidelijker: eerst onafhankelijkheid voor Kosovo onder zijn presidentschap (volgens Der Spiegel groeit zijn aanhang weer), daarna een confederatie met Albanië.



Dat komt wonderwel overeen met de aspiraties van Sali Berisha, oud-president van Albanië en voorman van de Democratische Partij. Hij pleit openlijk voor een 'Albanese federatie’ waarin alle gebieden zijn verenigd waar Albanezen wonen. Zijn rivaal Fatos Nano, de huidige socialistische president van Albanië, doet zijn uiterste best Berisha’s uitspraken af te zwakken, maar wijst er wel te pas en te onpas op dat de internationale gemeenschap de verkeerde weg bewandelt als ze Kosovo naar de letter blijft beschouwen als deel van Joegoslavië. Ook is hij 'teleurgesteld’ dat Albanië niet nauwer betrokken is bij de wederopbouw van Kosovo.

Met dat laatste valt het reuze mee, blijkt uit een recent rapport van de International Crisis Group. De Albanese overheid doet er alles aan om Kosovo via weg- en spoorverbindingen nauwer aan zich te binden. De Albanese havenstad Dürres is aan de Kosovaren aangeboden als 'havenstad zonder Servische controle’. Voor de spoorlijn die de Kosovaarse stad Prizren met Dürres verbindt, is tweehonderd miljoen dollar uitgetrokken.

Ook op het politieke front is de Groot-Albanese gedachte zichtbaar. In december maakte Fatos Nano bekend dat er besprekingen gaande waren met uck-leider Hashim Thaçi en de politiek leider van de Albanezen in Macedonië, Arben Xhaferi, voor het opstellen van een gezamenlijke, politieke beweging. Toen de buurlanden hun ongerustheid hierover lieten blijken, zei Nano dat het aanhalen van de politieke banden 'niet ten dienste stond van een Groot-Albanië maar van de groot-Europese Albanezen’. Thaçi was minder cryptisch. Volgens hem ging het om 'het verenigen van onze nationale politieke standpunten ten opzichte van de internationale gemeenschap’. Op sociaal-cultureel gebied werden in augustus plannen gepresenteerd om het curriculum van universiteiten in de irredenta af te stemmen op het Albanese programma, ongeacht het feit dat Macedonië en Montenegro, zoals elke zichzelf respecterende staat, graag hun eigen onderwijssysteem zouden hanteren. Vooral de Albanezen in Montenegro waren blij met het initiatief. 'Taal, literatuur en geschiedenis zijn voor ons het belangrijkst omdat je met die vakken de kennis van de Albanese cultuur, het erfgoed en het nationaal bewustzijn kunt stimuleren’, sprak hun politiek leider Luigj Juncaj.

Het is alsof de Albanese regering het programma uitvoert dat dr. Ali Jakupi, professor aan de economische faculteiten van de universiteiten in Pristina en Tetovo, in Macedonië, uiteenzette in zijn boek Two Albanian States and National Unification (1995). Een populaire uitgave van het werkje werd in 1998 door Rugova’s partij massaal verspreid onder journalisten die na de eerste Servische crack down Kosovo tot hun werkterrein maakten.

Jakupi laat er geen gras over groeien. Hij maakt een scheiding tussen de veel te kleine Albanese staat en de veel grotere Albanese natie. De natie moet verenigd in één staat, een mooi begin zou de aansluiting van Kosovo vormen. Aan nationale eenwording kan volgens Jakupi het beste een economisch samenwerkingsprogramma voorafgaan. 'Omdat de Albanese kwestie niet dood en begraven is, iets wat de bezetters graag hadden gewild, vraagt de Albanese kwestie om een rechtvaardige en duurzame oplossing’, schrijft Jakupi. 'De vorming van een nieuwe Albanese staat is geen spectaculaire gebeurtenis omdat hij zich niets toe-eigent wat haar niet toekomt. Het gaat hier om een nationaal recht, gesublimeerd door de eeuwenlange strijd de eigen identiteit te behouden. Precies de manier waarop alle geciviliseerde volkeren handelen.’ Jakupi doet als alle nationalisten: hij plaatst de nationale eenwording van de Albanezen in het licht van de stabiliteit die van zo’n staat uitgaat. Geen Groot-Albanië? Dan onrust! 'Vertraging van dit proces is voor niemand goed. De Albanese natie zal nooit haar rechtvaardige, realistische en legitieme eisen opgeven. Verdere vertraging zou een open wond opleveren.’



In zijn Geschiedenis van het heden (1999) geeft de Britse historicus Timothy Garton Ash er blijk van te geloven in Jakupi’s redenering. Hoe multi-etnischer, des te gewelddadiger de toekomst. De recente oorlogen op de Balkan vergelijkt Garton Ash met 'een reuzenuitvoering van de machine die separator heet: een soort ronddraaiende kuip waarin room en boter worden gescheiden, of vloeistoffen van verschillende consistentie’. Op de Balkan werden volkeren gescheiden 'terwijl gestaag bloed droop uit een filter in de bodem’. Niemand kan de separator stoppen, zeker niet het Westen, dat almaar gehypnotiseerd blijft door de mantra’s van 'integratie’ en 'multiculturaliteit’. Garton Ash meent dat de volkeren van het voormalige Joegoslavië beter af zijn met een vreedzame scheiding in etnisch zo homogeen mogelijke staten.

Zijn Jakupi’s Groot-Albanië of Berisha’s Albanese federatie dan werkelijk de onvermijdelijke uitkomst van de laatste grote etnische kwestie op de Zuid-Balkan? Volgens Raymond Detrez gaat het inderdaad haast onvermijdelijk die kant op. 'Kijk naar Macedonië. Daar zullen de Albanezen vanaf 2025 de overhand hebben, als ze doorgaan zich zo snel voort te planten als nu. Daar valt eenvoudig niets tegen te doen. Maar ik betwijfel of gebieden waar Albanezen domineren zich zonder slag of stoot bij Albanië kunnen voegen. Aan de internationale gemeenschap zal het niet liggen. Die houdt zich op dit moment totaal niet bezig met die vraag.’

En al zou ze het wel doen, dan nóg is het veel te laat. Detrez: 'De enige manier waarop nieuw bloedvergieten kan worden voorkomen, is bewerkstelligen dat de Balkanezen massaal afstappen van het idee dat een natie verenigd moet zijn in een nagenoeg etnisch-homogene staat. Maar dat is zoiets als wachten tot de Adriatische Zee opdroogt.’