Kort na de overstromingen in Limburg stond Adriaan van Dis langs de IJssel voor te dragen uit zijn dystopische roman KliFi. Televisieprogramma Nieuwsuur was een literaire trend op het spoor: de klimaatroman. Daarvan hebben uitgevers er voor ‘de komende seizoenen’ nog een heleboel op stapel staan, wist hoogleraar Geert Buelens al. Klimaatverandering is immers ‘het belangrijkste onderwerp van onze tijd’. ‘En daar moeten wij als dichters en romanschrijvers ook mee aan de slag.’

Vooruit, schrijvertjes! Waarschuw nog eens hoe erg het allemaal is. Je mag hopen dat in die aangekondigde stormvloed ook wat aanspoelt dat méér doet dan dat. Als we inderdaad in een ‘overgangstijd’ leven, zoals je van uiteenlopende denkers hoort, wat kan dan de rol van fictie zijn?

Met die blik is het interessant om te kijken naar de recente romans van twee schrijfsters, allebei nog relatief onbekend en relatief jong. Renske Jonkman (1982) en Mariken Heitman (1983) situeerden hun romans allebei in werelden mijlenver verwijderd van de Randstedelijke beslommeringen waar veel van hun generatiegenoten in opgaan: landbouw (Heitman) en veeteelt (Jonkman).

Heitman groeide op tussen de Veluwe en de IJssel, is biologe en werkte in de biologische groenteteelt, die centraal staat in haar tweede roman Wormmaan. Jonkman bracht haar jeugd door in West-Friesland en schreef eerder al journalistieke reportages en columns over boeren en natuurbeschermers. Dit verdronken land vertelt een aantal beslissende momenten in de geschiedenis van een fictief boerenfamiliebedrijf.

Niet alleen kennen de schrijfsters die buitengebieden dus, wat hun boeken op zichzelf al iets verademends geeft, ze betrekken ze nadrukkelijk ook op actuele dilemma’s en schuwen de politieke dimensies niet.

Het meest expliciet is dat bij Renske Jonkman, die het protest van de Farmers Defence Force verwerkt. Lucia Endegeest en haar man Jack overwegen om de boerderij, die al eeuwenlang in haar familie is, op te geven, om in Canada opnieuw te kunnen beginnen, ‘in vrijheid, zonder al die regeltjes’. De lezer heeft dan al zo’n 130 pagina’s lang de voorgeschiedenis van de boerderij meegemaakt, een kleine proloog over de inpoldering van het Wogmeer en het prille begin, in 1607, gevolgd door een dramatische geschiedenis in de jaren vijftig.

Het is de begintijd van de ruilverkaveling. Het eilandenrijk dat het West-Friese laagland dan nog is, moet op de schop. Twee broers, Krijn en Lucas Endegeest, raken in een Kaïn-en-Abel-achtige strijd, omdat de een trouw wil blijven aan de traditie, terwijl de ander de voordelen van de vooruitgang wel opmerkt: ‘Ze zouden niet langer aanmodderen met die onmogelijke schuiten tussen versnipperde postzegeltjes land, afgescheiden door ontelbaar veel sloten. Als ergens hun toekomst lag dan was het hier wel: overal dezelfde kaarsrechte weilanden zo ver zijn oog reikte, het gras kort gemaaid en bruin van de herfst. Maar het inruilen van een paard voor een tractor was voor zijn familie bijna een doodzonde. Ze waren verplicht achteruit te blijven lopen, in de hoop daar iets terug te vinden wat ze eens waren verloren.’

Jonkman heeft zich uitvoerig gedocumenteerd, is in archieven gedoken en sprak tal van agrariërs die getuigen waren van die periode, wat de levensechtheid ten goede is gekomen. Indirect zegt die historische verhaallijn ook wat over de huidige dilemma’s. Moet een boer trouw zijn aan de traditie, en wat gebeurt er als je hem van bovenaf wil overhalen tot verandering?

Is landbeheer een ‘passieve oorlog’ of is het tegenovergestelde waar: ‘Landbeheer kwam neer op toenadering, op het sluiten van compromissen. Niemand tegen het zere been trappen.’

Het maakt invoelbaar hoe de papieren, politieke werkelijkheid immens verschilt van de concrete beleving. De roman heeft een alert zintuig voor al die nostalgische, sentimentele en anderszins niet-rationele beweegredenen, voor krachten die over generaties heen werkzaam zijn, en waar beleid en maakbaarheidsidealen op stuk kunnen slaan. Het plaatst de archetypische ‘boze boeren’ ook in een milder, begripvoller licht.

‘Het punt was alleen: hij wist als geen ander welke aarde hier onder zijn voeten lag. Hij wíst wie hem hier was voorgegaan, welk oud bloed hier had rondgelopen. Iedereen beklaagde zich erover dat het altijd maar anders moest. Ze deden niets liever dan die kaveltjes veranderen, en iedereen wilde het naar zijn eigen hand zetten.’

Beide boeken doen wat goede literatuur kan doen: de complexiteit verdiepen

Zonder positie te kiezen diept de schrijfster het conflict uit, via die broers, maar ook, op een subtiele manier spiegelend, via Lucia en Jack. Hij sleept haar weliswaar mee op een verkennende tocht naar Canada, maar hij is niet in staat haar terughoudendheid weg te nemen.

Dit persoonlijke verhaal verdiept de thematiek: hoe moet je als mens je invloed aanwenden, en hoeveel macht hebben je keuzes nu werkelijk? Stug vasthouden aan het vertrouwde leidt in deze roman telkens tot een vorm van ondergang, maar hoe beweeg je mee zonder iets te verloochenen? Zoals de broers in de jaren vijftig op zoek moesten naar een nieuwe verhouding tussen familie, land, overheid, zo zoekt ook Lucia haar positie in een ecosysteem vol natuurlijke, maatschappelijke en erfelijke factoren die ze maar heel beperkt kan beheersen.

Iets vergelijkbaars doet Mariken Heitman in Wormmaan, maar wel op een totaal andere manier dan in de klassieke vertelling die Jonkmans Dit verdronken land is. Heitmans hoofdpersoon Elke is werkzaam in de wereld van zaadveredeling en groenteteelt. Na een mislukte poging tot de creatie van een nieuwe ‘zomerpompoen’ (een concurrent bleek haar voor) werpt ze zich op een vergeten erwtenras, dat ze nu eens niet wil veredelen of optimaliseren, maar juist wil laten ‘verwilderen’ op een Waddeneiland.

Temmen of verwilderen, domesticeren of vrijlaten, dat is voortdurend de vraag, op allerlei niveaus in deze ingenieuze roman. Bij het bezoekerscentrum van de Oostvaardersplassen kijkt Elke uit het raam: ‘Een gedresseerd panorama, omlijst door duurzaam hardhout. Het is bijna hoorbaar, hoe er van me wordt verlangd dat ik een bijzondere natuurervaring beleef, dat ik de woestheid – en is die hier niet ruim voorhanden – apprecieer, dat ik door de sluier van bestemmingsplan, meningen en doelsoorten heen kijk, dat ik iets van het begrip en complexiteit van “nieuwe natuur” vind.’

Zo is het ook met het veredelingsproces: ‘We denken de plant te ontlasten maar maken hem afhankelijk, regelen de temperatuur en het aanbod aan voedingsstoffen zodat hij zijn energie alleen nog hoeft te steken in groot en sappig groeien. We vormen cultuurgewassen in een wereld zonder gevaar, gevaar dat we later op het veld of in de kas simpelweg doodspuiten.’

Dus besluit ze: ‘Ik word de laatste boer, ik ga de erwt verwilderen.’ Parallel hieraan lezen we een bijna mythisch verhaal over wat weleens de eerste boer kan zijn: Ra, die negen millennia geleden bij een gemeenschap jager-verzamelaars aankomt, en de overgang naar de eerste landbouwers meemaakt. ‘De Natufiërs die het gras eigenhandig temden, hun directe voorouders vergeten. Ze waren veel slimmer dan ze zich herinnerden. Maar wie gaf er om verstand als je ook uitverkoren kon zijn?’

Via de verbeelding laat Heitman zien hoe een verandering van de omgang met de natuur samengaat met een veranderd wereldbeeld. Zo’n heel ruim perspectief werkt zowel relativerend als verhelderend, ook op het heden: ‘Wij vormden de planten en de planten vormden ons. Het waren de granen die we op grote schaal gingen eten, die ons huizen lieten bouwen, die ons lieten zwoegen, ons dwongen tot een boerenbestaan, iets wat verregaand onze cultuur bepaalde.’

Parallel aan dit plantaardige temmen loopt het verhaal van een maatschappelijk intomen, de worsteling tussen conformisme en individualisme, tussen het beeld dat de samenleving van Elke heeft, en haar eigen natuur. Ze voert interne dialogen met ‘de vrouw die ik nooit werd’, een vermeende maatschappelijk-wenselijke variant van zichzelf, haar eigen ‘domesticatie’.

Ook hier de vraag: valt daar helemaal aan te ontsnappen? Of moet al dat temmen en ingrijpen alleen wat minder dwingend zijn? Het radicale verwilderen lijkt immers ook een utopische droom te zijn, vol ‘zondoorstoofde knoflookbollen die ondergronds hun tenen verdelen, in een veelarmige omhelzing van groen gecamoufleerde pompoenen, een zelfzaaiend Eden.’

Al te barok? Ik hou ervan. Ik liet me meeslepen door de secure, melodieuze en fantasierijke taal die nooit pathetisch of gezwollen wordt, en mooi in balans is gehouden met een Nescio-achtige eenvoud. Ik was in elk opzicht enorm verrast door deze rijke roman.

Geven deze twee boeken een alternatief voor het ‘dominante verhaal’? Natuurlijk niet, althans niet rechtstreeks. Wel zetten ze het heden in een ruim historisch perspectief, waardoor allerlei gangbare aannames kantelen en patronen zichtbaar worden. Allebei zetten ze hun journalistieke of natuurwetenschappelijke kennis in, maar ze gebruiken de kracht van de fictie om voorbij de grenzen daarvan te raken. Die verbeeldingskracht brengt ze dichter bij een realiteit van een ander type, die van de ervaringen in overgangsperiodes.

Klimaatverandering komt in geen van deze boeken expliciet aan de orde. Ik weet niet of Geert Buelens ze tot de romans rekent die ermee ‘aan de slag’ zijn gegaan. Ze nemen geen stelling, ze waarschuwen niet. Ze doen wat goede literatuur kan doen: de complexiteit verdiepen, nieuwe verbanden leggen en intussen niet vergeten de lezer te raken met indringende verhalen.