Karl Kraus’ beeldverhaal

De laatste dagen der mensheid

Om de gekte van de Grote Oorlog vast te leggen, schreef Karl Kraus (1874-1936) tijdens de Eerste Wereldoorlog het toneelstuk ‹Die letzte Tage der Menschheit›. De Groene Amsterdammer publiceert de proloog als een beeldverhaal. De tekeningen lopen over in de tekst en vormen er een integraal onderdeel van.

Karl Kraus Pacifist Polemist

De Eerste Wereldoorlog heette in de tijd waarin die zich afspeelde de Grote Oorlog en de tijd waarin die zich afspeelde de Grote Tijd. En hoe meer doden er vielen en hoe meer verminkten en gewonden er van het front terugkwamen, kortom hoe groter de oorlog werd, hoe groter de tijd werd genoemd, in de kranten en in de woorden van de machthebbers en de thuisblijvers. Een van de thuisblijvers was de Oostenrijkse radicaal-pacifistische polemist en enig redacteur van het tijdschrift Die Fackel Karl Kraus (1874-1936), maar voor hem was het allerminst een grote tijd. Gedurende de oorlog schreef hij aan het (ook door hem zelf) onopvoerbaar geachte toneelstuk De laatste dagen der mensheid. Daarin legt hij de machinaties bloot van de oorlogspropaganda van de pers en de massapsychose die ervoor zorgt dat de mensen het idee krijgen dat er voor een rechtvaardige zaak gestreden wordt. In dat opzicht is het net zo goed een Oostenrijks stuk als een Engels of een Frans of een Duits stuk. Kraus haalde zijn inspiratie uit de krant en van de straat. «De onwaarschijnlijkste gebeurtenissen die hier ter sprake komen zijn echt gebeurd; ik heb alleen maar geschilderd wat men deed. De onwaarschijnlijkste gesprekken die hier gevoerd worden, zijn woordelijk zo gesproken; de schrilste verzinsels zijn letterlijke citaten.» Het toneelstuk loopt gelijk op met de oorlog en heeft net als de oorlog zelf weinig dramatische ontwikkeling. Personages komen en gaan als frontsoldaten, bij bosjes en als vliegen, maar het stuk zelf speelt zich nauwelijks aan het front af. Als de kogels ons om de oren fluiten, is dat omdat we meeleven met twee journalisten die aan het front verkeren om een reportage met sfeerimpressies te maken, maar hun frontberichten toch liever in Wenen fabriceren. Een van de terugkerende personages is de vrouwelijke reporter Schalek. Als zij aan het front verschijnt worden er zelfs schermutselingen voor haar op touw gezet.

Elk oorlogsjaar krijgt een bedrijf en het hele toneelstuk bestaat uit 218 scènes en een epiloog. Elke scène heeft een satirische angel: we zien generaals ansichtkaartjes sturen naar de uitbaters van hun stamkroeg, we horen scholieren een krijgshaftige versie van hun ABC-lied zingen, we horen hoe het werkloze personeel van de vermoorde aartshertog Frans Ferdinand wordt afgebekt, we horen hoe gemakzuchtig er over duizenden en nog eens duizenden mensenlevens wordt beschikt en gepraat en hoe er besloten wordt tot een stormaanval zo gauw de soldaten beginnen te morren over hun eten, enz. enz. En allemaal echt gebeurd en het gebeurt nog steeds. Volgens Kraus zou er na deze oorlog geen mensheid meer mogen bestaan. Misschien is dat ook de reden dat hij zich in de laatste jaren van zijn leven over Hitler niet heeft uitgelaten: hij had de wereldondergang al meegemaakt. «Over Hitler schiet me niets te binnen.»

Het voorspel

We schrijven 1914. In Serajevo worden aartshertog Frans Ferdinand, de neef van de Oostenrijkse keizer en zijn troonopvolger, vermoord door een Bosnisch-Servische natio nalist. Ook de vrouw van de aartshertog, Sophie Chotek, komt bij de aanslag om het leven. Dit incident werd door de Oostenrijks-Hongaarse regering aangegrepen om een ultimatum op te stellen dat twee punten bevatte waarvan de Oostenrijkers wisten dat de Serven ze nooit zouden accepteren. Er werd onder andere geëist dat Servië toestond dat Oostenrijkse wapeninspecteurs op Servisch grondgebied met alle volmachten onderzoek konden doen naar de toedracht. Wat normaal een oorlog nog kon verhinderen, een onderonsje tussen de gekroonde hoofden van Europa, was ditmaal onmogelijk omdat de Oostenrijkse ministers voor de begrafenis van Frans Ferdinand niemand uitnodigden (omdat de aartshertog onder zijn stand was getrouwd, was de animo toch al niet groot onder de Europese vorstenhuizen). «Deze oorlog laat ik me niet meer afpakken», aldus de minister van Buitenlandse Zaken Von Berchtold.

De eerste scène speelt zich af in het hart van de Habsburgse metropool, of liever gezegd in een van haar slagaders: de Ringbaan, om precies te zijn op de hoek Ringstrasse- Kärntnerstrasse, de hoek die ook wel Potenz-Ecke heet of Sirk-Ecke, naar het lederwarenbedrijf Sirk dat daar ooit zat. Het is het brandpunt van het uitgaanscentrum van Wenen en het is er een drukte van belang.

Belangrijke data

1903: Door de Verenigde Staten geïnstigeerde revolutie in Panama. De Verenigde Staten kopen het beschikkingsrecht over de kanaalzone.

Oktober 1908: Oostenrijk-Hongarije annexeert Bosnië en Herzegowina. Servië ziet zijn plannen voor een groot Servisch rijk voorlopig doorkruist.

Oktober 1912: De Eerste Balkanoorlog. Servië, Bulgarije, Griekenland en Montenegro verklaren Turkije, de Zieke Man van Europa, de oorlog. Beëindigd met :

Mei 1913: De vrede van Londen. Hele lappen van het Ottomaanse Rijk (Turkije, de Reus op Lemen Voeten) ten westen van de Enos-Midia-lijn en alle eilanden in de Egeïsche Zee gaan in andere handen over. Maar het blijft onrustig in het kruitvat van Europa (de Balkan). Wat resulteert in:

Juni: De Tweede Balkanoorlog. Servië en Bulgarije krijgen mot over de verdeling van de buit. Bulgarije valt Servië aan. Roemenië, Griekenland, Montenegro en Turkije springen voor Servië in de bres. De verwarring is compleet. De landen kunnen zichzelf en elkaar niet meer uit elkaar houden, omdat de staatkundige grenzen niet samenvallen met de etnische, culturele en religieuze grenzen.

Augustus: De vrede van Boekarest. Servië kan zijn groot-Servische droom om de Adriatische Zee te bereiken door toedoen van Oostenrijk-Hongarije wel vergeten. Tijdens de Balkanoorlogen is er druk diplomatiek verkeer tussen de bondgenoten van beide zijden om steun te vragen voor eventuele resoluties en rugdekking voor oorlogsverklaringen die in het verschiet liggen. Duitsland zal Oostenrijk-Hongarije steunen en omgekeerd («mocht het zo ver komen») en Frankrijk en Rusland steunen Servië. Engeland weifelt. De Verenigde Staten nemen een afwachtende houding aan, omdat de Amerikanen hun handen niet willen branden aan het Oude Europa maar vrij willen houden om het Amerikaanse continent hun nieuwe orde op te leggen, bijvoorbeeld met de:

1914: Opening van het Panamakanaal.

28 juni: Moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans-Ferdi nand door een Bosnische terrorist met groot-Servische aspiraties.

28 juli: Het ultimatum van de Oostenrijks-Hongaarse regering aan Servië loopt af. Oorlogsverklaring van de dubbelmonarchie aan de Slavische republiek. Mobilisatie.

3 augustus: Oorlogsverklaring van Duitsland aan Frankrijk.

23 augustus: Oorlogsverklaring van Japan aan Duitsland.

2 tot 5 november: Russische, Engelse en Franse oorlogsverklaring aan Turkije.

23 mei 1915: Oorlogsverklaring van Italië aan Oostenrijk-Hongarije.

EEN OFFICIER: Gegroet Powolny! Wat zegje dervan? Gajemee naar de Gartenbau?

TWEEDE OFFICIER (met wandelstok): Hoezo dat? ’s G’sloten!

DE EERSTE (onthutst): G’sloten?

EEN DERDE: Uitg’sloten!

DE TWEEDE: ’k Zeg ’t je toch!

DE EERSTE: Nou wat zegje d’rvan?

DE TWEEDE: Na dan gaan we toch naar de Hopfner.

DE EERSTE: Vanzelfsprekend — maar ik bedoel, wat zegje van de politiek, jij ben toch slim —

DE TWEEDE: Weetje, dan gaan we toch (zwaait met zijn wandelstok) — een peutje reuring — hemaal niet slecht — kan hemaal geen kwaad — hooxte tijd —

DE EERSTE: Je ben toch ook een rinkelrooier. Weeje, derzal er eentje behoorlijk met z’n gat in de lucht springen, Fallota, die was —

EEN VIERDE (komt er lachend bij staan):

DE TWEEDE: Weeje, dat kanalje heeft lopen intrigeren gewoon.

DE DERDER: Weeje — allicht toch.

DE VIERDE: Helemaal mijn idee — gisteren heb ik me toch een partij gebamboucheerd — ! hebje de prent van Schönpflug gezien, ’n kanjer!

DE TWEEDE: Weetje, die Fallota da is me pas een patriot, die zegt altijd, het is niet genoeg dat men zijn plicht vervult, men moet een patriot zijn zonder omstandigheden. Als die zich wat in z’n kop zet dan is het uit met de worst. Weeje wat ik denk? Datwe zulle moeten zweten die dag. Wat mij betreft dan!

DE DERDE: En hoe zit het met de Hopfner?

De VIERDE: Hé, kenje die twee luitjes daar?

DE TWEEDE: Weetje, die Slepitska van Schlachtentreu, die is verschrikkelijk onderlegd, die leest je de Presse dus uit z’n hoofd van A tot Z, hij zegt die moeten we ook lezen, daar staat, zegt ie, wij zijn voor vrede, zij het niet voor vrede om elke prijs, hè dat is toch zo? (Een buffetjuffrouw loopt voorbij.) Hé kijk dat is het mens wat ik je verteld heb wat ik laatst gratis heb gehad. (De toneelspeler Fritz Werner loopt voorbij.) Heb d’honneur!

DE DERDE: Hé, volgens mij ken ik die niet.

DE VIERDE: Die kenje niet? Gaweg, nemeniet in de maling met die ken ik niet! Dat is toch Werner!

DE DERDE: Mirakels, weetje wat ik me waande, ik waande me dat het Treumann was!

DE EERSTE: Hou op schei uit loop heen! Wie heeft nou ooit Treumann voor Werner aangezien!

DE TWEEDE: Nou zie je, aangezien jij geen logica gestudeerd hebt — hij heeft daarentegen juist Werner voor Treumann aangezien.

DE DERDE: Weetje, nee — wacht even (denkt na). Weetje überhaupt wat mijn idee is? ‘Huzarenbloed’ is beter dan ‘Herfstmanoeuvre’.

DE TWEEDE: Schei uit.

DE EERSTE: Hé, jij bent toch verschrikkelijk onderlegd, dus —

DE VIERDE: Dus natuurlijk was dat Werner!

DE EERSTE: Jij bent toch verschrikkelijk onderlegd —

DE TWEEDE: Hoezo?

DE EERSTE: Ben je al naar de Lachende Echtgenoot geweest? Ken je dan ook Marisjka?

DE TWEEDE: Helaas niet.

DE EERSTE: Ken je ook Storm?

DE TWEEDE: Maar vanzelfsprekend.

DE VIERDE: Kom, blijf niet rondhangen op de Potenz-hoek. We gaan naar de Hopfner, als dan de Gartenbau —

DE DERDE: Ken je ook Glawatsch? (In gesprek af.)

EEN KRANTEVERKOPER (op in looppas):

EEN AGENT: Wat doen we met de aangebroken avond?

EEN TWEEDE: Venedig schijnt open te zijn.

DE EERSTE: Nou mooi, stappen we in een wagentje en rijen we naar Venetië.

DE TWEEDE: Kweenie, ik ben toch wat zenewachtig, voor we hebben gehoord of —

DE EERSTE: Dat horenwe daar wel! In de Imperiaal hebben ze op Melpomene gewed, de godganse dag gisteren hebben ze Melpomene lopen fluisteren. Maar het zijn mieze vogels, u weet toch — Ik heb genoeg leergeld betaald — daar gaat Fischl (hij roept naar de overkant van de Allee.) Fischl, Melpomene?

FISCHL: Wat dacht je dan!

DE EERSTE: Val toch dood.

FISCHL: Na u. Glaukopis — tweede!

EEN WENER (tegen zijn vrouw): Maar ik zal je zeggen, hij was niet geliefd —

EEN OUDE ABONNEE VAN DE NEUE FREIE PRESSE (in gesprek met de oudste abonnee): Mooie boel!

DE OUDSTE ABONNEE: Wat heet mooie boel? (Kijkt om zich heen.) Alles wordt mooier! Er komt weer een tijd als onder Maria Theresia, zeg ik u!

DE OUDE: Dat zegt u!

DE OUDSTE: Als ik het u toch zeg!

DE OUDE: U gezegd! Maar — om Godswil — Servië! Mijn jongste!

DE OUDSTE: Eerstens is oorlog vandaag de dag uitgesloten en dan — juist hem zullen ze nemen! Waarom, hebben ze niet genoeg anderen? (mummelt) God, gij zijt rechtvaardig! Ik — verheug me morgen op het hoofdartikel. Hij zal een taal vinden als nooit tevoren. Hoe Lueger is gestorven, zal er nikx bij zijn. Eindelijk zal hij fris van de lever kunnen spreken, zij het vanzelfsprekend omzichtig. Maar hij zal iedereen de woorden uit de mond halen, zelfs de gojims zeg ik u, en zelfs de hogere gojims en zelfs de hoogste en die in het bijzonder! Hij heeft geweten wat er op het spel stond, hij wel!

DE OUDE: Laten we het niet te hard zeggen. Misschien is het niet waar.

De OUDSTE: Pessimist dat u is! (Beiden af.)

ENIGE BESCHONKENEN (dringen zich door de voorbijgangers): Grut gij Good allamaaltasama! Dood! Dood aan Servia! Hak ’t immekaar! Hoog!

VIER KNAPEN EN VIER MEISJES ARM IN ARM: Hij liet er slaan een lange brug en trok daaroverheen naar stad en vesting Belgeraad —

DE MENIGTE: Hoera! (Fritz Werner komt terug en dankt groetend) Leve Werner!

Juffer Löwenstamm: Ga nu naar hem toe en vraag het hem.

Juffer Körmendy (komt dichterbij): Ik ben namelijk moet u weten een grote fan en zou graag een handtekening — (Werner trekt een notitieblok, beschrijft een blad en overhandigt het haar. Af.) Hij was zo aardig.

Juffer Löwenstamm: Heeft hij je aangekeken? Kom weg uit het gedrang, allemaal vanwege die moord. Ik dweep alléén met Storm! (Af.)

EEN KRANTEVERKOPER: Extra-edietsiiiie — ! Aarsertog Frans Ferdi nand —

EEN INTELLECTUEEL: Kolossaal verlies zal dat wezen voor het theater, het Volkstheater was totaal uitverkocht —

ZIJN VROUW: Mooie verknoeide avond, als we thuis waren gebleven, maar jij, jij bent gewoon niet te houden —

DE INTELLECTUEEL: Ik sta paf van jouw egoïsme, zulk een totaal gebrek aan sociaal gevoelen had ik van jou niet verwacht.

DE VROUW: Je denkt misschien dat het me niet intresseert, natuurlijk intresseert het me, in de Volksgarten eten heeft geen enkele zin, als er sowieso geen muziek is gaan we meteen naar Hartmann —

DE INTELLECTUEEL: Jij altijd met je eten, wie denkt er nu — Je zult zien wat zich daar afspeelt, beuzelarij —

DE VROUW: Als we tenminste nog wat kunnen zien!

DE INTELLECTUEEL: Een begrafenis zal dat worden zoals er nog nooit een is geweest! Ik herinner me nog hoe de kroonprins — (af.)

POLDI FESCH (tegen zijn metgezel): Vandaag wordt er geboemeld — gisteren heb ik met Sasja Kolowrat geboemeld, morgen ga ik boemelen met — (af.)

EEN GENDARME: Links aanhouden, alstublieft links aanhouden.

EEN KRANTEVERKOPER: Reichspost! Tweide eidiesiie! Da moord op het troonopvolgaarspaar!

EEN KLEINBURGER: Leven en laten leven! Nouja dus natuurlijk voor de Wener, voor de kleine man, was het niet goed. Tenminste, dat kan ik je dus uitleggen snap je. Want waarom? De Wener is gewend dat men hem in zijn gewoontes laat. Hij hierentegen — Hadrawa heeft hem een keer herkend, hoe hij op een keer, nouja natuurlijk in zijn cognito was, toen is die notabene naar de Tax gereeje en heeft fooi geven als een pattekulier, maar geen sou meer zeg ik je.

TWEEDE KLEINBURGER: Ga weg!

DE EERSTE: En in de betere zaken heeft hij ook niet meer willen betalen. Dat was me der eentje. Dachtje dat die zich door mensen als wij had laten ringeloren? Die had de vloer met ons aangeveegd! Terwijl wij toch ook leven willen! Nikx heeft-ie eruit laten hangen. Nikx rond het Burg! Nouja dat voel je of niet. Ik zeg, leven en laten leven en daarvoor wil ik sterven. Want waarom? De kleine man —

EEN KRANTEVERKOPER: Extra-edietsiiiie — !

DE KLEINBURGER: Hier met da blaadje! Kostet?

DE KRANTEVERKOPER: Tien Heller!

DE KLEINBURGER: Een brol! Oplichterij! Staat nikx derin. Hé jij — pst — kijkes dat meissie, schoon, wat? Die kommesveur! Die ouwe van mij kan wel inpakken!

TWEEDE: Ga weg man, dat is een protestuee!

EERSTE: Daar moetje kijken, voor het Bristol staan mensen, kom gaan we derheen, dat moet een persoonlijkheid zijn. (Af.)

EEN GENDARME: Alstublieft links aanhouden, alstublieft links aanhouden!

EEN VERSLAGGEVER (tegen zijn metgezel): Hier kun je het beste de stemming peilen. Als een lopend vuurtje, ziet u, heeft zich op de ringbaan het bericht verspreid, waar de golven van de opwinding het hoogst zijn. De vrolijke drukte en bedrijvigheid die zich anders rondom dit tijdstip placht te ontvouwen, verstomde in één klap. Bedruktheid, het gevoel van diepe ontsteltenis, maar vooral stille droefenis, kon men van aller gezichten aflezen. Onbekenden spraken elkaar aan, men rukte elkaar de extra-edities uit de hand. Er vormden zich groepen —

TWEEDE VERSLAGGEVER: Dan wilde ik het zo voorstellen: Op de allee en van de ringbaan zag men groepsvormingen van mensen die de gebeurtenissen bespraken. Gendarmes verspreidden de groepen en verklaarden dat zij verdere groepsvormingen niet zouden gedogen. (Een passagier en een aapjeskoetsier, voor hotel Bristol, krijgen woorden, de voorbijgangers kiezen partij, men hoort foei-geroep.)

EEN KRANTEVERKOPER: Extra-edietsiiiie — ! De troonopvolger en zijne gemalin door samenzweerders vermoord!

DE AAPJESKOETSIER: Maar Ued Gnade! Op zo’n dag! —

(changement.)