De laatste der Bloomsbury’s

Frances Partridge was niet de belangrijkste figuur van de Bloomsbury Group, maar ze leefde lang genoeg om mee te maken dat hun gedachtegoed en werk uit de mode raakten en daarna, vanaf de jaren zestig, ineens een ongekende hype werden. Haar faam dankt ze mede aan een driehoeksverhouding.

ANNE CHISHOLM
FRANCES PARTRIDGE: THE BIOGRAPHY
Weidenfeld & Nicolson, 440 blz., € 22,50

Frances Partridge (1900-2004) was nuchter, praktisch, in het bezit van een goed verstand en het vermogen haar hoofd in alle omstandigheden koel te houden. Als er één ding duidelijk wordt uit Frances Partridge: The Biography, de onlangs verschenen biografie die Anne Chisholm aan deze ‘Bloomsbury survivor’ (zoals ze in de Engelse pers werd genoemd) heeft gewijd, is het dat wel.
Dat gezond verstand kwam haar in haar lange leven goed van pas, om te beginnen toen ze op haar 23ste verliefd werd op Ralph Partridge, een man die emotioneel gesproken veel minder stevig in zijn schoenen stond en zich helaas in een relationeel mijnenveld bevond. Vers terug van de ontberingen van de Eerste Wereldoorlog, waarin hij zich had onderscheiden, was hij verliefd geworden op de biseksuele schilderes Dora Carrington, die zich altijd Carrington liet noemen. Op haar beurt hield zij van de oudere biograaf Lytton Strachey, een van de centrale figuren van de Bloomsbury Group, de groep bevriende kunstenaars en wetenschappers, onder wie Virginia Woolf en J.M. Keynes, die aan het begin van de twintigste eeuw samenkwamen in de Londense Bloomsbury-buurt en aan wier bohémien-levensstijl sindsdien talloze biografieën, films en symposia zijn gewijd.
Als Carrington Partridge meeneemt naar het huis dat zij delen, wordt Strachey verliefd op hem. Gezamenlijk genieten zij van zijn naar verluidt goddelijke lichaam. ‘His thighs are elegant, his private parts enorme’, schrijft Carrington behulpzaam aan Strachey. Intellectueel moet er nog wel aan hem gesleuteld worden, vinden zij beiden. Omdat Carrington bang is om Strachey en hun gezamenlijke leven te verliezen, laat ze zich overhalen tot een huwelijk met Partridge; Partridge en Strachey kopen samen Ham Spray, een huis in Wiltshire, waar ze alledrie gaan wonen. Een wankel evenwicht wordt gevonden.
Enter Frances Marshall. Geboren in 1900, dochter van een welgestelde architect en zijn ruimdenkende vrouw, afgestudeerd in de filosofie te Cambridge en werkzaam in nog zo’n Bloomsbury-hotspot: de boekhandel van Francis Birrell en David Garnett. Ralph Partridge, wiens huwelijk inmiddels in praktische zin weinig meer voorstelt, wordt verliefd op haar en wil zijn leven met haar delen. Maar de achterban te Ham Spray in de steek laten kan hij niet; bovendien laten ze hem niet gaan. Wat moeten ze zonder hem? De drie draaien om elkaar heen, schrijven brieven, spreken elkaar onder vier ogen, manipuleren totdat ze erbij neervallen, zonder dat het veel oplevert. Totdat het trio Frances erbij betrekt. Carrington vraagt haar of ze Ralph niet kunnen delen; Frances schrijft genereus terug dat ze het zich niet anders zou kunnen voorstellen. De knoop wordt doorgehakt: voortaan woont Ralph door de week samen met Frances in Londen, in de weekeinden gaan ze meestal samen naar Ham Spray, waar Carrington en Strachey zich intussen ook met nieuwe minnaars (m en een enkele v) vermaken.
De geschiedenis van de wankele ménage à trois van Strachey, Carrington en Partridge is inmiddels een van de basisingrediënten van de Bloomsbury-folklore. Biografe Chisholm slaat zich er lichtvoetig doorheen: overslaan kan ze haar niet, cruciaal als ze is voor het leven van haar hoofdpersoon, maar door terug te gaan naar de authentieke bronnen (bijvoorbeeld de correspondentie van Carrington en Strachey) lukt het haar om nieuw licht te laten schijnen op dit platgetreden pad.
Na de dood van Strachey aan kanker en de zelfmoord, vlak daarna, van Carrington in 1932 kunnen Ralph en Frances trouwen. In 1935 wordt hun zoon Burgo geboren. Als kinderen van hun tijd richten ze de kinderkamer en die van de nanny zo ver mogelijk van hun eigen vertrekken in; maandenlange vakanties zonder zoon zijn de gewoonste zaak van de wereld en de kleine Burgo dient zijn ouders bij hun voornaam aan te spreken. Al met al heeft hij een jeugd die hij niet zonder kleerscheuren overleeft. Op kostschool lijdt hij aan hevige angsten dat zijn ouders doodgaan en loopt hij keer op keer weg. Freudiaanse analytici moeten soelaas bieden.
In de Tweede Wereldoorlog zijn de Partridges zo principieel pacifistisch dat ze zelfs niet blij zijn als de geallieerden succes boeken. Van concentratiekampen weten ze niks, zal Frances later altijd blijven volhouden, ondanks hun goede contacten. Ze ontvangen vrienden en oorlogsvluchtelingen en bezoeken af en toe Londen, waar ze zonder schuldgevoel oesters eten – want genieten is een triomf voor een pacifist in oorlogstijd. Wel is het moeilijk om personeel te krijgen, zodat Frances zelf aan de bak moet. Voor het eerst in haar leven kookt ze.
Na de oorlog gaat het leven in grote lijnen zo door. Vrienden en vakanties staan centraal, werk in veel mindere mate, zeker voor Ralph. Frances musiceert, vertaalt en maakt de index van de Engelse vertaling van het verzamelde werk van Freud. En ze houdt trouw en gedetailleerd haar dagboek bij. Ze schrijft graag, maar heeft onder ogen gezien dat fictie buiten haar bereik ligt: ‘Actual experience is the only thing that seems to stimulate my imagination.’ Haar leven lang blijft ze het gedachtegoed en de levenswijze van de Bloomsbury-groep bewonderen. Eerlijkheid gaat boven alles. Bij de Partridges thuis doen ze aan low living and high thinking, en gebeurt alles in the open. Kritiek wordt geuit, gedrag geanalyseerd, brieven van vrienden worden aan het ontbijt voorgelezen aan andere gasten en sans gêne besproken; zwemmen doen ze naakt.
In 1960 overlijdt Ralph Partridge aan een hartkwaal; vier jaar later sterft ook Burgo, net een maand vader (moeder van de kleine Sophie was de zeventienjarige Henrietta, een mede-Bloomsbury-kind als dochter van – bent u daar nog? – de reeds genoemde David Garnett en zijn veel jongere vrouw Angelica, dochter van Vanessa Bell en Duncan Grant), heel onverwacht. Frances komt tot de conclusie dat haar leven voorbij is en dat haar niks anders rest dan zich te verliezen in het leven van anderen. Ze verkoopt Ham Spray, vestigt zich in Londen en werpt zich op een druk sociaal leven met veel buitenlandse reizen en binnenlandse logeerpartijen. In plaats van gastvrouw is ze voortaan gast.
Maar haar leven krijgt een onvermoede finale. Interessant aan deze biografie van, laten we wel wezen, een minor Bloomsbury-figuur is dat hierin voor het eerst het leven wordt beschreven van iemand die (zijdelings) bij de groep was betrokken en vervolgens lang genoeg heeft geleefd om mee te maken dat hun gedachtegoed en werk uit de mode raakten en daarna, vanaf de jaren zestig, ineens een ongekende hype werden. Michael Holroyds onverbloemde biografie van Lytton Strachey – Frances steunt hem in zijn streven om daarin geen minnaar onvermeld te laten, baanbrekend in een tijd waarin homoseksualiteit net niet meer strafbaar was – luidt in 1968 de revival van Bloomsbury in. Frances maakt mee dat er boeken vol worden geschreven over haar beste vrienden en haarzelf, dat er een speelfilm (Carrington, 1995) wordt gemaakt over de befaamde driehoek te Ham Spray en haar eigen moeizame incorporatie daarin. Een musical weet ze te verhinderen. Ze krijgt als een van de weinige nog in leven zijnde mensen die de helden daadwerkelijk hebben gekend een dagtaak aan het ontvangen van onderzoekers, biografen en gewone fans (meestal Amerikaanse), het beantwoorden van hun brieven en het corrigeren van hun werkstukken. Haar eigen agenda hierbij is het bijstellen van het in haar ogen verkeerde beeld dat van haar man wordt geschetst, grotendeels gebaseerd op het beeld dat Virginia Woolf van hem geeft in haar dagboeken. Ralph Partridge wás geen dommekracht, zegt Frances keer op keer, hij was juist intelligent en verstandig, zij het, dat moet ze toegeven, weinig ambitieus. Ze profiteert van de overweldigende belangstelling voor de Bloomsbury Group door ook eigen memoires te schrijven; daarna krijgt ze succes met het publiceren van haar dagboeken. Zo begint ze na haar tachtigste nog aan een nieuwe carrière als schrijfster.
‘Dear Frances’, verzucht Angelica Garnett tegen Anne Chisholm, ‘she always had such a healthy mind.’ Dat denkt de lezer van deze biografie ook wel eens, bewonderend en soms ook licht geïrriteerd door zoveel logica en beheersing. Frances Partridge’s verstand weet haar emoties in toom te houden en als dat niet lukt – zoals na de onverwachte dood van haar zoon – zet ze het op een reizen. In toenemende mate wordt ze een rots in de branding voor velen. Haar aantrekkingskracht als gast, reisgenote en vertrouweling moet ook in haar niet-aflatende nieuwsgierigheid hebben gelegen. Als zestiger bezoekt ze de musical Oh! Calcutta! en verbaast zich over het gebrek aan erecties op het toneel. Als het toch over seksuele experimenten moet gaan, kan het wat haar betreft wel wat pornografischer. De experimenten met drugs van haar schoondochter vindt ze niet zozeer shocking als wel ‘boring and mindless’. Tot op hoge leeftijd maakt ze met vrienden reizen naar landen als Spanje, Rusland en India.
Het wekt geen verbazing dat Frances Partridge, de vrouw die zoveel biografen op weg heeft geholpen, nu een eigen biografie heeft gekregen. Ze heeft ook Anne Chisholm alle medewerking verleend. Al weet ze haar kritische distantie te behouden, Chisholm meent dat hun uitgebreide gesprekken Frances’ laatste jaren, die onvermijdelijk moeilijk waren omdat ze in toenemende mate hulpbehoevend werd, hebben verlicht. Doodgaan kostte Frances moeite. ‘I want to die’, zei ze, ‘to get out of the world, but I’m not sure how to do it. (…) One has a life instinct, which struggles.’ In februari 2004 is het zo ver. Haar dagboek heeft ze dan al dan al een paar jaar niet meer kunnen bijhouden.