De laatste druppel

Soms is het voorspellen van de toekomst niet zo moeilijk. Zo weten we nu al met zekerheid dat de mensheid in de volgende eeuw met gigantische watertekorten te maken krijgt. Hele volkeren zullen massaal op de vlucht slaan. En er zullen oorlogen worden gevoerd om water. Maar er is niemand die er wat aan doet.
EEN MENS kan best een tijdje zonder vast voedsel. Pas na een dag of veertien zonder eten begint het menselijk lichaam schade te lijden. En echt merkbare problemen treden meestal pas na een dag of twintig op. Sommige mensen, onder wie de Iraanse hongerstakers in Den Haag, weten zelfs meer dan veertig dagen zonder voedsel te overleven.

Maar zonder vocht kan niemand het langer dan een dag of zes uithouden. Na één dag niets te hebben gedronken begint men al de eerste problemen te krijgen. Na twee dagen treden de eerste ernstige verschijnselen op en op de derde dag begint het lichaam al tekenen van het nadere einde te vertonen. Lichaamsfuncties beginnen uit te vallen en men begint te hallucineren. Zo tussen de vijfde en de zesde dag raakt men in coma.
De mens heeft minimaal één tot anderhalve liter per dag nodig om te overleven. Hoewel de vorm waarin wij het tot ons nemen heel erg kan variëren - met of zonder toevoeging, gekoeld of juist gekookt - is water letterlijk de bron van ons bestaan. ‘Slechts weinigen beseffen wat dat betekent’, betoogde onlangs Henk Saeijs in zijn oratie bij de aanvaarding van het buitengewoon hoogleraarschap Waterkwaliteit en Duurzaamheid aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. 'Water is voor ons leven van essentieel belang. Niet alleen hebben we het nodig om te overleven maar de hoeveelheid die we ervan tot onze beschikking hebben, bepaalt ook in hoge mate de kwaliteit van datzelfde leven.’
NET ALS ANDERE natuurlijke hulpbronnen is de hoeveelheid water echter beperkt. Ruim 75 procent van de aarde bestaat uit water, maar slechts een heel klein deel daarvan is geschikt voor consumptie, landbouw en industriële processen. Zoet water is, hoewel velen vooral in het rijke Westen dat niet lijken te beseffen, een zeer schaars goed. De voorraden, die opgeslagen zitten in gletsjers, ondergrondse waterbekkens, meren en rivieren, zijn niet onuitputtelijk. En de aanvoer in de vorm van regen en sneeuw, ontstaan door de verdamping van zeewater, is allang niet meer voldoende om aan de steeds groeiende vraag te voldoen.
Alle deskundigen op het gebied van de waterhuishouding zijn het er met elkaar over eens dat al in de komende eeuw de zoetwatervoorraden uitgeput zullen raken. Volgens recente schattingen, die op de onlangs in New York gehouden milieutop weer werden bevestigd, zal de helft van de wereldbevolking vóór het jaar 2010 te maken krijgen met waterschaarste. En die mensen zullen niet alleen in de derde wereld wonen. Zoet water, zo luidt de voorspelling, zal zo schaars worden dat het zelfs aanleiding kan gaan vormen voor oorlogen. 'Waterschaarste’, voorziet Saeijs, 'wordt het grootste probleem van de volgende eeuw. Water zal als exportartikel belangrijker worden dan aardolie. Landen als Groenland, Alaska en Noorwegen zullen waterexporteurs worden. Zij zullen wat betreft inkomsten de Arabische sjeiks naar de kroon steken. Water zal duur worden. Er zal om water gevochten gaan worden. Het tekort aan water zal zo'n explosief probleem worden dat de oliecrisis er bij verbleekt.’
Deze verontrustende uitspraak is minder futuristisch dan hij lijkt. In 1994 dreigde de toenmalige Egyptische secretaris van de Verenigde Naties, Boutros Ghali, al met alle middelen te zullen optreden tegen 'landen die de watertoevoer van Egypte willen belemmeren’. Hij doelde op de plannen van zowel Soedan als Ethiopië voor de aanleg van grootscheepse waterwerken aan de bovenloop van de Nijl. Daardoor zou de hoeveelheid water die via deze rivier Egypte bereikt drastisch worden verkleind. En Koning Hoessein van Jordanië verklaarde onlangs nog dat hij in de toekomst geen oorlog tussen zijn land en het buurland Israel meer verwachtte, behalve 'als door onverantwoord handelen van de andere partij onze nationale watervoorziening in gevaar komt’. De dag daarop werd hij in het commentaar van de Israelische krant Ha'aretz eraan herinnerd dat een van de redenen voor de oorlog van 1967 lag in het feit dat Jordanië en Syrië toen samen van plan waren de watertoevoer van Israel een gevoelige klap toe te brengen. Deze twee Arabische staten wilden het water in het stroomgebied van de rivier de Yarmuk geheel voor eigen doeleinden gaan gebruiken. Deze rivier is echter een van de belangrijkste toevoerstromen van het meer van Galilea, waar Israel een groot deel van haar zoet water uit put.
HET MIDDEN-OOSTEN is de regio waar de problemen die de verdeling van het schaarse water met zich meebrengt, zich nu al duidelijk manifesteren. Israel en zijn buren twisten over het water van de Jordaan en de hoeveelheid water die de Arabische landen onttrekken aan de toevoerstromen van het meer van Galilea. Daarnaast heeft Israel een probleem met de Palestijnen over het oppompen van grondwater onder de door Palestijnen bewoonde gebieden. Dan is er ook nog de ruzie tussen Israel en Libanon over het feit dat Israel al het water van de rivier de Litani in het Israelische waterleidingnet laat stromen.
Twee andere landen in de regio, Syrië en Turkije, hebben hooglopende ruzie over het gebruik van het water van de rivier de Eufraat. Turkije heeft in de bovenloop van die rivier enkele dammen gebouwd. Het immense stuwmeer dat daardoor ontstaat moet een groot deel van Zuidoost-Turkije van energie en drinkwater voorzien. Daarnaast moet er met dat water een gebied zo groot als Nederland worden geïrrigeerd. Om het meer te kunnen vullen hebben de Turken al een aantal keren de watertoevoer naar het aan de benedenloop van de Eufraat gelegen Syrië geheel stopgezet.
Syrië heeft ook met een ander buurland grote problemen over het water van de Eufraat. Syrië bouwt op zijn grondgebied in ijltempo stuwdammen in de Eufraat en haar zijrivieren. Het nog verder stroomafwaarts gelegen Irak heeft hiertegen nog onlangs geprotesteerd. Gezien het politieke isolement van dat land sinds de Golfoorlog, werd dit protest echter internationaal vrijwel niet gehoord.
Maar het Midden-Oosten is niet de enige regio waar er problemen zijn. 'Het is nu al zo’, stelt Saeijs, 'dat er 26 landen zijn waar jaarlijks minder dan duizend kubieke meter water per hoofd van de bevolking beschikbaar komt in de vorm van regenval of bronwater.’ Duizend kubieke meter water per jaar per hoofd van de bevolking is volgens de VN de minimale behoefte. In landen waar de input van water lager ligt, heerst volgens deze definitie een watertekort, en dat betekent een ernstige belemmering voor de economische ontwikkeling, de voedselproduktie en het welzijn van de inwoners van dat land.
STRIKT GENOMEN behoort ook Nederland tot de groep van landen met een watertekort. In ons land is de jaarlijkse input nog geen zevenhonderd kubieke meter. Dat lokale tekort wordt gelukkig aangevuld met zoet water uit de grote rivieren en het IJsselmeer, dat als een enorme zoetwaterbuffer fungeert. Maar desondanks is in Nederland een groot tekort aan water. 'Wij gaan’, aldus opnieuw Saeijs, 'totaal onverantwoord met onze watervoorraden om. Wij behoren tot de arme landen wat betreft de input, maar we behoren mondiaal gezien wel tot de grootverbruikers. We gebruiken tussen de vijf- en tienduizend kubieke meter per persoon per jaar. Daarvoor moeten we dus een beroep doen op het grondwater. En dat gaat in een schrikbarend tempo. Sinds 1950 is de grondwaterspiegel gemiddeld ruim twintig centimeter gedaald en in gebieden met intensieve veeteelt wel een meter.’
Grondwater oppompen gebeurt niet alleen in Nederland op zeer grote schaal. Over de hele wereld worden de ondergrondse voorraden snel opgebruikt. Zo is de hoeveelheid water in het grootste ondergrondse zoetwaterreservoir ter wereld - het zogeheten Ogallalabekken dat zich onder het grondgebied van de Amerikaanse staat Texas bevindt - sinds het begin van deze eeuw al met dertig procent afgenomen. En ook de enorme watervoorraden die onder het zand van de Arabische woestijn verborgen liggen, slinken in snel tempo. In Saoedi-Arabië pompt men nu jaarlijks zeven miljard kubieke meter water op. Een natuurlijke reserve die in de loop van miljoenen jaren werd opgebouwd, is in vijftig jaar al bijna helemaal opgebruikt.
Het oppompen van grondwater op grote schaal heeft nog een nadelig effect. Doordat er veel meer water wordt opgepompt dan er op natuurlijke wijze wordt aangevoerd, verzilt het overgebleven grondwater in snel tempo. In sommige delen van Afrika heeft dit proces er al toe geleid dat het grondwater in grote gebieden totaal ongeschikt is geworden voor consumptie.
Veel grondwater is ook onbruikbaar geworden door de toegenomen vervuiling. Jarenlange overbemesting en vervuiling van het oppervlaktewater hebben op veel plaatsen het grondwater aangetast. Die vervuiling is veel ernstiger dan de oppervlaktevervuiling omdat het meestal onmogelijk is eenmaal vervuild grondwater te zuiveren. De onderaardse stromingen zijn vaak nog nauwelijks in kaart gebracht, waardoor lokale vervuiling bovengronds soms het grondwater over enorme afstanden kan aantasten.
'MAAR HET allergrootste probleem is en blijft toch de ongebreidelde bevolkingsgroei’, aldus een Nederlandse woordvoerder van de VN tijdens een onlangs gehouden bijeenkomst over bevolkingsproblematiek. 'Steeds meer mensen die ook ieder steeds meer water gaan gebruiken. Onze grootouders zouden met de huidige minimumnorm van de VN van duizend kubieke meter per jaar heel goed hebben kunnen leven. Wij gebruiken in Nederland al het vijf- tot tienvoudige. En onze kinderen zullen nog weer meer water gaan verbruiken. Maar niemand die zich daar echt druk over lijkt te maken. Het verdwijnen van het tropisch regenwoud en de aantasting van de ozonlaag staan op alle politieke agenda’s. Over het feit dat onze watervoorraden veel sneller afnemen dan de oerbossen of de ozonlaag, hoor je politici of beleidsmakers echter nooit praten.’
Ook op het hoofdkwartier van de UNHCR in Genève werd onlangs de noodklok geluid met betrekking tot het waterprobleem. 'Tussen nu en tien jaar zal het aantal mensen dat om ecologische redenen op de vlucht slaat, het aantal mensen dat om politieke redenen vlucht al hebben overtroffen. En het merendeel daarvan zal op de vlucht slaan omdat er in hun oorspronkelijke leefgebied geen water meer voorhanden is.’
Nu kennen we al heel lang de beelden van stromen vluchtelingen in Afrika die uit door droogte geteisterde gebieden wegtrekken op zoek naar water voor zichzelf en hun vee. Maar de meeste van die vluchtelingen keren weer naar huis terug zodra het regenseizoen heeft ingezet. Wat er nu echter staat aan te komen, zijn grote groepen die definitief zullen vertrekken. Er ontstaan gebieden waar helemaal geen leven meer mogelijk is. Een van de eerste gebieden waar dat nu al het geval is, is de streek rond het Aralmeer. De omvang van dit grootste meer ter wereld is in twintig jaar met ongeveer een derde afgenomen. Oorzaken zijn de aanleg van enorme katoenplantages langs een van de belangrijkste rivieren die in dit meer uitmonden, en het verleggen van een aantal andere toevoerwateren door de Russen in een poging het gebied ten noorden van het Aralmeer economisch te ontwikkelen. Het gevolg is dat er een gebied zo groot als België en Nederland samen is veranderd in een stoffige, hete zoutwoestijn. Flora en fauna rond het meer zijn vrijwel geheel verdwenen en het meer zelf is van een zoet meer langzaam in een zout meer veranderd. Anderhalf miljoen mensen die langs de oever woonden, zijn intussen al weggetrokken. Aan het Aralmeer valt niet meer te leven.
Natuurlijk worden er allerlei initiatieven ontwikkeld om het waterverbruik te beperken. De eerste reclamecampagne van de SIRE over dit onderwerp hebben we in Nederland al gehad. Maar structureel gebeurt er vrijwel niets. Er tikt een ecologische tijdbom, maar iedereen lijkt die te negeren. Water wordt nog altijd gezien als iets dat er gewoon altijd is. Totdat het opraakt, en dan is het te laat.