De laatste generatie der cinefielen

Jonathan Rosenbaum, Placing Movies, the Practice of Film Criticism, University of California Press, Berkeley/ Los Angeles/ London, 1995. Serge Daney, Perseverance: Entretien avec Serge Toubiana, P.O.L., Paris, 1994.
Kort na elkaar las ik het nieuwe boek van Jonathan Rosenbaum en herlas ik het afscheid in boekvorm van Serge Daney. Ik werd getroffen door de verschillen bij zoveel overeenkomsten. Rosenbaum behoort en Daney behoorde tot wat misschien wel de laatste generatie echte cinefielen was. Rosenbaum is van 1943 en Daney van 1944. Aan de hand van de vader respectievelijk de moeder werden ze met de bioscoop opgevoed. De familie Rosenbaum had in het zuidelijke en provinciaalse Alabama een bescheiden bioscoopketen en de kleine Jonny zag letterlijk alles wat er in de jaren vijftig in Hollywood werd gemaakt. De jonge Serge stelde al snel het filmmenu samen dat wekelijks met zijn moeder en oma in de buurtbioscopen van Parijs, cinefiele hoofdstad van de wereld, werd afgewerkt.

Zowel Rosenbaum als Daney werden rond 1960 ondergedompeld door de roes van de nieuwe golf in het filmen. Jean-Luc Godard lapte door zijn overmatige kennis van cinematografische zaken alle regels aan zijn laars, Alain Resnais, Ingmar Bergman en Michelangelo Antonioni verfilmden de onbewuste drijfveren en existentiele twijfels van de moderne mens, Japan werd ontdekt als een wonderrijk van de cinema en dan was er ook nog de jazz als onderhuids bindende factor. Rosenbaum en Daney werden er definitief door getekend en schijnbaar bleven ze dezelfde weg volgen. Vlak voor zijn dood in 1992 richtte Daney het archaisch ogende filmtijdschrift Trafic op en Rosenbaum meldt met trots dat hij bijdragen aan dit literaire en zich bewust in de marge ophoudende tijdschrift heeft mogen leveren. Beiden hebben op hoog niveau ruim twintig jaar lang over film gepubliceerd en beiden zijn daarbij trouw gebleven aan zeer verschillende en zeer uitgesproken cineasten als Jacques Rivette, Jean-Marie Straub & Daniele Huillet, Orson Welles, Samuel Fuller, Jerry Lewis en uiteraard Jean-Luc Godard.
Toch is er een wereld van verschil tussen Rosenbaum en Daney. Voor Rosenbaum lijkt het schrijven over film en vooral het plegen van gedegen en minutieuze research voor dat schrijven een wereld op zich. Zoals hij het zelf formuleert, zal hij niet snel een artikel over een cineast schrijven zonder alles te hebben gelezen dat tot op dat moment is gepubliceerd. En deze archiefrat stopt niet bij de meest toegankelijke bronnen. Orson Welles is daarbij voor hem een ideaal onderwerp: zoveel onvoltooide films, zoveel onopgehelderd materiaal, zoveel tegenstrijdige interpretaties en waarderingen dat weinig mensen door de bomen het bos nog kunnen zien.
Rosenbaum wellicht ook niet, maar dat hindert hem niet bij het in kaart brengen van elke denkbare zijtak. Groot is zijn ergernis bij het lezen van minder goed gefundeerde filmstudies. Regelmatig ontsteekt hij in toorn over de zelfingenomenheid van de machtige Newyorkse critici (zelf schrijft hij voor The Chicago Reader). Voor de aan universiteiten verbonden filmwetenschappers heeft hij een grote minachting; die hebben zo deerniswekkend weinig gezien.
Rosenbaum zoekt feiten en feitjes, maar dit op een persoonlijke en gepassioneerde manier. In dat persoonlijke gaat hij soms zover dat zijn boek, in wezen een bundel artikelen, op bepaalde plekken het karakter van een autobiografie krijgt. En het zijn eigenlijk de mooiste plekken in zijn boek, met als hoogtepunt zijn zowel met haat als liefde getekende portret van de Amerikaanse criticus en schilder Manny Farber.
Hoe anders is (was) Daney. Voor hem is de cinema niet de wereld, maar slechts een geliefd vertrekpunt om de wereld te ontdekken. Waarom snuffelen in vergeelde tijdschriften als de waanzin je via de televisie tegemoet schreeuwt en er nog landen op de globe zijn waar je nog niet bent geweest?
Iets anders. Waarom op deze plaats geen In Memoriam voor Ellen Waller? Omdat ze dat in haar wijsheid en bescheidenheid niet wilde.