Menno Hurenkamp

De laatste god

Ze zien er chic uit, gekleed voor een hoogtijdag. Of misschien zijn het gewoon heel nette mensen. Een Sikh-gezin, vader, moeder en dochter. Moeder en dochter in een wijde broek met daaroverheen een geborduurd lang hemd, vader in zwarte krijtstreep met op zijn hoofd een kleine zwarte tulband. Alles in de vouw, alle knopen glimmend gepoetst. Ze lopen naar het station, kalm maar zo te zien opgewekt. Eén detail roept verwarring op. De man heeft een sjaal om – geen shawl, maar een sjaal. Om precies te zijn zo’n knaloranje hup-holland-hup-sjaal van echte imitatiewol, een originele nylondas zoals Unox die graag uitdeelt tijdens voetbal- of schaatswedstrijden. Het staat, laten we zeggen, mal. Wat betekent die sjaal op dat mooie pak? Het moet haast wel iets tragisch zijn. Mijn eerste gedachte is dat deze man bang is. Hij ziet er anders uit dan de rest, en hij weet dat dit de laatste tijd gevaarlijk is in Nederland. Hij heeft gezien hoe kerken, scholen en moskeeën in brand gingen. Hij weet wie dit volk de grootste Nederlander acht, ondanks een rijk aanbod aan filosofen, wetenschappers en staatsmannen kiest men hier en nu overtuigd voor de Grote Mond. Allicht dat de Sikh hoopt zichzelf en zijn familie te beschermen tegen het rapaille, door een van de cruciale emblemen van de massa zelf om te hangen. Niet als een uiterlijk bewijs van een geslaagde inburgeringcursus, maar als bezwering van de woede die zich de laatste weken makkelijk tegen alles wat vreemd is richt. Niets maakt je immers meer «één van ons» dan de bereidheid om bij een of ander willekeurig sport evenement samen uit je dak te gaan voor de Oranje-afvaardiging. Als ik achter hem ga staan en «boe» roep, begint hij vermoedelijk van pure schrik meteen «laat de leeuw niet in zijn hempie staan» te zingen.

Het zou natuurlijk ook kunnen dat de Sikh bij het verlaten van zijn huis dacht: hè, koud, ik doe effe een das om, en zonder enige over weging zijn hup-holland-sjaal van de kapstok griste. De sjaal die hij nou eenmaal een keer gratis gekregen had. Weggooien is immers zonde. Maar die ons-ben-zuunig-mentaliteit laat zich slecht rijmen met het nette en betrekkelijk modieuze pak van de Sikh. Stel nu dat deze Sikh een beetje gevoel voor humor heeft en bij vertrek uit huis tegen zichzelf zei: «Eens kijken wie hier geen incasseringsvermogen heeft»? Hij had tenslotte net gehoord dat de minister van Integratie moslims hier verweet te weinig grapjes over hun god te verdragen. Niet dat hijzelf veel op had met de moslimgod, integendeel. Maar merkwaardig getimed was zo’n opmerking wel, met de nasmeulende moskeeën nog op de achtergrond. Nederlanders sprongen naar zijn idee zo gespannen met religie om dat het wel bijna op de seksuele revolutie leek, toen iedereen ook voortdurend elkaar de maat moest nemen over het privé-leven. En misschien dat de Sikh na die gedachte nog even mompelde dat dan de moord op Van Gogh eigenlijk een lustmoord was, voordat hij grinnikend het symbool van de laatste god van de Nederlanders om zijn nek knoopte.