Illegaliteit: Vreemdelingendetentie

De laatste halte

Binnenlandse en buitenlandse organisaties hekelen het grote aantal vastgezette illegalen in Nederland, alsmede de omstandigheden. Hoe is het in de gevangenis? Heeft de cel het beoogde effect? En kan het niet anders?

Medium 11845160

Ahmed is 26 jaar en heeft al een heel leven in detentie achter zich. De ietwat schriele jongen zit op een krukje achter het bezoekersschot in detentiecentrum Rotterdam. Ahmed heeft in de zes maanden dat hij hier zit nog nooit bezoek gehad. Wantrouwig kijkt hij rond in de cleane ruimte. Achter het schot in de ontvangstruimte zitten de illegalen, aan de andere kant zit het bezoek. Een familie uit Iran schuift aan bij een zwart gesluierde vrouw, een zus uit Wit-Rusland bezoekt haar broer, verderop fluistert een jong stel met elkaar. Een klein meisje rent heen en weer met een speelblokje in haar hand, zij is de enige die met haar hoge gegil af en toe de stilte in de ruimte doorbreekt. Vier geüniformeerde bewakers houden, samen met camera-ogen, het hele uur alle bewegingen scherp in de gaten.

Ahmed – het is niet zijn echte naam – buigt voorover en vist uit het zakje van zijn blauw met wit geruite blouse wat opschrijfblaadjes en een pen. Het beleid voor bezoekers is extreem streng, niets mag mee naar binnen: papier, pen, telefoon, camera, geld moest ik in een kluisje achterlaten. Ahmed moffelt het papier in mijn handen. Hij heeft iets meegemaakt wat hij wil vertellen en probeert zo te gaan zitten dat de bewakers niet zien dat ik alles opschrijf. Hij is bang dat ze hem bij terugkomst op de afdeling gaan treiteren, hem beperkingen opleggen, in de isoleercel stoppen. Hij heeft iets gezien, een incident, wat de buitenwereld moet weten. Hij praat zacht, fluistert bijna.

Per jaar worden zo’n zesduizend illegalen – inclusief kinderen – opgepakt en in vreemdelingendetentie geplaatst. Op dit moment zijn er vier detentiecentra: Alphen aan den Rijn, Zeist, Schiphol en Rotterdam. Vreemdelingenbewaring valt niet onder het strafrecht, maar is een bestuursrechtelijke maatregel. Anders dan bij voorlopige hechtenis, waarbij iemand pas vastgezet mag worden als hij verdacht wordt van een misdrijf waarop meer dan vier jaar gevangenisstraf staat, kent de vreemdelingenbewaring geen drempel. De vreemdeling kan zo worden opgepakt. Sinds de invoering van de Europese terugkeerrichtlijn per 31 december 2011 mag de vreemdelingendetentie maximaal een half jaar duren, maar in bepaalde gevallen kan dat met nog eens een jaar worden verlengd. In de praktijk is het maximum dus anderhalf jaar.

Ahmed heeft een cel voor zich alleen – een luxe, want 97 procent van de vreemdelingen zit met twee op een cel. Een kleine kamer, van vier bij drie meter, met een stapelbed, douche en toilet, een stoel, tafelblad, waterkoker, magnetron, een kleine televisie en een gesloten raam met dubbel glas. Om acht uur gaat zijn celdeur open, meestal staat hij om tien, elf uur op. Dan gaat hij douchen, maakt koffie, rookt een shaggie en zet de tv aan. Hij krijgt elke dag een zwarte bak met daarin een half bruin brood, precies twaalf sneetjes, wat plakken kaas en worst, theezakjes, koffie, suiker, melkpoeder, een liter melk en een avondmaaltijd. Soms loopt Ahmed wat rond op de afdeling waar een stuk of vijftig mannen gevangen zitten, leest iets, loopt naar de luchtplaats, voetbalt wat. Het is vooral de tijd doorkomen. Om vijf uur gaat de deur weer op slot tot de volgende ochtend, dan warmt hij de maaltijd uit de zwarte doos op. Aardappelen met spinazie en een hamburgertje – dat at hij gisteren.

Op zijn twaalfde kwam hij naar Nederland, vanuit Soedan. Zijn moeder, zusje en broertje waren al hier. Het was eind 1999. Ahmed belandde als ama, alleenstaande minderjarige asielzoeker, in een asielzoekerscentrum in Deelen en kreeg een tijdelijke verblijfsvergunning. Hij ging naar school in Ede, later zat hij in Amersfoort op een roc waar hij mbo-lassen deed. Maar op zijn achttiende ging het mis, hij beroofde mensen op straat en werd gepakt. Hij had, zoals hij zelf zegt, de ‘verkeerde vrienden’ gekregen. In 2007 werd hij veroordeeld voor diefstal met geweld. Hij heeft een jaar in de strafgevangenis gezeten. Daarna werd hij tot ‘ongewenst vreemdeling’ verklaard – dit kan bijvoorbeeld na een veroordeling voor een zwaar misdrijf of als de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Ongewenste vreemdelingen zijn verplicht Nederland te verlaten en zijn bij weigering strafbaar. De rechter kan Ahmed daarom steeds voor zes maanden vastzetten, ook als er geen zicht is op uitzetting.

Sinds hij vrij is, heeft Ahmed al zeven keer in vreemdelingendetentie gezeten: in Dordrecht, in Zaandam op de detentieboot, in kamp Zeist, op Schiphol en in Rotterdam. Tot nu toe is het niet gelukt hem het land uit te zetten; hij wil niet terug en de ambassade van Soedan verstrekt hem geen reisdocumenten. Hij wordt steeds opgepakt en na een paar maanden weer vrijgelaten. Als een kat-en-muisspel. Soms zitten er maar een paar weken tussen. Hij telt de maanden op: 7,5 maand, 21 dagen, zes maanden, acht maanden, drie maanden, acht maanden en nu al weer zes maanden. In totaal al meer dan drie jaar. ‘Ze pakken mijn leven van me af’, fluistert hij. ‘Ik doe niks, ik mag niks. Ik zit hier maar, te wachten. De eerste keer dat ik in de gevangenis zat, was dat omdat ik een delict had gepleegd. Ik zat een straf uit. Hier zit ik voor niets. Dit is veel erger.’

Voor zijn vader en moeder vindt hij het nog erger. Zij lijden meer dan hij, denkt hij. Zij hebben net als zijn broertje en zusje wel een verblijfsvergunning. Ahmed heeft een hechte band met zijn moeder, maar ze woont in Apeldoorn, te ver om hem te bezoeken. Hij belt regelmatig. Hij heeft enorme spijt van wat hij gedaan heeft. Maar dat is achteraf. Ahmed wil zijn leven beteren. Iedereen doet wel eens iets verkeerd, vindt hij. Hij wil zijn opleiding afmaken, werken. Als hij vanuit zijn cel uit het raam kijkt, ziet hij de banen van Rotterdam Airport waar de vliegtuigen stijgen en landen. ‘Ik zou dit niet allemaal doormaken als ik terug wilde’, zegt hij nu iets harder. ‘Ik ben hier opgegroeid, ik heb de Nederlandse cultuur in mij. Voel me Nederlander.’

Nederland kent sinds de Vreemdelingenwet uit 1965 het fenomeen vreemdelingenbewaring, maar in de eerste decennia wordt het nauwelijks toegepast. Vreemdelingen die geen overlast bezorgen worden met rust gelaten. Vanaf midden jaren tachtig komt het vreemdelingenbeleid in beweging: illegalen worden dan geacht het land zo snel mogelijk te verlaten. Detentie wordt gezien als onderdeel van dat proces. Vanaf dat moment begint een sterke groei. In 1989 zijn er zo’n tweehonderd plaatsen, midden jaren negentig zijn dat er 961 en op het hoogtepunt in 2007 3051. De afgelopen jaren halveerde dat onder meer door het afstoten van de beruchte detentieboten. Maar nog steeds heeft Nederland een omvangrijke detentiepraktijk voor vreemdelingen, ook in vergelijking met omringende landen. De afgelopen jaren werden bovendien in zowel Rotterdam als op Schiphol speciaal met het oog op vreemdelingenbewaring nieuwe gevangenissen gebouwd. Voor de komende jaren staan er 1529 detentieplaatsen begroot – dat is veertien procent van het totale aantal detentieplaatsen in Nederland.

Zowel de Nationale Ombudsman als Amnesty International heeft al jaren fundamentele kritiek op de Nederlandse vreemdelingenbewaring. Detentie mag volgens nationale en internationale richtlijnen alleen als ultimum remedium fungeren. ‘Een overheid heeft het recht om te bepalen wie er in het land mag blijven’, verklaart Annemarie Busser, project officer migratie bij Amnesty in Amsterdam. ‘Als lichtere middelen niet toereikend zijn, is vreemdelingendetentie als uiterste middel daarom niet uit te sluiten. Maar in Nederland is het bijna een standaardprocedure.’

Staatssecretaris Fred Teeven van Veiligheid en Justitie noemt tijdens een Kamerdebat in december 2011 de vreemdelingenbewaring ‘nog net geen hotel’, maar binnen- en buitenlandse organisaties hebben ook op het regime in de Nederlandse vreemdelingendetentie veel kritiek. Het enige doel van de bewaring is dat de vreemdeling zich niet onttrekt aan de uitzetting, het is niet bedoeld als bestraffing. Maar, zo stelt de Ombudsman in het opvallend kritische rapport Vreemdelingenbewaring in augustus 2012, vreemdelingen hebben het in sommige opzichten zelfs slechter dan strafrechtelijk gedetineerden. Zo verblijven zij standaard in tweepersoonscellen, zijn ze van 17.00 tot 8.00 uur in hun cel opgesloten, is er geen recht op onderwijs, arbeid of geprivilegieerd bezoek. ‘In het strafrecht heeft een gedetineerde het recht om eens per maand even alleen bezoek te zien’, voegt Busser toe. ‘Waarom moet het op deze manier?’

Ook worden gedetineerden vaak geboeid vervoerd, onder meer naar het ziekenhuis, schrijft de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (cpt) in het rapport naar aanleiding van hun bezoek aan de Nederlandse vreemdelingenbewaring in augustus 2012. Ze noemt dit gebruik ‘disproportioneel’ en vindt dat Nederland dit beleid moet aanpassen. Verder zitten de gedetineerden volgens de Ombudsman en Amnesty buitensporig lang vast, gemiddeld drie maanden. Bij vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard is het vaak nog veel langer. Twintig procent van de vreemdelingen in detentie is volgens cijfers van de Dienst Justitiële Inrichtingen (dji) van het ministerie van Veiligheid en Justitie eerder strafrechtelijk gedetineerd geweest, zoals Ahmed.

Ahmed popelt om te vertellen over het incident. Hij gaat weer zachter praten, werpt een schuine blik op de bewakers, buigt zich nog dieper voorover. ‘Het was 7 januari, een uur of half drie ’s middags’, begint hij. Een Marokkaanse jongen kreeg ruzie met een bewaker, die sloeg vervolgens de zware stalen celdeur dicht terwijl de jongen in de deurpost stond. ‘De jongen gilde het uit; zijn vingers zaten ertussen. Gedetineerden sprongen op de bewaker, schreeuwden, gingen vechten. Het was een drama. Drie vingers hingen los.’ De afdeling is daarna uit elkaar gehaald, drie mannen zijn in de isolatiecel gezet, Ahmed werd drie dagen in zijn cel opgesloten, zonder tv en zonder te luchten. Hij wil een klacht indienen, maar hij is bang voor de bewakers. Hij kan er niet meer van slapen. Het was een afschuwelijk gezicht. ‘We zagen ze hangen.’

De directeur van de vreemdelingendetentie in Rotterdam – hij mag uit veiligheidsoverwegingen niet bij naam worden genoemd – vertelt mij later een andere versie van het verhaal. Volgens hem rende de Marokkaanse jongen een cel in die niet de zijne was, nadat hij dreigende taal had geuit. Hij deed de deur dicht, wat een toezichthouder – de officiële benaming voor bewaker – wilde voorkomen, en de gedetineerde kwam daarbij met zijn vingers tussen de deur. Een vinger was gebroken, van zijn pink was het topje af. Daarna brak er een opstootje uit, iemand greep een toezichthouder bij de keel. Vervolgens zijn er inderdaad mensen op de isoleercel geplaatst en in hun eigen cel opgesloten.

‘Vreemd’, vindt Ariëtte Reijersen van Buuren, projectleider op het meldpunt vreemdelingendetentie van het Landelijk Ongedocumenteerden Steunpunt (los). ‘We zijn namelijk door nog vier gedetineerden gebeld die onafhankelijk van elkaar dezelfde versie als Ahmed hebben gegeven. Ook het verhaal van de Marokkaanse jongen, die vanuit het ziekenhuis is overgeplaatst naar kamp Zeist en inmiddels in detentiecentrum Schiphol zit, wijkt op geen enkel punt daarvan af.’ SP-Kamerlid Sharon Gesthuizen heeft over dit incident Kamervragen gesteld aan de staatssecretaris.

Er is wel vaker onrust, blijkt ook uit de jaarverslagen van de detentiecentra van de afgelopen vijf jaar. Het kan soms broeierig zijn op de afdeling. Zo’n vijf tot tien procent van de – vooral mannelijke – inwoners geeft problemen. Bewakers worden aangevallen of gedetineerden vallen elkaar aan. In de jaarverslagen melden de opstellers soms dat het aantal geweldsincidenten toeneemt als het druk is op de afdeling. ‘Grote aantal orde maatregelen wordt voornamelijk veroorzaakt door hoge bezettingsgraad en volle bezetting gebouw 4’, staat bijvoorbeeld in de toelichting in het jaarverslag uit 2011 van kamp Zeist. ‘Bezettingsgraad is toegenomen = meer spanning’, stelt detentiecentrum Noord-Holland in 2010. Als oplossing wordt vaak een andere bejegening genoemd en meer activiteiten. De bewakers zijn erop getraind, eerst proberen ze met woorden mensen tot bedaren te brengen, in nood komt een speciaal bijstandsteam – een soort ME, met wapenstok en dikke pakken – in actie.

‘Wij kregen het idee dat er veel misstanden plaatsvonden in bewaring’, vervolgt Reijersen van Buuren (los). ‘Om die reden hebben we dit telefonische meldpunt opgericht.’ Per jaar komen er zo’n 120 klachten vanuit detentie binnen. Ze variëren van de hoge kosten om te mogen bellen, verveling, het eten en de bejegening door bewakers. Er is een topdrie van klachten. Op de eerste plaats staat de gebrekkige medische zorg. Mensen voelen zich niet serieus genomen, het duurt dagen voordat ze een arts zien, weken tot maanden voordat ze naar het ziekenhuis mogen. ‘Soms worden mensen, vlak voordat ze naar het ziekenhuis moeten, vrijgelaten. Om financiële redenen, denken wij.’

Wie wel en wie niet in detentie belandt, is vrij willekeurig, ook dat is een van de kritiekpunten. Een klein deel van de gedetineerden wordt aan de buitengrens gearresteerd onder artikel 6 van de Vreemdelingenwet. Zij worden kort vastgezet, het land uitgezet of ze komen alsnog in de open asielprocedure. De andere groep, de grootste, wordt binnen Nederland aangehouden door politie of marechaussee, vaak tijdens controle op bijvoorbeeld illegale arbeid, of bij kaartcontrole in de bus of de tram. Overal kunnen illegalen tegen de lamp lopen. Vervolgens worden ze gedetineerd op basis van artikel 59. Volgens het Amnesty-rapport The Netherlands: The Detention of Irregular Migrants and Asylum-Seekers uit 2008 kunnen ze opgepakt worden als er een ‘gerichte aanwijzing’ is dat iemand illegaal is. Zo kan het ook gebeuren dat ze je gewoon thuis komen halen.

Jessejoy deed de deur open toen er werd aangeklopt bij zijn flat in Den Haag. Het was half drie ’s middags, 10 april 2010. Hij was net terug uit school. Tien jaar was hij. Eerst deed hij voor de zekerheid de deurketting erop, door een kier zag hij in de gang van de flat een stuk of vier mannen staan. De vreemdelingenpolitie, zeiden ze. Ze kwamen voor zijn moeder. Hij wist dat zij, als enige van het Surinaams-Nederlandse gezin, geen papieren had. Jessejoy zei dat ze niet thuis was. Zijn moeder stond in de kamer met zijn vijfjarige broertje. Toen trapte de politie de deur in. Het kettingslot rukte het latje van de deurpost. De mannen namen hem, zijn broertje en zijn moeder mee naar het politiebureau. Samen zaten ze vast in de cel. Daar kwam zijn vader hen later ophalen, maar zijn moeder moest blijven. Hij moet er nog vaak aan denken. Vooral aan die deur, eigenlijk wel elke dag.

Meriam Jeunesse loopt naar de hal en wijst op de deurpost. Die is opnieuw geverfd, maar nog steeds is te zien hoe een deel is verdwenen. Toen ze met haar kinderen en de politie naar beneden liep, stonden de overburen bij de trap. Ze riep nog: ‘Ik ben zo terug.’ Maar ze werd na drie dagen in de politiecel overgebracht naar kamp Zeist. Als om acht uur ’s ochtends hun celdeur openging, kon ze vrij op de afdeling rondlopen. ‘Ver kwam ik niet hoor’, lacht ze. De vrouw zit in haar spijkerbroek met daar overheen een lang, beige vest op de bank in de kamer, haar stugge, donkere haar heeft ze in een staart naar achteren gebonden. In de gemeenschappelijke ruimte keek ze tv, ging wat kletsen. ‘We vertelden onze verhalen aan elkaar. Iedereen zit in hetzelfde parket. De een huilt, de ander troost. De volgende dag is het weer andersom.’ Na twee weken kwam een Congolese vrouw van 21 bij haar op de kamer. ‘Helemaal overstuur. Ik zei: het komt goed. Dat meisje was al vanaf haar tiende hier, ze liep net stage toen ze werd opgepakt.’ Het ergste vond ze dat het raam niet open kon, dat ze geen frisse lucht kreeg. Nog steeds heeft Meriam Jeunesse last van claustrofobie. ‘Je zit echt gevangen, er is niks om je heen, alleen maar bos.’

‘Mijn geval is gewoon een dwaling’, mompelt Meriam Jeunesse. ‘Ik woon al sinds 1997 op dit adres, ik heb kinderen hier. Waarom zou je me gevangen zetten?’ Ze had haar huidige man al begin jaren negentig in Paramaribo leren kennen. Ze was in de twintig. Hij ging naar Nederland, zij volgde in 1997 en trok bij hem in, hier in ditzelfde flatje in Den Haag. Twee jaar later waren ze getrouwd. Hij had toen al een verblijfsvergunning, zij vroeg die aan op basis van ‘verblijf bij partner’. In 2000 werd hun zoontje Jessejoy geboren. Na anderhalf jaar werd haar aanvraag afgewezen. Ze was met een vakantievisum naar Nederland gekomen, en de nieuwe regel – die in 1997 nog niet bestond – was dat ze in Suriname een tijdelijke verblijfsvergunning had moeten aanvragen.

Haar jongste zoontje kruipt bij haar op schoot. Donmero is haar gevangenisbaby. Toen ze aankwam in kamp Zeist, nu twee jaar geleden, werd ze medisch onderzocht. Daar hoorde ze dat ze een paar weken zwanger was. Haar advocate vroeg direct op medische grond vrijstelling aan – bij haar twee zoontjes had Meriam veel last gehad van zwangerschapsvergiftiging – maar kreeg die niet. Meriam bladert door een agenda die een Afrikaanse detentiedominee haar gaf. Ze schreef haar medische klachten erin op: dat ze geen voeding binnenhield, dat ze honger had, vaak ’s nachts, maar dan zat ze opgesloten in haar cel. Uiteindelijk lukte het haar om zelf te koken in de magnetron. Ze dacht eerst dat ze dat niet kon, maar ze leerde het van de vrouwen die er al langer zaten.

28 juli: ‘Dit was een heel slechte dag’, zegt ze terwijl ze in haar agenda kijkt. Ze was ondertussen overgebracht naar detentiecentrum Rotterdam. Ze moest om tien uur bij de rechtbank zijn, had daar zeven uur gezeten. Om half negen ’s avonds ging ze pas terug. En toen kwam het ergste nog: ze werd weer gevisiteerd. ‘Het is echt verschrikkelijk. Het wordt door dames gedaan, dat wel, maar je voelt je zo’n crimineel. Het is zo gênant.’

Visiteren gebeurt standaard bij binnenkomst, vaak na transport en soms na bezoek. ‘Concreet houdt dit in dat de vreemdeling zich uit dient te kleden en zich naakt wijdbeens voorover dient te buigen, zodat de badmeester of bewaarder introspectie in de anus heeft’, schrijft Reijersen van Buuren in een artikel voor het tijdschrift Asiel en Migratierecht. ‘Een gedetineerde van het vrouwelijke geslacht dient ook tien kniebuigingen te maken, zodat eventueel in de vagina verborgen voorwerpen te voorschijn komen. In bepaalde gevallen kan gevraagd worden de billen uiteen te trekken, hierbij geldt als uitgangspunt dat er geschouwd, maar niet getoucheerd mag worden. Wanneer de vreemdeling weigert om zich te laten visiteren of verzet pleegt tegen de betrokken functionaris, leidt dit doorgaans tot een disciplinaire straf. Deze straf kan bestaan uit een opsluiting in een strafcel, ontzegging van bezoek voor ten hoogste vier weken, uitsluiting van deelname aan een of meer bepaalde activiteiten voor ten hoogste twee weken of een geldboete. Dit geldt echter niet indien geweigerd wordt om de bilspleet te openen, dan is de controlerende ambtenaar volgens de Beroepscommissie bevoegd om deze handeling zelf te verrichten.’

‘Het behoeft weinig uitleg dat bovenstaande procedure een grote impact heeft op de gedetineerde vreemdeling en niet zelden psychische schade voor de betrokkene met zich meebrengt’, besluit Reijersen van Buuren. Terwijl het, zo benadrukt ze, maar weinig oplevert – sporadisch wordt iets gevonden, zelden drugs, meestal sigaretten of wat geld.

29 juli: ‘Die duivels wilden me als crimineel vervoeren. Tuurlijk mie saka grie deng – ik heb ze op hun donder gegeven’, schreef Meriam Jeunesse in haar agenda. Ze zou in verband met haar zwangerschap naar het ziekenhuis gaan voor controle. Maar ze mocht alleen geboeid de wagen in, dat weigerde ze. Toen werd ze terug naar haar cel gebracht. ‘Ik kan begrijpen dat er regels zijn, maar als je mensen gevangen zet, geef ze dan wel een menswaardige behandeling. Als illegaal heb je verder niets gedaan.’

30 juli: ‘Relaxte dag. Wang Tjaina loesoe, wan kondrumang daro – er is een Chinese vertrokken en een landgenote binnengekomen.’

Na vijf maanden, op 5 augustus, wordt ze vrijgelaten. Haar man en haar twee zoontjes komen haar ophalen. Haar buik is ondertussen uitgegroeid tot een flinke ballon. Ze belt direct de huisarts. Ze blijkt 22 weken zwanger, is drie kilo afgevallen en haar bloeddruk is te hoog. Haar kinderen heeft ze in al die vijf maanden maar één keer op bezoek gehad. Ze miste ze verschrikkelijk, zo was ze er niet bij toen op 4 juni Rashaun, haar tweede zoon, voor het eerst op schoolreis ging. Dat haal je nooit meer in, zoiets. Ze huilt niet makkelijk, maar toen liepen de tranen over haar wangen. Ze zat daar. Ze had daar bij willen zijn, welke moeder wil dat niet? In Rotterdam kon ze wel, in tegenstelling tot in Zeist, bellen vanuit haar cel. Zo kon ze haar kinderen even spreken voordat ze naar bed gingen. Ze doen het nu goed op school. Daardoor heeft ze toch het gevoel dat ze iets nuttigs heeft gedaan de afgelopen jaren. Al vanaf 1997 mag ze niet werken, mag ze geen opleiding volgen. Ze is nu 45 jaar en wacht al zestien jaar op een verblijfsvergunning. Haar zaak loopt nog, het Europese Hof heeft haar beroep onlangs ontvankelijk verklaard. Jessejoy wil later rechter worden, vertelt ze trots. ‘Hij wil deze mensen helpen.’

Het lukt lang niet altijd om mensen vanuit detentie het land uit te zetten. Sinds 2011 is het percentage geslaagde uitzettingen vanuit detentie volgens de Dienst Justitiële Inrichtingen gestegen. Voorheen lukte het slechts in de helft van de gevallen – een kwart daarvan keerde terug naar het land van herkomst en een kwart vertrok, via de Dublin-regeling, naar een ander EU-land. In 2012 werd 64 procent succesvol het land uitgezet, hiervan ging tien tot vijftien procent naar een ander EU-land, dus zo’n vijftig procent naar het land van herkomst. Deze toename ligt deels aan de extra inspanningen van de Dienst Terugkeer en Vertrek (dt) en de Internationale Organisatie voor Migratie die mensen begeleidt bij vrijwillige terugkeer, deels volgt ze uit het feit dat er minder mensen in bewaring worden gezet van wie al van tevoren vaststaat dat gedwongen terugkeer vrijwel onmogelijk is, zoals op dit moment bij Chinezen en Irakezen het geval is.

Een derde van de gedetineerden werd volgens de cijfers van de dji in 2012 na een aantal maanden zonder papieren weer terug op straat gezet – geklinkerd heet dat in de wereld van illegalen en hun bewakers. Onderzoek wijst uit dat de kans op uitzetting afneemt naarmate vreemdelingen langer gedetineerd zijn. Van de vreemdelingen die langer dan drie maanden vastzitten, wordt nog maar veertig procent uitgezet, volgens dt. Na zes maanden is de kans op gedwongen terugkeer naar het thuisland nog ongeveer twintig procent. De duur scheelt ook per herkomstland: sommige nationaliteiten zijn makkelijk uit te zetten. India en Algerije geven minder makkelijk een laissez-passer af, hun onderdanen zitten gemiddeld zes maanden in bewaring.

‘Help ons, help ons.’ Drie mannen op de intake-afdeling in Rotterdam hangen in de bank bij de tv. Een van hen steekt zijn armen naar mij uit. ‘Ik woon al elf jaar in Nederland’, roept hij met hoge stem. ‘Help ons.’ De directeur is het gewend. Hij loopt onverstoorbaar door naar de volgende afdeling voor de rondleiding door het Rotterdamse detentiecentrum. Hij wil graag laten zien hoe het eruitziet, dat het niet zo erg is als vaak wordt gedacht. Hij benadrukt dat ze steeds meer hun best doen om de detentie humaner te maken. Voorheen, toen het opsluitingsbeleid van illegalen onder minister Rita Verdonk (vvd) begon, was het regime gevangenisachtig en sober, onder staatssecretaris Nebahat Albayrak (pvda) is een humaner beleid ingezet.

In de betegelde gang staan overal blauwe plastic zakken vol persoonlijke spullen, een stuk of vijf mannen die net zijn opgepakt worden door geüniformeerde bewakers een wachtkamer in geleid, de deur gaat op slot. Als je hier belandt, dan zit je, zoals de Rotterdamse detentiedirecteur het noemt, bij ‘de laatste halte’. Dan is het over en uit met Nederland. In de ruimte staat naast de tv een diascherm waarop beelden van het detentiecentrum te zien zijn en waarop duidelijk wordt gemaakt wat er gaat gebeuren. Ze zijn vaak wantrouwend als ze binnenkomen, zegt de directeur. Hun taak is het om ze tot rust te brengen, onder meer door heldere informatie te geven, maar wel op een vriendelijke manier. Hij vergelijkt het met de wachtkamer van de tandarts: het is niet leuk, maar het moet toch.

In Rotterdam is plaats voor zeshonderd mensen. Op dit moment zitten er zo’n 340, dat is weinig, gemiddeld is de bezetting hoger, het hangt af van hoeveel mensen de vreemdelingenpolitie oppakt. De rondleiding voert langs de YouTube-ruimte – hier kan bijvoorbeeld een Afghaanse zanger op het scherm gebeamd worden, er kan gedanst en gezongen worden. Daarnaast zit de crea-afdeling, de bibliotheek – met kranten uit talloze landen –, de fitnessruimte. Alles ziet er glimmend, mooi en verzorgd uit. De activiteiten mogen per onderdeel slechts een uur per week worden bezocht. De gangen zijn breed, hoog en kijken via smalle langwerpige ramen uit op de luchtplaats. Hier mogen ze vier uur per dag verblijven. Een gedetineerde is buiten in kleine rondjes aan het joggen.

Orde, rust en veiligheid: dat is waar de directeur naar streeft. Op de gezinsafdeling rennen drie kleine kinderen door de gemeenschappelijke binnenruimte naar hun moeder aan tafel. Rondom zijn de cellen: een laag beneden en een laag op de eerste etage. Het regime van de gezinsafdeling is wat vrijer. De deur naar hun luchtplaats is bijvoorbeeld altijd open. Op de gezinsluchtplaats staan twee speeltoestellen op kunstgras tussen een rij grijze tegels. De luchtplaats wordt afgeschermd door een metershoog stalen hek, daarachter loopt een vluchtgang, daaromheen staat een nog veel hogere donkergrijze muur met prikkeldraad erop. Ontsnappen is vrijwel onmogelijk. Het is dan ook nog nooit gebeurd.

De directeur stapt voort, langs de medische dienst, waar drie psychologen, een psychiater, verpleegkundigen en een huisarts zitten. Veel mensen uit andere culturen zijn gewend om voor het minste of geringste pijnstillers en slaapmiddelen te krijgen, zo nuanceert de detentiedirecteur de vele klachten over de medische zorg. Dat vragen ze hier ook. Maar in Nederland geven we dat niet zo makkelijk. En soms is het inderdaad ook zo dat de kwaal niet urgent is, vervolgt de detentiedirecteur, en dat die ook over een paar maanden, als ze terug zijn in het herkomstland, behandeld kan worden.

Via de gang naar de bezoekersruimte leidt de directeur ons ten slotte naar de isolatieafdeling. Twee rijen van 24 witte stalen deuren: aan de ene kant de isoleercellen, ertegenover de luchtcellen. Bij vier ervan staan een paar schoenen voor de deur: daar zitten mensen in. De directeur is geen fan van de isoleercel. Maar soms kan hij niet anders. De lege cel heeft een oranje vloer, gebroken-witte muren, een klein, hoog raam met matglas, tegen de muur staat een matras van dik plastic. Alles waar iemand zich aan of mee kan verwonden is weggehaald. Met camera’s kunnen gedetineerden 24 uur in de gaten worden houden.

‘Mensen worden vaak al na kleine incidenten voor lange tijd in de isoleercel gezet’, vindt Ariëtte Reijersen van Buuren. De isoleercel staat op de derde plaats van de klachten-topdrie die bij los binnenkomt, na de bejegening door bewakers. ‘Je raakt heel erg gedesoriënteerd. En je spreekt niemand, mag er niets doen.’ Het gebruik van de isoleercel leidde in verschillende (internationale) rapporten tot kritiek. De rapporteurs van het Europees Comité voor de Preventie van Marteling (cpt) constateerden bij hun bezoek dat ook hongerstakers systematisch in de isoleercel werden afgezonderd, dat zij ook verplicht scheurkleding moesten dragen en er strafmaatregelen werden toegepast. Het cpt vroeg daarom in het rapport van augustus vorig jaar de Nederlandse regering om uitleg.

Uit een Kamerbrief van staatssecretaris Fred Teeven in januari 2013 blijkt dat jaarlijks zo’n negenhonderd gedetineerde vreemdelingen worden opgesloten in een isoleercel. Op grond van een ordemaatregel zitten mensen er gemiddeld zeven dagen en op grond van een disciplinaire straf gemiddeld zes dagen. Volgens SP-Kamerlid Sharon Gesthuizen, die dit aantal ‘buitenproportioneel veel’ noemt, gaat het in negentig procent van de gevallen om mensen met psychische klachten. De Inspectie voor de Volksgezondheid drong er al eerder op aan om psychiatrische patiënten niet meer in de isoleercel te plaatsen.

‘Plaatsing in de isoleercel kan ingrijpende psychische gevolgen hebben’, bevestigt psychiater Kees Laban, hoofd behandelbeleid bij De Evenaar, Centrum voor Transculturele Psychiatrie GGZ Drenthe. ‘Concentratieproblemen, psychoses, paranoia.’ Het aantal gedetineerden met psychische problemen is verhoudingsgewijs groot. Een lange asielprocedure maakt mensen psychisch ziek, concludeerde Laban na het onderzoek voor zijn promotie in 2010. Hij vergeleek twee groepen Iraakse asielzoekers, een groep die net in Nederland was aangekomen en een groep die twee jaar of langer in Nederland was. Van de eerste groep kampte veertig procent met één of meer psychische stoornissen. Bij de tweede groep was dat 66 procent. De stress van het lange wachten bleek een groter risico te geven op psychische problemen dan de schokkende levensgebeurtenissen die ze in het thuisland hadden meegemaakt, inclusief martelingen. De meest voorkomende problemen waren depressies, angststoornissen en posttraumatische stressklachten. ‘We voegen hier nieuwe trauma’s toe aan de oude.’

Daoud Selim Kamal (niet zijn echte naam) lag nog te slapen toen de vreemdelingendienst op zijn deur klopte. ‘U moet Nederland verlaten’, zeiden ze en namen hem mee naar het politiebureau. De kleine, verlegen, dertigjarige man zit in een glimmend zwart jack met nepbont aan de capuchon tegen de muur geleund in een kamertje van het Amsterdamse vluchtelingensteunpunt askv. De Iraakse Koerd, een dorpeling uit het noorden van Irak, analfabeet, verborg zich met een paar anderen op z’n 25ste in een vrachtwagen. In Nederland stapte hij uit en vroeg asiel aan. Hij begon in Ter Apel, daarna zat hij in Gulpen, toen in AZC Grave en na nog een aantal plaatsen kwam hij drie jaar later in AZC Den Helder. Hij was inmiddels uitgeprocedeerd, afgewezen en moest zich wekelijks melden.

Hij had veel psychische klachten en pijn vanwege de messteken die een kamergenoot hem in AZC Grave had toegebracht. De man was, terwijl Daoud stond te koken, van achteren op hem af gekomen en had hem zes keer met een mes gestoken. Een Afghaanse man had hem daarna bewusteloos op de vloer gevonden. De dader werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Daoud werd met spoed naar het ziekenhuis in Nijmegen gebracht. Zijn arm is nooit meer hersteld, hij kan hem niet goed bewegen en heeft altijd pijn. Ook is hij angstig geworden, omdat hij niet weet waar hij aan toe is. Eerst die steekpartij, en nu moet hij terug naar Irak. Hij heeft nachtmerries en is depressief. Hij slikt medicijnen en heeft een paar keer per maand een gesprek bij de psychiater.

In de politiecel in Den Helder dacht hij: ik ben liever dood dan dat ik word teruggestuurd. Hij dacht aan zelfmoord, en besloot in hongerstaking te gaan. Na drie nachten in de cel werd hij in een gesloten busje, met handboeien en een broekstok, naar detentiecentrum Kamp Zeist gebracht waar hij direct in de isolatiecel belandde. Overal waren camera’s die hem in de gaten hielden, zelfs als hij op de wc zat. Hij moest zijn kleren uitdoen en kreeg ‘een lange jurk’ – een scheurhemd – aan. Hij had het koud, maar hij kreeg geen dekens. Pas ’s avonds om acht uur gaven ze die, maar ze namen die ’s morgens weer weg. Er was een matglazen raam. Hij kon niet naar buiten kijken. Om een uur of tien ’s avonds ging pas het licht uit, er was geen lichtknopje. Daarna was het pikkedonker. Om hem heen hoorde hij af en toe geschreeuw. ‘Ik was helemaal de weg kwijt.’

Na vier dagen werd hij overgeplaatst naar een gevangenisziekenhuis in Den Haag. Ze zeiden dat hij als hij weer ging eten naar een gewone cel in Zeist mocht. Hij at en weer werd hij overgebracht, weer met handboeien en broekstok, terug naar Zeist. Hij was er slecht aan toe, zowel geestelijk als lichamelijk. Hij kreeg een kamer alleen, zonder koelkast en tv. Hij lag op bed en keek naar het plafond. Hij nam dagelijks zijn medicijnen tegen de nachtmerries. Hij was heel bang dat ze hem weer in de isoleer zouden stoppen. ‘Je denkt dat je geen macht hebt’, zegt hij moedeloos en monotoon. ‘Ik heb niks misgedaan in de maatschappij. Je denkt dat je geen waarde hebt.’ Na twee maanden en drie dagen werd hij vrijgelaten, nog steeds zonder papieren. Nu woont hij in een kamer, door bemiddeling van het askv, ergens in de Bijlmer. Op 19 maart komt zijn zaak weer voor bij de vreemdelingenrechter. Daar richt hij nu zijn hoop op.

‘Trigger’, staat er in het midden van het witte memobord aan de muur van de werkkamer van psychiater Kees Laban in het Drentse Beilen. De rustige, rijzige man legt de verschillende vormen van therapie uit die hij aan zijn cliënten – illegalen, vluchtelingen, asielzoekers en afgewezen asielzoekers – geeft. Hij ontdekte dat veel van zijn patiënten niet te maken hadden met een posttraumatische stressstoornis, maar dat ze er juist middenin zaten. ‘Er was geen post’, verklaart Laban. ‘Dat vergde een andere behandeling, want er is geen rust en veiligheid die normaal bij post hoort.’ Hij schrok er ook van. ‘Ik ontdekte dat voor veel illegalen en asielzoekers hun tijd hier uitermate traumatiserend en stresserend is. Ze worden ziek van Nederland.’

Soms verdwijnen Labans patiënten opeens. Dan zijn ze opgepakt en naar detentie gebracht. Vaak staan ze dan na een paar maanden weer op de stoep. En dan zijn ze er veelal slecht aan toe. Zo had hij een patiënt die in detentie een paniekaanval kreeg. Dat werd gezien als rebellie en hij werd in de isoleercel gestopt. Daar heeft hij grote angsten meegemaakt, alles kwam terug. ‘We hebben hem hier moeten opnemen op de afdeling en begonnen weer bij nul: bij bed, bad, brood.’ In zijn praktijk komen mensen die hier al heel lang zijn, soms meer dan tien jaar. Ze worstelen met gevoelens van onrechtvaardigheid, vernedering, onmacht, buitengesloten zijn. ‘Het doet iets met je menselijke waardigheid. Die waardigheid proberen we als behandelaar weer een beetje op te krikken.’

Laban merkt dat het beleid ten opzichte van vreemdelingen steeds strenger wordt. ‘Ik ben psychiater, ik zie mensen lijden. Er vallen te veel mensen tussen de wal en het schip.’ Hij heeft, zegt hij, de criteria zien opschuiven: ‘Ik zit in een constant gevecht met de ind: hoe ziek iemand is, hoe suïcidaal hij is, of hij in het land van herkomst behandeld kan worden, of iemand kan reizen. We sturen hen op hun verzoek informatie over aard en ernst van de psychiatrische problemen. Voorheen leidde dat nog wel tot een verblijfsvergunning, nu zien we dat nog maar zelden.’

‘Vreemdelingendetentie is niet als straf bedoeld, maar in de praktijk spelen er wel degelijk strafelementen mee’, stelt Arjen Leerkes, universitair docent sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. ‘Het gebeurt misschien wel op een humane manier, maar het is een gevangenis. Het is ook bedoeld als stok achter de deur om mensen ertoe te bewegen vrijwillig terug te keren of om mee te werken aan het uitzettingsproces.’ Maar, zo benadrukt hij, er is geen enkel bewijs dat detentie inderdaad de uitzetting versnelt: ‘Wat vooral effect heeft op terugkeer zijn niet-beïnvloedbare zaken, de omstandigheden in het land van herkomst bijvoorbeeld. Het blijkt gewoon heel moeilijk om migratie te forceren. Er is een reflex in de maatschappij dat er gestraft moet worden, terwijl dat niet erg succesvol is.’

Een plaats in vreemdelingendetentie kost volgens de rijksbegroting ongeveer tweehonderd euro per dag per gedetineerde. Dit bedrag is los van kosten voor juridische bijstand, schadevergoedingen voor onterechte detentie – zo’n honderd euro per dag per persoon –, het vervoer, de vluchten en andere aanverwante zaken. In 2012 was het totale budget dat gemoeid was met de detentie van illegalen 155 miljoen euro. In de begroting voor het komende jaar daalt dat naar 144 miljoen euro, maar het ministerie van Veiligheid en Justitie moet nog eens ruim honderd miljoen euro bezuinigen. De komende jaren wil de dji naar een bezettingsgraad van rond de negentig procent, zo meldt de rijksbegroting voor 2013. Nu is dat zeventig procent. Dat zal effect hebben op de druk op de centra, en op de spanningen. Staatssecretaris Teeven zal eind maart bekendmaken welke extra bezuinigingsmaatregelen hij gaat nemen binnen de dji.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat alternatieven voor detentie niet alleen humaner, maar ook vaak goedkoper zijn. In Zweden sluiten ze bijvoorbeeld nauwelijks illegalen op en het effect lijkt hetzelfde. Wat goed blijkt te werken, schrijft Amnesty in het rapport Vreemdelingendetentie in Nederland: Het moet en kan anders in 2011, is de combinatie van begeleiding en opvang. ‘Ze moeten belang hebben bij het contact’, verklaart Annemarie Busser. ‘Dan blijven ze in beeld en is er ruimte om aan een perspectief te werken. Een gezond iemand denkt eerder aan terugkeren.’ Een elektronische enkelband, meldplicht, meer open centra, een borgsom betalen. ‘Alle alternatieven zijn goedkoper’, zegt ook Leerkes. Hij berekende dat elektronische bewaring veertig euro per dag zou kosten. Volgens de toenmalige cijfers – het was een paar jaar geleden – zou dat op jaarbasis de staat 65 miljoen euro besparen. ‘In Amerikaans onderzoek blijkt de effectiviteit van enkelbanden hoog.’

Voormalig minister Gerd Leers startte een aantal pilots als alternatief voor vreemdelingendetentie. Maar de Ombudsman is kritisch omdat ze op kleine schaal worden uitgevoerd, betrekking hebben op specifieke doelgroepen en bovendien voor korte duur zijn, zo meldt het rapport uit 2012. Een aantal politieke partijen in de Tweede Kamer heeft nu om verbreding van de alternatieven gevraagd. ‘We hopen dat er wat zal verschuiven’, besluit Annemarie Busser van Amnesty. ‘Voor het zomerreces moet staatssecretaris Teeven reageren op het Ombudsman-rapport. Dan wordt een nieuwe Kamerbrief van hem verwacht.’

Volgens Arjen Leerkes heeft vreemdelingendetentie ook een symboolfunctie: ‘We hebben het niet over heel veel mensen, maar er wordt wel heel veel over gesproken. Het gaat uiteindelijk om de vraag wie er bij ons hoort en wie niet. En hoe we in Nederland met illegalen willen omgaan.’

Het bezoekuur in Rotterdam is voorbij. Ahmed heeft net te horen gekregen dat zijn detentie in Rotterdam is verlengd met nog eens maximaal twaalf maanden. De rechter achtte het zicht op uitzetting nog aanwezig. Vooral dat hij niet weet hoe lang hij nog moet zitten, vindt Ahmed zwaar.

De bewakers manen de gedetineerden achter het schot op te staan. Ahmed steekt de pen in de borstzak van zijn blouse. Hij drentelt langzaam richting de zijdeur, draait zich nog even om, zwaait en lacht vertwijfeld. Dan verdwijnt hij het afgesloten gebouw in, samen met de andere illegalen.

Met medewerking van Reinier Bijman


Wie zijn de gedetineerde vreemdelingen?

De meeste gedetineerden zijn mannelijk (88 procent in 2010) en jong: veertig procent bestaat uit twintigers, de gemiddelde leeftijd is 33 jaar. In 2010 zaten 41 minderjarigen in detentie. Kinderen die in speciale ‘gezinsafdelingen’ zitten zijn officieel niet in bewaring gesteld, maar verblijven daar als ‘logé’ bij hun ouders. In 2011 werden bijvoorbeeld in detentiecentrum Rotterdam 174 gezinnen, met 324 ‘logerende’ kinderen, gemiddeld acht dagen opgesloten.

De nationaliteit van gedetineerden wisselt. De herkomstlanden China, Marokko, Turkije, Somalië en Irak scoren meestal hoog. Politieke ontwikkelingen hebben een grote invloed op deze cijfers: als het categoriaal beschermingsbeleid voor Somaliërs vervalt, stijgt hun aandeel in bewaring. Een ander voorbeeld: als de Raad van State in 2008 bepaalt dat Chinezen alleen nog gedetineerd mogen worden als de kans op uitzetting reëel is, valt hun aandeel terug. Chinezen zijn erg moeilijk uitzetbaar.

Van de in 2010 gedetineerde vreemdelingen heeft 27 procent al eerder tijd in vreemdelingenbewaring doorgebracht. Dertig procent zat twee of drie keer, negen procent (213 personen) vier keer of vaker. Het record werd dat jaar gehaald door twee illegalen die beiden elf keer eerder in vreemdelingenbewaring hadden gezeten.


Strafbaarstelling van illegaal verblijf

Het wetsvoorstel strafbaarstelling illegaal verblijf ligt momenteel in de Kamer. Het idee stamt al uit 2002, het jaar van het kabinet met CDA, VVD en LPF. In het huidige voorstel wordt de Vreemdelingenwet uit 2000 aangepast zodat onrechtmatig verblijf in Nederland als overtreding geldt. Een overtreding die bestraft wordt met een geldboete van maximaal 3900 euro, en als die boete niet betaald wordt met detentie. Dat moet het illegaal verblijf onaantrekkelijk maken en zo preventief werken.

Er is veel kritiek op het wetsvoorstel. De Raad van State vindt dat het voorstel nader overwogen dient te worden omdat het weinig toegevoegde waarde heeft – de gewenste maatregelen zijn ook onder de huidige wetgeving mogelijk en vreemdelingen met een inreisverbod of een ongewenstverklaring zijn al strafbaar – terwijl het wel onwenselijke maatschappelijke gevolgen heeft. De Raad van State waarschuwt voor de neveneffecten: uitgebuite vreemdelingen zullen zich minder snel durven melden als gevangenisstraffen dreigen. Er zullen voor dit soort gevallen weer uitzonderingen gemaakt moeten worden. Kortom, het is symbolische wetgeving die leidt tot nieuwe gedoogconstructies. Staatssecretaris Fred Teeven wilde het voorstel ondanks de kritiek niet heroverwegen en legde het aan de Kamer voor. Andere critici noemen nog meer bezwaren: het voorstel criminaliseert en marginaliseert de vreemdelingen (nog verder). Bovendien is eerder illegaal verblijf een afwijzingsgrond in de asielprocedure. Iemand die vergeten is zijn verblijfsvergunning te verlengen, of die via mensenhandel hier is gekomen, zou geen kans meer maken op een verblijfsvergunning. De European Committee for the Prevention of Torture stelde de Nederlandse regering vragen over de consequentie van strafbaarstelling voor de gevangenispopulatie: hoeveel mensen komen daardoor extra in vreemdelingendetentie? Justitie kan daar op dit moment nog geen uitspraak over doen. (RB)

Maarten Hartman / HH
Detentiecentrum, Alphen aan den Rijn