Profiel: Jan Hollak 1915-2003

De laatste hegeliaan

Half Dali, half zichzelf. Zo uitgedost begaf de filosoof Johannes Hermanus Antonius Hollak zich naar het gekostumeerde bal. Een bevriende grimeur had hem de karakteristieke snor van de surrealistische kunstenaar aangemeten. De halve snor welteverstaan. Hollak wilde verkleed gaan als «schizofreen». Half surrealist, half realist. Met de ene helft boven de werkelijkheid uitstijgend, met de andere helft daarop reflecterend.

Hollak was ten tijde van het bal al in de veertig. Maar nog altijd niet meer dan een veelbelovend filosoof. Al jarenlang doceerde hij wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Maar hij moest nog promoveren. Ondertussen deed hij reeds het werk van een hoogleraar. Hij was begonnen als assistent van Henk Pos, een geëngageerd filosoof, gekend antifascist en humanist. Pos had een ruime leeropdracht, die zowat alle disciplines van de filosofie omvatte. Maar door zijn slechte gezondheid moest hij de uitvoering van die leeropdracht aan zijn assistent overlaten.

Zo kwam het dat Hollak al in de jaren vijftig wijsbegeerte in de ruimste zin doceerde. Zijn studenten waren geïmponeerd. «Hij combineerde een enorme kennis van de westerse wijsgerige traditie met een geheel eigentijdse manier van denken», herinnert Albrecht Kwast zich, Hollak-volger van het eerste uur. Half in het eeuwenoude verleden, half in het moderne heden, dat was voor Hollak de positie van de filosoof. De Duitse denker Hegel indachtig moest de filosofie met al haar beproefde middelen de eigen tijd in gedachten zien te vatten.

Hollak was hegeliaan. Maar niet zo een als Bolland, die een halve eeuw eerder de buikspreker van Hegel in Holland was. Bolland was een autodidact, een filosofische eenoog in het Nederland der blinden. Hij schiep zijn Hegel naar zijn eigen beeld en gelijkenis, een aartsconservatieve moralist, een antimodernist. Hollak was Bollands tegendeel. Hij beoefende het hegelianisme op het hoogste professionele niveau dat Nederland ooit heeft gekend. En Hollaks Hegel was een progressief denker, een modernist.

Een moderne, progressieve Hegel kan niet zonder Marx. Hollaks Hegel was een door Marx geamendeerde Hegel. De mens objectiveerde zich niet alleen in de geest maar ook in de arbeid. De filosoof diende op beide tegelijk te reflecteren. Dat deed Hollak in spraakmakende artikelen als Hegel, Marx en de cybernetica en Van causa sui tot automatie. In de cybernetische, zichzelf sturende en corrigerende machine — zeg maar: de computer — zag Hollak de gecombineerde objectivering van de menselijke geest en de menselijke arbeid. «Wat mij betreft is dat zijn origineelste gedachte geweest», zegt Albrecht Kwast. «De cybernetische machine is de nieuwe, objectieve vorm waarin de mens zichzelf verwerkelijkt. Het tijdperk van de cybernetica bood in zijn ogen openingen voor ongekende menselijke potenties.»

De genoemde artikelen verschenen in de jaren zestig. Hollak was toen nog altijd geen hoogleraar, hoewel Pos al vele jaren dood was. Hij leefde van een bescheiden salaris. Een halve bohémien, een halve filosoof, die ook nog vrouw en kinderen had te onderhouden. Want op het gekostumeerde bal had hij, tot dan toe een verstokte vrijgezel, zijn vrouw ontmoet, verkleed als zebrapad.

In 1966 werd Hollak, al over de vijftig, eindelijk hoogleraar. Niet in Amsterdam, waar de post van Pos was vergeven aan het supertalent Frits Staal. Hollak werd hoogleraar in het katholieke Nijmegen. Hij werd er door de studenten met open armen ontvangen. «Iedereen sprak over hem», herinnert zich Machiel Karskens, tegenwoordig hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. «Hij was de nieuwe man.» Zelf had Karskens een jaar tevoren al eens een voordracht van Hollak bijgewoond: «Het ging mij en iedereen in de zaal volledig boven de pet. Maar het was fascinerend. Hij sneed alle thema’s aan die mij interesseerden en gaf de suggestie dat die op een heel bijzondere manier met elkaar samenhingen.»

Met Hollak hielden Hegel en Marx hun intocht in Nijmegen. Het leek dan ook niet meer dan logisch dat Hollak het forum voorzat dat de studenten in het kader van de Kritiese Universiteit hadden georganiseerd. Het ging over «Dialectiek en maatschappijkritiek». Achter de tafel zaten onder anderen Ger Harmsen en Joop van Santen, gelouterde marxisten en goede kennissen van Hollak uit het Amsterdamse. «Hollak als voorzitter was een ramp», zegt Karskens. «Hij was eindeloos aan het woord, wees iedere spreker op fouten en maakte zich daarbij soms behoorlijk kwaad.»

Karskens herinnert zich nog levendig Hollaks uitvallen naar Hugues Boekraad, representant van de radicale studentenbeweging, oprichter van de Socialistiese Uitgeverij Nijmegen en theoretische goeroe van de linkse intelligentsia. En plein public vroeg Boekraad zich af wat de nieuwe hoogleraar filosofie eigenlijk van Marx en de Frankfurter Schule afwist. Voorzitter Hollak, die tien jaar eerder al over «Waarheid en ideologie in het marxisme» had geschreven, schoot uit zijn slof. Het zou nooit meer goed komen tussen Boekraad en Hollak.

Ook in Amsterdam hadden studenten en docenten uit verschillende studierichtingen zich tot een Kritiese Universiteit aaneengesloten. Op zoek naar inhoudelijke inspiratie wendden ze zich tot de filosofie en bezochten ze de colleges van Hollak. Want Hollak had inmiddels ook een leeropdracht aan de Universiteit van Amsterdam, waar Frits Staal met slaande deuren naar Amerika was vertrokken.

De gloriejaren van Hollak braken aan. In Nijmegen en Amsterdam stroomden de collegezalen vol. Zijn optreden verkreeg een cultstatus. Hier stond een man aan wie je het denken zelf kon aanschouwen. Als hij sprak, sprak de filosofie. Hij was de vleesgeworden dialectiek, de levende geest van Hegel. Op zijn colleges heerste een bijna devote sfeer. Zelfbenoemde paladijnen en epigonen bezetten al ruim voor aanvang de voorste banken en stelden omslachtig hun bandrecorders op. Andere toehoorders probeerden al schrijvend het millimeterwerk van Hollaks uiteenzettingen vast te leggen. De gezichten drukten nu eens opgetogen fascinatie uit, dan weer radeloze wanhoop over de onnavolgbare gedachtegang van de wijsgeer.

Ondertussen zette de meesterdenker zijn imaginaire gesprek met de groten uit de geschiedenis van de filosofie onverdroten voort. Hij sprak met hen minstens op voet van gelijkheid, vaker nog verhief hij zich boven ze. De toehoorders restte geen andere conclusie dan dat Heidegger een knoeier was, Sartre nergens iets van had begrepen en Habermas niet tot onder de oppervlakte doordrong. Bij Kant legde hij de ene denkfout na de andere bloot en ook Marx ontkwam niet aan zijn kritiek. Zelfs Hegel werd op fundamentele misstappen betrapt. Het was duidelijk: Hollak sprak vanaf de hoogste toppen van de Hima laya van de geest.

Op die ijle hoogte wist eigenlijk maar één denker naast Hollak te overleven: Thomas van Aquino. Die middeleeuwse scholasticus was de enige denker die over de scherpzinnigheid en precisie beschikte waarmee volgens Hollak het metier van de filosofie beoefend diende te worden. «Het heeft jaren geduurd voordat ik de thomistische inspiratie in zijn denken herkende», zegt Kwast, «maar dat kwam ook door Hollaks eigen schroom om deze inspiratie in het anticlericale Amsterdam aan de grote klok te hangen.» Voor Machiel Karskens, afkomstig van het Groot Seminarium te Zwolle, was die inspiratiebron een stuk evidenter: «Hollak beschreef in zijn denken steeds een soort acht. Hij begon op het knooppunt, bij thema’s uit het werk van Hegel. Vervolgens beschreef hij een lus naar het denken van Thomas, met behulp waarvan hij die thema’s uitdiepte. Dan ging hij weer terug, door Hegel heen, om een tweede lus te maken naar moderne denkers als Husserl, Bergson en Scheler.»

Niet iedereen in de collegezaal kon waardering opbrengen voor de achten draaiende Hollak. Voor Frits Staal was Hollak een van de vele abracadabra-spuiers die de Nederlandse filosofie vertroebelden. Ook Jan Bor vond het allemaal maar «gegoochel met geheime formules». Bor schreef jarenlang filosofische columns voor het Algemeen Dagblad. Meteen zijn allereerste column gebruikte hij om de draak te steken met Hollaks colleges. Nu, bijna tien jaar later, voelt hij zich nog altijd bedonderd: «De nieuwe kleren van de keizer, dat waren het. Hij was een slecht docent, die niet in staat was één correcte volzin uit zijn strot te krijgen. En dan de geëxalteerde manier waarop hij het woord Geist uitsprak! Hij heeft mijn enthousiasme voor Hegel danig naar de kloten geholpen. En daarbij deed hij ook nog vreselijk uit de hoogte.»

«Een heel hartelijke man», vindt Albrecht Kwast daarentegen. «Heel tolerant, bepaald niet zo streng als sommigen denken», vult Machiel Karskens aan. «Hij heeft mijn doctoraal en mijn promotie begeleid, hij had altijd maar een paar punten van kritiek, hij liet me volledig mijn gang gaan. Hij was voor zichzelf veel strenger dan voor anderen.»

Zo streng zelfs dat Jan Hollak zijn gedachten slechts mondjesmaat aan het papier toevertrouwde. Eén proefschrift van bescheiden omvang en een stuk of dertig artikelen vormen de magere oogst van tientallen jaren intensieve filosofische activiteit. Kennelijk ijlden zijn gedachten tijdens het schrijven zo ver vooruit dat hij ze niet met de pen kon bijhouden. Het gevolg was dat iedere geschreven zin werd aangevuld met talloze bijzinnen, waarin onontbeerlijke nuanceringen, verscherpingen, preciseringen, verdiepingen en clausuleringen werden aangebracht. En nooit was het goed genoeg. Ieder voorstel om zijn artikelen te bundelen, wees hij verstoord van de hand. Ze konden de toets van zijn nieuwste stand van denken onmogelijk doorstaan.

«Zijn denken werd steeds puntachtiger, thema’s werden steeds minutieuzer uitgebeend, alles verdween in een zwart gat», vertelt Karskens. «In de loop van de jaren zeventig heb ik de dialectiek en het hegelianisme de rug toegekeerd. Dat scheelde me een heleboel krampen. Hollak, wiens medewerker ik inmiddels was, had daar geen enkele moeite mee. Hij zei me zelfs ooit dat het misschien wel onzin was om nog hegeliaan te willen zijn. Hij heeft het altijd het belangrijkste gevonden dat mensen zelfstandig leerden denken.»

Dat hadden niet al zijn studenten even goed begrepen. Er werd hevig gestreden om de gunst van de meester. Menigeen kende geen hoger doel dan nóg dialectischer te denken dan de grote voordenker zelf, ja zelfs nog dialectischer dan Hegel. Het epigonendom tierde welig. Hollak had er een hekel aan. Studenten die zijn colleges woord voor woord uitschreven en aan hem voorlegden ter autorisatie wees hij ziedend de deur.

Zelf denken was zijn motto. Hij kon niet anders. Hij ging er zelf ook steeds meer in op. Voor filosofische gesprekken nam hij nauwelijks nog tijd. Dat ondervond ook Karskens, die nog jarenlang, tot ver na diens emeritaat, contact met Hollak onderhield: «Je kreeg steeds vaker te horen dat hij het te druk had. Te druk met denken.» De enige met wie hij nog over filosofie discussieerde, was zijn jongste dochter Rosan, die na de nodige aarzeling het pad van de filosofie was ingeslagen. In haar sensibele grafrede memoreerde ze de toenemende eenzaamheid van haar vader, zijn overconcentratie op het denken, zijn drang om nog voor zijn dood een aantal filosofische problemen tot een oplossing te brengen, zijn onwil en onvermogen om dat op papier te doen. Hollak was vertrouwd met de diepste geheimen van de filosofie. We zullen nooit weten welke dat waren.

Misschien lag het grootste geheim wel besloten in zijn geloof. Hollak was immers half geleerde, half gelovige. Half de wereld toegewend, half het oneindige. Hij hield beide helften strikt gescheiden, daarin was hij kantiaan. In zijn filosofie kwam het geloof niet ter sprake. Het oneindige was daarin slechts een logische categorie. Oog in oog met het oneindige, bij zijn naderende dood, geteisterd door talloze kwalen, gaf het geloof hem gemoedsrust. Zijn eindige denken, waar hij zijn hele leven aan had opgeofferd, kon eindelijk uitstromen in de oceaan der oneindigheid. Het gebeurde op maandag 4 augustus 2003.