Ger Groot

De laatste katholiek

Met Reve is het niet begonnen, maar hij was wel de meest theatrale. Bij Jünger kwam het misschien het onverwachtst. En Willem-Jan Otten provoceerde de ernstigste discussies, omdat hij zelf zijn beslissing zo overtuigd uitdroeg. Katholiek worden kun je op veel verschillende manieren.

Voor kunstenaars blijkt het een constante verleiding. Dat kan niet alleen met het christelijk geloof te maken hebben. Onder schrijvers en scheppers heeft het protestantisme het nakijken, hoe succesvol het wereldwijd ook mag zijn. Het katholicisme is prikkelender, rijker, sensueler, complexer. Het is kunstiger.

Paul van Ostaijen, direct na de Eerste Wereldoorlog verhuisd naar Berlijn om gevangenisstraf wegens flamingantisme te ontlopen, zag het gebeuren. Zijn vriend, de schilder Georg Muche werd katholiek, net als diens vriendin Sophie van Leer. Ze waren diep «in» Mazdaznan geweest, de syncretistische leer van een zekere Otto Hanisch, die zichzelf Ottoman Zar-Adhust-Hanish noemde. Voor Muche en zijn geliefde was dat niet genoeg. De Moederkerk riep tenslotte toch betoverender.

Van Ostaijen was niet ongevoelig voor mystieke en religieuze vragen, schrijft Jef Bogman in zijn gedetailleerde boek Professoren hier is de laatste gnostieker (uitg. Vantilt) over Van Ostaijens Berlijnse jaren. Maar voor een geboren katholiek ligt een bekering niet erg voor de hand, en helemaal niet wanneer hij uit Vlaanderen komt. Nog altijd torst menige Vlaamse ziel de littekens van een roomse jeugd met zich mee, en dat zal bij Van Ostaijen niet anders zijn geweest.

Maar wat moet je, geïntrigeerd door de geheimen van het Wereldraadsel, dan als katholiek geboren flamingant?

Van Ostaijen hield het bij de esoterie, zo laat Bogman zien. De gnosis, Japanse theemystiek, maar ook Plato en de joodse mystiek van Buber interesseerden hem. Daarnaast las hij Kierkegaard (zeer christelijk maar protestant), Meister Eckhardt (al voor de Hervorming van crypto-protestantse ketterij verdacht) en de half-jansenistische, officieel veroordeelde Madame Guyon. Die laatste twee namen kwam terecht in Vers 5, dat Van Ostaijen in april 1920 schreef.

Aan hetzelfde gedicht ontleende Bogman de titel van zijn boek. «De laatste gnostieker», is dat een teken van afscheid of van ultieme standvastigheid? Bogman houdt het op het tweede. Maar direct daarboven staat: «ik/ de laatste katholiek», en in een kadertje direct daarop: «halt! hier is te zien/ de laatste katholiek». Dan moet ook dat een principeverklaring zijn, hoe ironisch dat ook moge lijken en hoe ketters Van Ostaijen het katholicisme ook opvat: «de laatste heresiark […] hij rookt een sigaret terwijl hij nuttigt/ de Eucharistie».

Werd Van Ostaijen zich in Berlijn van zijn onverwoestbare katholieke inslag bewust? «Moeder hier/ zit/ de veelbelovende knaap/ te midden protestantse feldwebels en professoren», schrijft hij eerder. Tegenover diezelfde professoren noemt hij zichzelf «de laatste gnostieker». Hij was anders dan zij: «Ik/ de laatste katholiek».

Met de heidense flirt in Van Ostaijens mystiek kwam dat niet in botsing. De roomse boezem is breed en een katholiek hoeft niet veel of diep te geloven. En ironie lijkt niet Van Ostaijens sterkste kant te zijn geweest. Bogman heeft gelijk wanneer hij diens religieuze en mystieke uitroepen («priez pour moi») volkomen serieus neemt, maar hij vergeet de katholieke rekbaarheid.

Het burleske in Van Ostaijens gedicht is geen boutade. Het is de achteloosheid van de katholiek die rokend ter communie gaat. «En toch/ en toch»: dat is niet de heiligschennis van de jakobijnse atheïst. Het is een ontspannen omgang met wat niettemin hoogst belangrijk blijft.

Tot die nonchalance schoppen bekeerlingen het zelden. Het was misschien Van Ostaijens geluk dat hij niet tot het katholicisme over hoefde gaan om daarmee op vertrouwelijke voet te verkeren. Dat nam zijn bezwaren tegen de kerk niet weg. Maar voor wie van jongs af aan in het katholicisme ondergedompeld is geweest, zijn de kerk en haar dogma’s vanzelfsprekende bijkomstigheden.

Een godsdienst die zoveel plaats inruimt voor de zintuigen moet dogmatisch wel speelruimte laten. Is dat de geheime aantrekkingskracht van het katholicisme? In dat opzicht is het in ieder geval even kunstig als hardnekkig gebleken. Ook bij Van Ostaijen. De «laatste katholiek» wil in de openings- en slotzin van zijn gedicht «een jazz op de melodie van/ Frère Jacques» — en meent dat met heilige ernst.