De laatste mens

Thomas Glavinic
Nachtwerk
Uit het Duits (Die Arbeit der Nacht, 2006) vertaald door Gerrit Bussink, Contact, 431 blz., € 24,90

De laatste mens – Nietzsche was niet de eerste die zich over de man of vrouw die het licht op aarde uitdoet gedachten heeft gemaakt. In de fantasie van de Oostenrijker Glavinic (1972) ontdekt ene Jonas dat in Wenen über Nacht alle mensen verdwenen zijn. Nog vreemder is misschien dat de infrastructuur nagenoeg geheel intact is, alsof alsnog de neutronenbom gebruikt is, maar de elektronica het begeven heeft: vaste en mobiele telefoons, web of net, tv. Een modern mens is dan onthand. Gelukkig doet de diepvries het nog, en eindelijk kun je eens in snelle auto’s of een vrachtwagen rondtoeren. Verder is er voor Jonas in de stad en het al even verlaten Europa weinig vertier.
Dit heet een schrikbeeld en het biedt net voldoende stof voor een synopsis of een flaptekst. Het ideetje dat niet eens voor een verhaal (sf) toereikend is, wordt over meer dan vierhonderd pagina’s uitgesmeerd, zonder dat de hoofdpersoon één interessante gedachte heeft, zonder dat de lezer zelfs maar enig idee van zijn persoon krijgt, zonder enig vermoeden van de oorzaak van de catastrofe – als iets een prestatie is, dan dit. Na enkele tientallen pagina’s wordt het dan ook een ander boek, wanneer de schrijver een vertrouwder thema aansnijdt: als de laatste mens vooral andere mensen mist, biedt een beetje gespleten persoonlijkheid behalve gezelschap ook nog enige suspense. Jonas stelt overal camera’s op. Als hij zichzelf filmt in zijn slaap scheidt zich een kijker af van de slaper. Het verklaart nog niet de kleine veranderingen die Jonas meent te bespeuren, maar het houdt hem en de lezer wakker. Dat mag ook wel want ondertussen gaat het honderden pagina’s vals plat door.

Is het een parabel? De naam Jonas suggereert zoiets. Of is de boodschap dat dromen en herinneringen nu al tot dezelfde orde behoren als bewakingcamera’s, ik verzin maar wat. De samenvatting staat in het boek: ‘Hij zat gevangen in een tussenwereld waarin hij droomde en liep, droomde en zag, droomde en handelde.’ Samen met de volgende zinnen van die alinea op pagina 377 kan de lezer volstaan. Als Jonas aan het eind boven op de Stephansdom staat, is er sinds de ochtend van 4 juli zo’n anderhalve maand verstreken. Als hij is ingeslapen – hij leed aan slaapziekte – is het hele boek misschien een droomprotocol. En het is waar, de meeste dromen zijn onnoemelijk saai, behalve voor de slaper. Het werk van de nacht is dan geen sciencefiction, maar realisme.