Winnaar Europese Literatuurprijs

De laatste omhelzing

13 september 2018De Europese Literatuurprijs 2018 is op 13 september toegekend aan de Noorse schrijver Johan Harstad en vertalers Paula Stevens en Edith Koenders voor de roman Max, Mischa & het Tet-offensief. Op woensdagavond 31 oktober ontvangen de schrijver en vertalers de prijs op het Crossing Border Festival in Den Haag.

Max, Mischa & het Tet-offensief is tegelijkertijd een coming-of-age-drama én het verhaal van een generatie.

Johan Harstad schreef een feelgoodroman gedoopt in weemoed © Het beste van Europa

Een spectaculair dik boek over niet-spectaculaire levens schreef de Noorse schrijver Johan Harstad (1979) met Max, Mischa & het Tet-offensief. Je zou kunnen zeggen dat hij een gelukkige variant maakte op het twee jaar ervoor verschenen A Little Life van Hanya Yanagihara (1974). Vergelijkbaar in omvang, vergelijkbaar ook in de intense en devote ontvangst, hun beider anatomie van een vriendengroep. Alleen kreeg Yanagihara bij elk interview de vraag voor de voeten geworpen waarom ze niet over ‘gewone’ mensen schreef, maar over ongelukkige eenlingen met buitengewone talenten, ambities, trauma’s, verslavingen. Harstad zal dat verwijt niet gauw te horen krijgen. En waarom niet?

Allereerst omdat hij zijn verteller, Max Hansen, voortdurend laat benadrukken hoe ‘gewoon’ het leven van hem en zijn vrienden is. Het is zelfs het hele idee van waaruit zijn vertelling voortspruit: ‘Ik schrijf dit voor jullie, voor ons, voor mijzelf. Ik schrijf dit voordat ik het vergeet, zoals jullie het misschien al vergeten zijn. Ik schrijf dit niet omdat anderen niet zou zijn overkomen wat ons overkwam; onze levens waren in geen enkel opzicht spectaculair of belangrijk. Dat waren ze niet, zijn ze nooit geweest. Dat zijn ze nu ook niet. Maar het waren onze levens, ze waren met elkaar verbonden en ik ben zo bang ze kwijt te raken.’

Daarnaast, en dat blijkt ook al uit bovenstaand citaat, is Max, Mischa & het Tet-offensief geschreven in gewonemensentaal. Max práát tegen je. Om nog even in de vergelijking met Yanagihara te blijven: zij schreef een cerebrale roman vanuit een alwetende verteller die dan bij de een en dan weer bij de ander uit de vriendengroep vertoeft, ondertussen bespiegelend over wat vriendschap is, trouw, geluk, leed, in afgewogen, geladen proza. De parlando verteltoon van Max geeft Harstad heel veel vrijheid: de kans weg te komen met nietszeggendheden (‘vroeg of laat verandert alles in een puinhoop’), zijpaden, associaties en details, aaneengeregen in eindeloze zinnen die soms wel een bladzijde lang aanhouden. Die ongeremdheid verhevigt de indruk van ‘gewoonheid’, authenticiteit misschien zelfs.

In het begin van de roman treffen we Max, 35, succesvol toneelregisseur, tijdens een slapeloze nacht op zijn hotelbed in Minneapolis, zijn leven en dierbaren overdenkend, en vast van plan alles en iedereen vast te leggen, voordat alles zomaar verdwenen is. Vervolgens krijgen we zijn jeugd in Noorwegen voorgeschoteld, de emigratie naar Amerika vanwege het pilotenberoep van de vader, zijn vriendschap met mede-Coppola-fanaat Mordecai, de groeiende fascinatie voor toneel, de ontmoeting met de zeven jaar oudere Mischa – een leeftijdsverschil dat groot is als je zelf vijftien of zestien bent – ‘Het was alsof je in de toekomst tuurde’ – en de ontdekking van de oom die Vietnamveteraan is. Die oom krijgt een belangrijke rol in het boek; sommige hoofdstukken worden vanuit zijn perspectief verteld en grijpen verder terug, ook naar de tijd dat hij in Vietnam was.

Een dikke roman moet het uithoudingsvermogen van zijn lezer verdienen. En dus moet elke zin, elk woord, er één zijn

Max, Mischa & het Tet-offensief is een langgerekt coming-of-age-drama, zij het gebed in een duidelijk herkenbare maatschappelijke werkelijkheid, waarmee het ook het verhaal wordt van een generatie. Zijn ouders waren idealisten, fel gekant bijvoorbeeld tegen de oorlog in Vietnam. Hij beschouwt zichzelf als kind van de laatste generatie die dacht dat ze een verschil kon maken, en behorend tot de eerste generatie die weet dat dat helemaal niet het geval is. Zo geïsoleerd als Yanagihara haar vriendengroep voortstuwt als een planetenstelsel op zich, zo sterk wortelt Harstad zijn personages in de moderne geschiedenis, van de oorlog in Vietnam tot de aanslagen op het World Trade Center. Voor zover namen van kunstenaars of toneelstukken me niets zeiden, had ik de neiging om ze te gaan opzoeken, of ze ook echt bestonden, zo gedetailleerd en realistisch worden ze beschreven. Datzelfde geldt voor de kunstwerken die Mischa begint te maken in New York, en later in Californië en in Toronto. Heel gedetailleerd wordt dit werk beschreven, vaak met behulp van integrale zogenaamde (?) kunstkritieken.

Schrijf een leven uit, en je hebt een spectaculair leven. De personages van Harstad en Yanagihara zijn vergelijkbaar in hun kunstzinnigheid, hun gevoeligheid, hun aspiraties, hun depressies, hun vermogen lief te hebben. De belangrijkste reden waarom Harstad nooit te horen zal krijgen dat hij eens over normale mensen zou moeten schrijven en Yanagihara wel, is dat Harstad een feelgoodroman schreef, gedoopt in weemoed. Het lijden staat niet centraal. Voor zover het kwaad zegeviert is dat in oorlogsgebied gesitueerd, voor zover er verdriet heerst wordt dat veroorzaakt door de meest acceptabele bron, de liefde. Het echte ongeluk is alleen weggelegd voor het homoseksuele personage, en dat dan ook nog eens alleen ‘by hearsay’. Ik bedoel: we wéten niet wat hem bezielde, behalve door de ogen van Max.

Waarom dreigt iets meesmuilends mijn zinnen binnen te sluipen, iets negatiefs, terwijl ik zeker wel gegrepen raakte door deze roman? Omdat ik op bladzijde 515 over deze zin struikelde: ‘Natuurlijk was het vervelend dat mama en papa besloten hadden te scheiden, maar daar dacht ik die middag niet zoveel over na.’ En omdat ik op bladzijde 1003 een songtekst van Marco Borsato dacht te herkennen, zij het mijn lievelingsnummer van hem, Margherita, waarin een man zich afvraagt welke vervreemding heeft toegeslagen tussen zijn geliefde en hem, ‘alsof er op een nacht iemand bij ons was binnengeslopen, ons woorden had ingefluisterd en ons veranderd had terwijl we sliepen’.

Hoeveel dagelijksheid en clichés kan een mens, of die nu criticus is of niet, verdragen? Een dikke roman moet het uithoudingsvermogen van zijn lezer verdienen. En dus moet elke zin, elk woord, er één zijn. En dus moet je het vertrouwen vanaf bladzijde één hebben dat de schrijver weet wat hij doet. Dat hij zijn materiaal gekneed heeft in de enige vorm die het recht doet. Aan de andere kant zou je ook kunnen zeggen dat een roman een levend organisme is. En dat juist een dikke roman dit gegeven viert, door af en toe in te zakken, en dan weer op te klimmen, en te laten zien dat vermaak en verveling dicht bij elkaar kunnen liggen. Maar is dat genoeg? Heeft de schrijver dan niet ‘gewoon’ een leesboek geschreven?

Dat Max, Mischa & het Tet-offensief meer is dan dat, begon me eerlijk gezegd pas halverwege te dagen: alles – de oeverloosheid, de dagelijksheid, de nietszeggendheid, de details – maakt deel uit van het ongoing kunstwerk dat de schrijver zijn Max laat maken. In feite kun je de roman lezen als het diapositief van een kunstwerk van vriendin Mischa, de Toronto Precision-serie, een serie die handelt over herinneringen en geheugen, en die uitblinkt in abstractie en precisie. Eenmaal dit perspectief toelatend, laten de tweede zeshonderd bladzijden zich wonderbaarlijk genoeg lezen als een precisiebombardement, terwijl er op zinsniveau niet zoveel verandert. Wél komt de vertelling steeds meer onder spanning te staan, de personages naderen hun vervulling, het boek wordt fysiek lichter aan de linkerkant, wat allemaal zal meehelpen aan een welkome sensatie van beklemming en betrokkenheid.

En eenmaal in die stemming begint het proza te ademen en te pulseren, kreeg ik oog voor de grote greep, de verleidelijke nostalgie, óók als die gevat wordt in zinnen als ‘Hoe dan ook het is lang geleden. Het is jammer dat niets eeuwig duurt.’ En begon ik de kleine nuchtere terzijdes te zien. ‘Wat is een immigrant? Een immigrant is gewoon iemand die eerst op de ene plek woonde en nu op een andere.’ Als Max zich wanhopig afvraagt of Mischa hem na al die jaren soms saai is gaan vinden, denkt hij: ‘De meeste mensen zijn oersaai als je ze maar de tijd geeft om dat te bewijzen.’ De verwijdering tussen Max en Mischa wordt zeer gedetailleerd en eigenlijk, ja, hartverscheurend beschreven. Als hij haar opzoekt in San Francisco ziet hij dat ze ander ondergoed aan heeft, en op een of andere manier zegt dat alles. ‘Niet fancy, niet uitgesproken sexy. Gewoon chic. Dat was het meest triest van alles. Die aankoop.’

En op diezelfde een of andere manier wordt dan volkomen begrijpelijk waarom de vlucht naar New York die hij vervolgens samen met haar maakt, zo idioot gedetailleerd moet worden beschreven, met een opsomming van die andere 89 mensen aan boord, de hoeveelheid koffie, de ijsblokjes, de afhandeling van de veiligheidsrituelen. Niets is meer simpel, niets is meer zomaar. De wereld vergaat, mensen gaan dood, en in je eentje ben je nergens. Het enige wat je kunt doen is de slag leveren, het allemaal vastleggen als in één laatste omhelzing, zoals Max helemaal in het begin al beloofde te zullen doen. En hij heeft woord gehouden.