Prentenstrijd

De laatste oud-strijders als sterren

Deze week is het precies negentig jaar geleden dat de slag bij Verdun begon. Dat wordt groots herdacht. Intussen is de jacht op de laatste oud-strijders in volle gang. Uiting van een onverwerkt verleden.

De herinnering aan de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk is geritualiseerde hoveniersarbeid: de tuin is weer toe aan zijn jaarlijkse onderhoudsbeurt. Verdun neemt daarin zo’n belangrijke plaats in omdat het lot van de natie in 1916 aan een zijden draadje hing. De Duitsers zetten toen alles op alles om een doorbraak te forceren. De gevechten waren ongekend intens, maandenlang. Honderdduizenden kwamen om. Maar Verdun hield stand en werd zo het symbool van standvastigheid van de Franse soldaat: de poilu.

Medium mosgroene5

Verdun staat ook symbool voor de absurditeit van de oorlog. Toen de strijd eind 1916 luwde, was het front nauwelijks verschoven. Het knekelhuis van Douaumont, waar de overblijfselen van duizenden niet-geïdentificeerde soldaten de toeristen aangapen, getuigt nog steeds van de verschrikkingen van deze slag. Uiteindelijk bleek de Grote Oorlog echter niet de laatste der laatste.

Herinneren in Frankrijk is politiek. Heden en verleden zijn er onlosmakelijk met elkaar verbonden. Verdun, symbool van vernietiging, groeide in de loop van de vorige eeuw uit tot een plaats van verzoening. Bij de herdenking in 1984 stonden Kohl en Mitterrand hand in hand naast elkaar. Komende zomer vindt een nieuw verzoeningsritueel plaats, met de onthulling van een monument voor de duizenden moslimcombattanten uit de koloniën die in de Franse modder sneuvelden. Maar voor het eerst zijn nu geen oud-strijders meer aanwezig. Zowel aan Franse als aan Duitse kant zijn die uitgestorven. Toch leven er nog anciens combattants die in 1914-1918 dienden. Ze krijgen zelfs een steeds belangrijkere rol toebedeeld.

Hun levens omspannen drie eeuwen. Deze frontsoldaten van de Eerste Wereldoorlog zijn de laatsten van een generatie. In Duitsland leven er nog enkelen. Hoeveel is niet duidelijk. Er is in de Bondsrepubliek geen belangstelling voor de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog: te pijnlijk. In de Verenigde Staten en Italië leven er naar schatting in totaal nog enkele tientallen omdat deze landen relatief veel jonge lichtingen (van 1900 en 1901) onder de wapenen riepen. Ook Groot-Brittannië telt nog enkele old soldiers.

Frankrijk, dat zwaar heeft geleden onder ’14-’18, telt nog welgeteld zes veteranen. Althans, volgens de officiële cijfers van het Office National des Anciens Combattants et Victimes de Guerre (onac). Zes mensen op ruim acht miljoen soldaten die destijds op de champs d’honneur het vaderland verdedigden. De nestor, Maurice Floquet, is geboren in 1894 en werd afgelopen Kerstmis 111. De benjamin is met 107 jaar niet veel jonger. Begin jaren negentig waren er nog ruim tienduizend oud-strijders. In november 2004 vormden ze nog nét een voetbalelftal.

Hoe minder poilus, hoe groter de aandacht voor hen tijdens de jaarlijkse herdenkingsrituelen. Zo kreeg de 107-jarige Ferdinand Gilson op 11 november 2005 een enthousiast onthaal in zijn woonplaats Choux. Het tafereel had veel weg van een dorpse kermesse: de veteraan liet zich rondrijden in een oldtimer, geflankeerd door traditionele blauwe uniformen.

Volgens Eva Bernard van het onac was de belangstelling van media en pers voor de elfde november overweldigend. Ze telde 550 uitzendingen en artikelen. Vergeleken met het herdenkingsjaar 2004 was dit een verviervoudiging, hoewel de kleine oorlog in de banlieue de grote oorlog dagenlang uit de actualiteit had gehouden. Bernard verklaart deze hausse uit de groeiende aandacht voor de laatste overlevenden, die dit keer waarschijnlijk voor het laatst lijfelijk aanwezig waren. Daarnaast trok een wetsvoorstel om tot een nationale herdenking te komen bij het overlijden van de laatste veteraan veel aandacht. Historicus Stéphane Audoin-Rouzeau, specialist op het gebied van herinneringscultuur, signaleert dat ook. Tegenwoordig is iedere gestorven oud-strijder nieuws voor krant, radio en televisie.

De aandacht voor de poilus is niet altijd zo overweldigend geweest. Na 1945 was er de concurrentie met de Tweede Wereldoorlog, en in de jaren zestig en zeventig stonden oud-strijders symbool voor militarisme en ongezond nationalisme. Coluche, de Franse komiek, dreef de spot met ze. Dit stond in schril contrast met de jaren na 1918, toen het beeld van de soldaat-boer een rotsvaste plek in het collectieve geheugen van de Derde Republiek had verworven. In de tegenwoordige sterk gepersonaliseerde herdenkingscultuur is de pendule weer naar de andere kant geslingerd en zijn de laatste oude strijders omgeven met een quasi-religieus aura.

De nieuwe jeugd van een oude oorlog is begin jaren negentig ontloken. Niet langer stond de geschiedenis van veldslagen centraal, maar het perspectief van de gewone soldaat, het lijden in de loopgraven, de ervaringen van familie en geliefden achter het front. Het in Noord-Frankrijk hernieuwde museum Historial de la Grande Guerre de Péronne trok in 1998 meer dan tachtigduizend bezoekers, een record. Ook de staat speelde in op de herdenkingshausse. In 1997 riep Chirac een Haut Conseil de la Mémoire Combattante in het leven. Onder zijn voorzitterschap bekijkt deze raad eens per jaar hoe de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog levend kan worden gehouden en stelt ze een programma voor de elfde november samen.

La Grande Guerre was, is en blijft nog wel een poosje een van de belangrijkste monumenten in dienst van de republikeinse ideologie. De Franse republiek warmt zich graag aan glorierijke momenten uit de geschiedenis en aarzelt ook niet die politiek te verdisconteren. De Eerste Wereldoorlog is altijd neergezet als de episode uit de twintigste eeuw die de natie verenigde. Frankrijk ontleent er zelfbevestiging aan, meer dan aan de Tweede Wereldoorlog. Deze is met collaboratie (Vichy) en jodenvervolging behoorlijk besmet. Hetzelfde geldt voor de Algerijnse dekolonisatie in de jaren vijftig en vroege jaren zestig, toen Frankrijk op de rand van een burgeroorlog laveerde. Een polemiek over een wetsvoorstel, waarbij aandacht werd gevraagd voor de positieve rol van Frankrijk in de koloniën, toonde hoe gevoelig dergelijke kwesties nog altijd liggen.

De belangstelling voor de Eerste Wereldoorlog groeit vooral bij de «derde generatie», de kleinkinderen der strijders. In enquêtes over belangrijke historische gebeurtenissen plaatsen zij de Eerste Wereldoorlog hoger dan oudere generaties, die de Tweede Wereldoorlog of Mai ’68 belangrijker achten.

Frédéric Mathieu, een 35-jarige computeranalist, is zo’n derdegeneratie-Fransman in de ban van de Eerste Wereldoorlog. Oorspronkelijk ging zijn belangstelling uit naar de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871. De laatste soldaten van die oorlog waren midden twintigste eeuw in vergetelheid gestorven. «Ça m’a révolté», aldus Mathieu. Waarom hij zo verontwaardigd was, kan hij moeilijk onder woorden brengen. Hij ervaart het in elk geval als een groot verlies als de laatst levenden van een generatie sterven zonder dat ze van hun ervaringen hebben kunnen getuigen. Zelf heeft hij zijn opa’s, beiden oud-strijders, maar vaag gekend. Op zijn website prijken biografieën van de laatste overlevenden, en verzamelt hij gegevens over Franse veteranen die vanaf 1995 zijn gestorven. Daarnaast werkt Mathieu aan een overzicht van levende veteranen in diverse andere landen, zo mogelijk met naam en geboortedatum.

Deze countdown van poilus is een tamelijk recent verschijnsel. In 1995 besloot Chirac nog levende veteranen het Légion d’Honneur toe te kennen. Er was alleen één probleem: geen enkele instantie wist hoeveel er precies in leven waren. Het onac startte een inventarisatie en diepte in totaal vierduizend namen op. Sindsdien wordt hun aantal nauwgezet bijgehouden. Elk najaar publiceert het onac een persmap met gegevens over de laatste overlevenden. In een begeleidende tekst rept onac-directeur Guy Collet ronkend over «grands hommes», die tevens «grands témoins» van de geschiedenis en de (Franse) natie zijn. Niet alleen getuigen zij volgens Collet van een verleden dat verankerd is in het collectieve geheugen maar ook van de toekomst van de mensheid, waarvoor ze zo hard hebben gevochten.

Maar de categorisering die aan de telling ten grondslag ligt, is op z’n minst arbitrair. Voor het onac hebben enkel soldaten die minstens drie maanden waren geregistreerd in de periode 1914-1918 de status van «oud-strijder». De allerlaatste lichtingen, die tegen het einde van de oorlog dienst deden maar niet meer bij de gevechten werden betrokken, hebben nooit een «carte de combattant» ontvangen. Frédéric Mathieu vermoedt dat er nog zo’n handvol onbekende poilus zijn. Zelf trekt hij het spoor na van twee superoudjes, van wie er één voorlopig anoniem wenst te blijven, en de ander, François Jaffré (jaargang 1901) bij de marine heeft gediend.

Medium mosgroene4

Wie de aller-, allerlaatste oud-strijder ook is, hij zal geen onbekende held zijn maar een beroemdheid. Tot op heden was de verpersoonlijking van de poilu een anonieme strijder, die rust in het graf van de onbekende soldaat onder de Arc de Triomphe. Maar met nog zes te gaan (acht of wellicht nog meer) is het politieke steekspel rond de laatste rustplaats in volle gang. De socialistische gedeputeerde Serge Janquin (Pas-de-Calais) diende in oktober een voorstel in waarin hij aandacht vroeg voor een eerbetoon in de vorm van een staatsbegrafenis voor de laatste ancien combattant. Eind november, tijdens de jaarlijkse vergadering van de Haut Conseil de la Mémoire Combattante, besloot Chirac dat de laatste poilu bij overlijden recht heeft op «obsèques solennelles de portée nationale». Een klaroenstoot van de natie. Tenminste, als betrokkene of zijn familie ermee instemt. Voor zijn laatste rustplaats zijn al verschillende plekken geclaimd. Niet toevallig kwam initiatiefnemer Janquin met een soldatenkerkhof op het plateau van Lorette in de Pas-de-Calais, waar in de oorlog hard is gevochten. Ook Verdun (met name het fort van Douaumont) en Rethondes, de plek waar in november 1918 de wapenstilstand is gesloten, zijn genoemd.

Dergelijke overwegingen en discussies spelen zich af over de hoofden van de oud-strijders heen. Volgens Eva Bernard van het onac vinden ze het vooral vreemd: «Ze vragen zich af waarom uitgerekend zij een nationale herdenking moeten krijgen. ‹Waar hebben we dat aan verdiend?›» Historicus Audoin-Rouzeau zou het liefst willen dat ze met rust worden gelaten. Vanuit ethisch perspectief vindt hij de aandacht voor hen ronduit «obsceen».

Duidelijk is in elk geval dat Frankrijk de laatste tastbare link met de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog tot aan de uitgang begeleidt. Als een controlefreak zit het boven op het handjevol laatste overlevenden. Ook de Eerste Wereldoorlog is in Frankrijk ten diepste onverwerkt verleden.

=