De laatste proestbui van w. f. hermans

Willem Frederik Hermans
Ruisend gruis.
Uitgeverij De Bezige Bij, 109 blz., f42,50 (gebonden), f29,50 (paperback)

IN IEDERE roman die hij schreef, bracht Hermans zijn complete wereldbeeld onder, bekende hij ooit in een interview. In feite werkte hij dus voortdurend aan hetzelfde boek. Wie zich de moeite neemt het grondpatroon van dat boek vast te leggen, komt er steeds dezelfde thema’s in tegen. Ze zijn inmiddels maar al te bekend: moedwil en misverstand, paranoia, illusie en desillusie. Het is een wereld van list en bedrog waarin Hermans’ personages rondlopen, een hel waaruit, zoals hij de lezer op de laatste bladzijde van de vlak voor zijn dood voltooide roman Ruisend gruis nog eens inpepert, geen ontsnappen mogelijk is.

Dat wereldbeeld is Hermans het ‘sadistisch universum’ gaan noemen. Vrolijk is het niet, maar exclusief evenmin. Het gedachtengoed van bewonderde auteurs als Multatuli, De Sade en (misschien nog wel het meest) Celine was hem maar al te welkom bij de constructie ervan. En uiteraard klinkt er een boodschap uit op, een die Hermans aanvankelijk aan het intellect van de lezer zelf overliet maar die hij vanaf 1971 steeds luider en duidelijker zelf is gaan verkondigen.
1971 is het jaar waarin hij het slachtoffer werd van een fluistercampagne over zijn functioneren aan de universiteit van Groningen: hij zou nauwelijks colleges geven. Die aantijging liet hem niet onberoerd. De gevoelens van wraak die er het gevolg van waren en die hij via zijn pen ruimschoots vrij baan gaf, beschadigden zijn schrijverschap steeds meer en verengden uiteindelijk zijn thematiek. Van scherpzinnig observator veranderde hij langzamerhand in een wrokkige gelijkhebber, altijd wel in voor een boutade. Vormaspecten in zijn werk interesseerden hem hoe langer hoe minder, als het verhaal dat hij kwijt moest maar goed bekte. Groningen en zijn professoren werden steeds meer een obsessie. Hij begon zich op alle fronten te herhalen.
RUISEND GRUIS maakt dat nog eens pijnlijk duidelijk. Het is ontegenzeggelijk een hilarisch verhaal: het heeft surrealistische trekken, het is bizar, grotesk, en onderhoudend genoeg om de aandacht vast te houden. Op en top Hermans, dat zeker, maar er had heel wat meer in gezeten. Want behalve voorspelbaar in zijn opzet, is het slordig en nonchalant uitgewerkt, alsof het in grote haast in elkaar is gezet, als het ware met de dood op de hielen is geschreven. Al doet de notitie '25 oktober 1993 - 14 januari 1995’ achter in het boek het tegendeel vermoeden.
De roman zit daarnaast vol flauwiteiten, oubolligheden en ongein, zoals het volgende fragment demonstreert: 'Kunnen namen als Timmerman, Smid, Slager, Brouwer, Bakker en zo voort wijzen welk beroep te kiezen, een roeping verraden dan wel een steun zijn in het leven als iemand niet alleen Timmerman, Slager of iets dergelijks heet, maar ook timmerman, smid, bakker en zo voort is? Zou een man die Kok heet niet beter voldoen als keukenmeester dan als minister? Bang vermoeden…’
Van hoge stilistische kwaliteit is de zin al evenmin, en wat dat betreft vormt ze jammer genoeg geen uitzondering. Er is nogal wat taalgruis in de regels blijven zitten: slappe zinnen, stoplappen, herhalingen en anakoloeten: 'Maar al leefde hij nog, dan zou het al dan niet in leven zijn van de hooggeleerde nog niet eenvoudig te bewijzen zijn geweest.’ En een roman, zoals de titelpagina kordaat vermeldt, is Ruisend gruis al helemaal niet. Daarvoor is het te dun. Met novelle zou het heel wat beter getypeerd zijn.
Het verhaal komt op gang wanneer Vigeland Fahrenkrog, hoogleraar in de mineralogie, een gaatje boort in de muur van zijn nieuwe woning. Het is een goed gebruik van deze verhuislustige om steeds wanneer hij een nieuw pand betrekt, eerst de plaats te kiezen waar hij zijn geliefde antieke kwikbarometer zal hangen. Het zal Fahrenkrogs laatste overtocht worden, want voor het eerst van zijn leven heeft hij een huis gekocht. Dat hij er nooit zal wonen, kan hij dan nog niet weten. Want zoals wel vaker bij Hermans heeft zijn ogenschijnlijk onbeduidende handeling katastrofale gevolgen. Niet alleen voor hem, maar al evenzeer voor zijn omgeving, en die heet natuurlijk niet toevallig Groningen.
Door het geboorde gaatje perst zich al snel een krachtige straal wit poeder, die in het huis aanzwelt tot een ware gruisvloed, ramen en muren onder druk zet en het pand uiteindelijk uit elkaar doet ploffen. Al is Fahrenkrog een briljant geleerde, een verklaring voor het fenomeen, dat toch aan zijn eigen vakgebied raakt, heeft hij niet.
Die is er wel, ze leidt in Noord-Laren een ruisend bestaan als publiek geheim, maar daarvan is Fahrenkrog met opzet nooit op de hoogte gebracht. De woning wordt in de volksmond het sandwichhuis genoemd, ze is op deze plek neergezet om een fatale voorraad vulkanische as af te dekken. Nu die is aangeboord, is er geen redden meer aan. De hele onderwereld komt naar boven en bespoedigt niet alleen het einde van Fahrenkrog, maar ook dat van zijn collega-professor Birra, die samen met zijn assistent Rombouts in de omgeving rondtoert, en verandert voor even het Groningse in een apocalyptisch landschap.
Wel wordt Fahrenkrog nog met de hulp van zijn dochtertje Lievestro gered uit de gruisberg waarin hij vastzat. Maar haar tussenkomst verergert zijn lot alleen maar. De elfjarige meid heeft iets gedaan wat haar vader haar ten strengste had afgeraden: handplanten van een 'kwaadaardig meisje’ overgenomen. Hij overlijdt in het Academisch Ziekenhuis: 'Omdat niemand hem durf de aan te raken. Omdat iedereen bang was besmet te worden met handplanten.’
Handplanten zijn niet wat ze lijken: liefelijke, met paarse bloemetjes overdekte planten die 'als van verse honing of gedroogde viooltjes’ geuren. Eenmaal in de handpalm geworteld kunnen ze zich, omdat ze met kernenergie zijn opgekweekt, ontwikkelen tot allesvernietigende parasitaire woekeringen. Het bezit ervan is in de hoogste klas van haar basisschool uitgegroeid tot een modegril, die Lievestro noodlottig wordt. Haar lichaam komt er van top tot teen mee onder te zitten. Overgebracht naar het ziekenhuis wordt ze, net als haar vader, door de lafhartige professoren aan haar lot overgelaten. Communiceren kan ze alleen nog door met behulp van de bloemen woorden te vormen. Eerst bloeit ze HELP, maar als hulp uitblijft spreekt ze, door de P te laten verwelken, haar laatste woord. 'Niets wees erop dat hierin ooit verandering zou komen’, noteert Hermans in de laatste zin.
TERWIJL DE sympathieken het moeten afleggen tegen de natuurkrachten en ten onder gaan (Fahrenkrog vertoont trekken die Hermans zichzelf graag toedichtte: hij heeft speelse ideeen, is verlegen, zelfs wat schuw, en briljanter dan zijn collega’s), grijpen de dommen opnieuw hun kans. Tegelijk met de dood van Fahrenkrog komt de universiteit van Groningen opnieuw tot volle bloei. De tafel van de theologische faculteit van oudtestamenticus Cnudde Cnoestigh krijgt spontaan takken. In een mum van tijd drukken die zich boomstam dik door deuren en ramen naar buiten en overwoekeren met hun exotische weelde het hele universiteitsgebouw. En terwijl de hooggeleerde heer een plaatselijke televisieverslaggever verwaten te woord staat en uitlegt dat 'onze academia groeit en bloeit als nooit tevoren’, heeft hij niet in de gaten dat de universiteit in feite in een complete jungle is veranderd.
Dat is wat er uiteindelijk van het sadistisch universum van Hermans is geworden: zijn altijd wat koddig gevit op de universiteit. Kennelijk heeft hij met een schaterlach en een lange neus afscheid willen nemen. Dat is dan nog evengoed in stijl.
Als genre maakt het sadistische onderdeel uit van het komische. Toch zou ik Ruisend gruis geen satire willen noemen, daar is het te los uit de pols voor, vaak ook te melig en te kluchtig bovendien, ondanks alle bloedige ernst. Het is eerder een farce. Maar het verhaal kan evengoed als een allegorie worden gelezen. Symboliek te over; zo staat bijvoorbeeld de boor voor de pen, de barometer voor het schrijverschap, de berg gruis voor de lawine laster die over hem heen is gekomen, en de handplanten voor de natuur die altijd de overhand en het laatste woord heeft. Dan lijkt het boek misschien geraffineerd gelaagd, maar het is daarom dan nog steeds niet werkelijk geslaagd.