Essay: De omwenteling in Servië

De laatste revolutie

De omwenteling in Servië was een complexe gebeurtenis die een grote uitdaging biedt voor Europa, meent historicus Timothy Garton Ash.

De laatste Europese revolutie was tevens de merkwaardigste.

Op donderdag 5 oktober, toen Serviërs het parlement in Belgrado bestormden, met vlaggen zwaaiend vanuit de brandende ramen, en het hoofdkwartier innamen van de staatstelevisie die een oppositieleider ooit «TV Bastille» had gedoopt, zag het eruit als een echte ouderwetse Europese revolutie. De bestorming van het Winterpaleis! De val van de Bastille!

Nu leed het geen twijfel meer: de laatste Europese machthebber die zonder onderbreking aan de macht was geweest sinds het einde van het communisme, de «slachter van de Balkan», zou de weg van alle tirannen gaan. Er waren verhitte berichten dat drie vliegtuigen Slobodan Milosevic en zijn familie in ballingschap aan het brengen waren. Of dat hij zich, als Hitler, had opgesloten in zijn bunker. Zou hij gelyncht worden? Of geëxecuteerd net als Ceausescu? Of zou hij zelfmoord plegen, zoals zijn beide ouders hadden gedaan? «Redt Servië», scandeerde de massa, «dood jezelf, Slobodan!» Opgezweept door beelden van revoluties en door alle bloedige associaties met «de Balkan», dromden honderden journalisten samen voor een even akelige als tv- genieke ontknoping.

Maar in plaats daarvan verscheen Milosevic, laat in de avond van vrijdag 6 oktober, op een andere nationale tv-zender om het soort minzame speech te houden die een verkiezingsnederlaag erkent zoals je die zou verwachten van een Amerikaanse president of een Britse premier. Hij had net het bericht gekregen, zei hij, dat Vojislav Kostunica de presidentsverkiezing had gewonnen. Hij bedankte iedereen die op hem had gestemd, maar ook degenen die dat niet hadden gedaan. Nu wilde hij «meer tijd doorbrengen met mijn gezin, vooral mijn kleinzoon Marko». Maar daarna hoopte hij zijn Socialistische Partij te herbouwen als een oppositiepartij. «Ik feliciteer de heer Kostunica met zijn overwinning», besloot hij, «en ik wens alle burgers van Joegoslavië veel succes voor de komende jaren.»

Keurig gekleed, als altijd, in pak, wit overhemd en stropdas, stond hij stijfjes naast de Joegoslavische vlag, met zijn handen heel laag voor zijn lichaam gevouwen, als een schooljongen die was betrapt bij het spieken. Of als een boeteling voor de priester die zijn vader ooit had willen worden. Het spijt me, vader, ik heb vals gespeeld bij de verkiezingen, mijn land kapotgemaakt, mateloos bloedvergieten en ellende uitgestort over onze buren — maar vanaf nu zal ik me goed gedragen. Het klopte niet, het was surrealistisch, belachelijk doordat het de indruk gaf van een gewone, democratische machtswisseling.

Toch is dat precies de indruk die de nieuwe president ook wilde wekken. President Kostunica zou me later vertellen dat Milosevic hem had opgebeld om te vragen of het goed was dat hij die uitzending zou doen, en hij was dolblij omdat hij iedereen in Servië wilde laten zien dat een vreedzame, democratische overdracht van de macht mogelijk was. Eerder diezelfde avond was Kostunica verschenen op de «bevrijde» staatstelevisie, in het grijs gekleed en nuchter als altijd, telefonische vragen van kijkers beantwoordend en kalm pratend over stemsystemen, alsof dat de normaalste zaak van de wereld was.

Voor de verzamelde journalisten van de wereld was het verwarrend. Hé, werd dit niet geacht een revolutie te zijn? Maar de revolutie leek te zijn begonnen op donderdagavond en opgehouden op vrijdagochtend. Geen heroïsche taferelen meer. Geen bloedvergieten. De Serven waren niet over de brug gekomen. Ze hadden CNN teleurgesteld, en ABC, en NBC. De Palestijnen en Israëli’s hadden meer te bieden. Die vermoordden elkaar. Dus de helft van de camera ploegen vertrok de volgende dag naar Israël. Zij die bleven, worstelden verder met de vraag: wat is dit?

Het was echt een heel vreemde mengeling. Dezelfde ochtend dat president Kostunica het galmende Federatiepaleis betrok, slechts enkele minuten voordat hij de Russische minister van Buitenlandse Zaken ontving, marcheerde ene «Kapitein Dragan», een legendarische veteraan van de Servische opstand in Krajina, het Federale Douanegebouw binnen met een groep gewapende mannen en met een Scorpion automatisch geweer onder zijn arm. Hij kwam Mihalj Kertes verdrijven, de trouwe trawant van Milosevic die zoveel schimmige zaakjes regelde via de douane. Kapitein Dragan vertelde me dat Kertes bibberde en kruiperig smeekte voor zijn leven.

Op zaterdag moest Kostunica urenlang in de sjofele ontvangstkamers van het in jaren-zeventigstijl gebouwde Sava Center staan, wachtend op nieuw gekozen parlementariërs van de oppositie en Milosevic’ Socialistische Partij om hun ruzies bij te leggen en zijn formele, constitutionele beëdiging mogelijk te maken. Ondertussen was een elitetroep van de «rode baretten», speciale aanvals troepen van de Staatsveiligheidsdienst, waaronder veteranen van Servische acties van Vukovar tot Kosovo, het ministerie van Binnenlandse Zaken aan het innemen. Maar ze deden dit uit naam van de oppositie tegen Milosevic. Of in elk geval namens een deel daarvan.

Terwijl de politieke partijen bijeenkwamen voor coalitiegesprekken over een nieuwe federale regering, ontsloegen zelfbenoemde «crisiscomités» in fabrieken en kantoren hun voormalige bazen — uit naam van het volk. De ene minuut zag ik hoe de paramilitaire leider en radicale nationalist Vojislav Seselj de revolutie verkondigde in een zitting van het Servische parlement; de volgende minuut bekeek ik de revolver die Kapitein Dragan de gehate Kertes had afgenomen. Lichtgewicht, met een elegante, van rozenhout gesneden kolf. Vijf dum-dum-kogels, en één gewone.

En al die tijd zat Milosevic rustig in een van zijn villa’s in het lommerrijke voorstadje Dedinje te overleggen met zijn oude kompanen. Op mijn laatste dag in Belgrado reed ik langs die huizen in de Uzickastraat, verborgen achter hoge muren en veiligheids hekken. Op een of andere manier kon ik nergens een deurbel vinden om aan te bellen.

Wat was deze Servische revolutie? Natuurlijk is er nog veel onduidelijk over de Servische gebeurtenissen die onvermijdelijk zijn vergeleken met de Poolse «zelfbeperkende revolutie» van 1980-81 en de Centraal-Europese fluwelen revoluties van 1989. Maar mijn zeer voorlopige interpretatie is dat wat gebeurde in Servië een eenmalig complexe combinatie was van vier ingrediënten: min of meer democratische verkiezingen; een revolutie van het nieuwe, fluwelen, zelfbeperkende type; een kortstondige revolutionaire coup van een ouder soort; en een vleugje ouderwetse Balkan-samenzwering.

Allereerst de verkiezingen. Wat veel buitenstaanders niet heb ben onderkend is dat het Servië van Milosevic nooit een totalitair regime is geweest als het Roemenië van Ceausescu. Daardoor was Milosevic’ val ook anders. Ja, hij was een oorlogsmisdadiger die verschrikkelijke ellende heeft toegebracht aan zijn buren in voormalig Joegoslavië. Maar in eigen land was hij geen totalitaire dictator. Zijn regime was juist een vreemd mengsel van democratie en dictatuur: een «demokratura».

De allerbelangrijkste pijler van zijn regime was de staatstelevisie die hij gebruikte om een nationalistische belegeringsmentaliteit hoog te houden, vooral onder mensen op het platteland en in kleine steden die weinig andere informatiebronnen hadden. Dat is waarom een van zijn vroegste politieke tegenstanders, Vuk Draskovic, het al in 1991 TV Bastille noemde. Maar er waren ook strijdbare onafhankelijke radiostations en kranten die in particuliere handen waren. Mensen konden reizen, bijna alles zeggen wat ze wilden en demonstreren op straat. Oppositiepartijen konden zich organiseren en campagne voeren en hun afgevaardigden zaten in parlementen en gemeenteraden. Een andere manier waarop Milosevic aan de macht bleef, was door zich onder hen te mengen, te verdelen en heersen. Diezelfde Draskovic bijvoorbeeld aanvaardde de macht in het stadsbestuur van Belgrado en, naar ieders mening, de bijbehorende mogelijkheden tot (zelf)verrijking.

Geld speelde een enorme rol in de politiek van dit arme en nu zwaar corrupte land. En als ik geld zeg, dan bedoel ik enorme bundels Duitse marken die in de zak van een zwart leren jack zitten gepropt of het land uit worden vervoerd in koffers. De grenzen tussen politiek, zakenleven en georganiseerde misdaad vervaagden geheel. De gehate zoon van Milosevic, Marko, was een zakenman en een gangster. Onder vele andere eigendommen bezat hij een parfumwinkel in het centrum van Belgrado die heel toepasselijk Skandal heette. Op de avond van vrijdag 6 oktober stond ik in een menigte naar de geblakerde en geplunderde resten daarvan te kijken. Hij vluchtte naar Moskou en hij nam Milosevic’ kleinzoon Marko mee.

De regerende familie zat midden in een grotere familie, in de maffia-zin van het woord. Toch handhaafde de peetvader nog de uiterlijke constitutionele vormen en zocht op gezette tijden bevestiging in verkiezingen. Met de hulp van TV Bastille en wat zwijgend geknoei met stemmen, maar ook omdat hij kon rekenen op een verdeelde oppositie en aanzienlijke, oprechte steun van het volk.

Alleen tegen deze achtergrond kunnen we begrijpen waarom Milosevic begin juli besloot de grondwet te wijzigen om mogelijk te maken dat hij direct verkozen werd voor een volgende termijn als president van de Federale Republiek van Joegoslavië. We weten nu dat dat een fatale vergissing was. Slechts weinigen dachten dat toen.

Waarom verloor hij op 24 september de verkiezingen die hij zelf had uitgeschreven? Het eerste en meest hartverwarmende deel van het antwoord is: de mobilisatie van het Servië dat hem wilde verslaan. Tegen de collectieve demonisering van «de Serven», na wat «zij» hadden gedaan in Bosnië en Kosovo, kun je niet vaak en krachtig genoeg inbrengen dat er altijd dat andere Servië was. Er zijn Serven die hebben gesproken, geschreven, georganiseerd en gewerkt tegen Milosevic, vanaf het allervroegste begin. Hun strijd was anders, maar zeker niet minder moeilijk of gevaarlijk dan de strijd van dissidenten onder het sovjetcommunisme. Sovjet dissidenten riskeerden gevangenisstraf door de KGB. De Servische dissidenten riskeerden te worden doodgeschoten in een donker steegje door een onbekende aanvaller. Ze waren niet talrijk, maar ze waren er altijd.

Van vitaal belang was de studentenbeweging Otpor, wat «verzet» betekent, die werd opgericht in 1998 als een radicalere opvolger van de protestbewegingen van 1996 en 1997. Een activist vertelde me dat de leden van Otpor op seminars van door het Westen gefinancierde niet-gouvernementele organisaties leerden hoe burgerlijke ongehoorzaamheid en de strijd voor mensenrechten elders waren georganiseerd, van Martin Luther King tot vorig jaar in Kroatië. Dit waren studenten die afstudeerden in Vergelijkende Revolutie. Maar zij voegden er zo'n honderd creatieve varianten van zichzelf aan toe. Zo mengden ze zich bijvoorbeeld in de lange rijen voor suiker en olie, gekleed in T-shirts met de tekst: «Alles in Servië is OK». Onder hun opvallende vlag met de gebalde vuist namen ze het op tegen de politie, telkens en telkens opnieuw. Meer dan 1500 Otpor-activisten werden vorig jaar gearresteerd.

Net als de civil society-activisten die bij de Slowaakse verkiezingen van 1998 Vladimir Meciar deden tuimelen, organiseerden ze een campagne om «je stem te laten horen». Populaire rock ‘n’ roll-concerten werden gecombineerd met de boodschap om te gaan stemmen. Ze verzonnen een slogan, «Vreme je!», «Het is tijd!» of «Nu is het moment!» — wat toevallig precies is wat de menigte in 1989 in Praag riep. Daarna vonden ze een nog betere slogan: «Gotov je!», «Het is afgelopen met hem!» Dat werd het motto van deze revolutie, gekalkt op Milosevic-posters, geschreven op petjes en vlaggen, als graffiti gespoten op muren in de stad, en gebruld vanuit honderdduizend kelen.

Ten tweede was er het feit dat de zeer verdeelde oppositie partijen zich uiteindelijk verenigden. Niet helemaal, voor de zekerheid. De grootste zelfstandige oppositiepartij, de Servische Vernieuwingsbeweging van Vuk Draskovic, weigerde zich aan te sluiten. Bovendien riep de Montenegrijnse president Milo Djukanovic op tot een boycot van de verkiezingen, waarmee hij Milosevic in staat stelde zo goed als alle resterende Montenegrijnse stemmen op te eisen. Maar toch, achttien partijen verenigden zich in een Democratische Oppositie van Servië. Veruit de grootste daarvan was de Democratische Partij, aangevoerd door de lang dienende maar ook gecompromitteerde en impopulaire oppositieleider Zoran Djindjic.

De derde reden dat Milosevic verloor was dat Djindjic en anderen erin slaagden hun eigen kibbelende ego’s genoeg te onderdrukken om in te stemmen met de kandidatuur van Vojislav Kostunica, de leider van de kleine Democratische Partij van Servië, die zich begin jaren negentig had afgesplitst van de Democratische Partij. Kostunica voelde er niet veel voor om het te worden — met veel zelfspot zegt hij dat hij de eerste zwevende kiezer was — maar de keuze was perfect. Want hij bezat een unieke combinatie van vier eigenschappen: hij was anticommunist, nationalist, niet-gecorrumpeerd en saai.

Natuurlijk kunnen we nooit de exacte samenstelling van motieven kennen waardoor tenminste 2,4 miljoen Serven op zondag 24 september een cirkeltje zetten achter de naam van Vojislav Kostunica. Maar mij werden twee treffende deelverklaringen geboden.

Een betreft de Navo-bombardementen. Ik vroeg politici en analisten wanneer zij dachten dat de revolutie begonnen was. Enkelen zeiden, vaak met opeengeklemde lippen: nou, om eerlijk te zijn, aan het eind van de Kosovo-oorlog. Tijdens en direct na de oorlog was er een patriottische neiging zich rond de vlag te scharen, waarvan Milosevic ook profiteerde. Maar het was te absurd-orwelliaans om de staatstelevisie als een overwinning te horen proclameren wat overduidelijk een historische nederlaag was: het feitelijke verlies van Kosovo, het Jeruzalem van Servië. Economisch ging het slechter en elke eis de broekriem aan te halen werd gerechtvaardigd met de gevolgen van de bombardementen. De mijnwerkers in de Kolubara-kolenmijnen, wier staking een beslissende duw zou geven aan de revolutie, vertelden me dat hun loon na de oorlog was gedaald van gemiddeld 150 DM per maand tot een schamele 70 DM. De vermindering werd uitgelegd als een belasting voor naoorlogse wederopbouw. Maar het maakte ze woedend.

Toen, zoals dissident Veran Matic het uitdrukte, vocht Milosevic «de verkiezingen niet tegen ons maar tegen de Navo» uit. Maar dat werkte ook niet, omdat op een dieper niveau de mensen dachten: maar tegen de Navo heeft hij toch verloren, of niet soms? Als Matic gelijk heeft, dan profiteerde Kostunica onbewust van de bombardementen die hij veroordeelde. Deze verklaring is hoogst speculatief, inderdaad, en kan nooit worden bewezen. Maar het zou niet de eerste keer in de geschiedenis zijn dat oorlog hielp een revolutie klaar te stomen.

De andere deelverklaring is minder spectaculair, maar wel overtuigend en belangrijk. Die houdt in dat een grote hoeveelheid mensen die in het verleden op Milosevic hadden gestemd simpelweg besloten dat het genoeg was. De leider was het contact met de realiteit verloren. Omdat hij zo lang de macht had gehad, was hij verantwoordelijk voor de huidige ellende. Het was tijd voor verandering. Het was, zegt Ognjen Pribicevic, Milosevic-criticus sinds vele jaren, net zoiets als wat gebeurde met Margaret Thatcher of Helmut Kohl na hun elf en zestien jaren van macht. De vergelijking met Thatcher of Kohl mag vreemd lijken, en zelfs beledigend. Maar ze is nuttig om aan te geven dat voor veel Servische kiezers Milosevic geen oorlogsmisdadiger was en ook geen tiran. Hij was slechts een nationale leider die een paar goede dingen en een paar slechte dingen deed, maar nu moest vertrekken. Het waren uiteindelijk die mensen die het aantal stemmen voor Vojislav Kostunica net boven de vijftig procent brachten die hij nodig had om in de eerste ronde te worden gekozen.

Dat was dan de verkiezing. Al op de avond van zondag 24 september vertelde een onafhankelijke waarnemingsgroep — alweer een deel van de door het buitenland gefinancierde «derde sector» — de oppositie dat Kostunica had gewonnen, en mensen dansten tot diep in de nacht in de straten van Belgrado. Maar iedereen wist dat Milosevic zijn nederlaag niet zou toegeven. Waarschijnlijk zou hij proberen de «verkiezingen te stelen», frauduleus extra stemmen opeisend uit Montenegro en Kosovo. Dit was slechts het eind van het begin.

Inderdaad, Milosevic liet de Federale Verkiezingscommissie verklaren dat Kostunica meer stemmen had gekregen dan hij, maar niet genoeg om in de eerste ronde de overwinning veilig te stellen. Er zou een beslissende tweede ronde moeten komen op 8 oktober. Nu nam de oppositie een enorme gok, tegen het advies van vele westerse politici en sympathisanten in. Ze zeiden: nee, wij gaan niet naar een tweede ronde. In plaats daarvan zouden ze, door vreedzaam protest van het volk te orchestreren, Milosevic dwingen toe te geven dat hij de verkiezingen had verloren. En ze stelden een deadline: donderdagmiddag 5 oktober om drie uur.

De verkiezingscampagne droeg al elementen in zich van een revolutionaire mobilisatie als die van de verkiezingscampagne van Solidariteit in Polen in de zomer van 1989. Maar nu ontwikkelden de zaken zich duidelijker in de richting van een vreedzame revolutie van een nieuwe stijl. Mensen kwamen de straat op in Belgrado en andere steden om mee te doen aan grote demonstraties. De oppositie wist dat dat niet genoeg zou zijn. Per slot van rekening had Milosevic in 1996-97 drie maanden van grote demonstraties overleefd. Dus riepen ze op tot een algemene staking. En ze riepen alle burgers van Servië op naar Belgrado te komen op donderdag 5 oktober voor de demonstratie die alle demonstraties overbodig moest maken.

De algemene staking was in het begin erg verspreid. Maar op een centrale plaats kreeg het vorm: in de grote openliggende kolenvelden van Kolubara, vijftig kilometer ten zuiden van Belgrado, die de brandstof leveren die meer dan de helft van Serviës elektriciteit opwekt. Het werd onvermijdelijk vergeleken met de Lenin-scheepswerf in Gdansk, de geboorteplaats van de Poolse revolutie in 1980. En naar de Kolubara-mijnen gaan was inderdaad net als teruggetransporteerd worden naar de mijnen en scheepswerven in Polen twintig jaar geleden. Dezelfde plastic houten tafels, pot planten, kanten gordijnen, eindeloze glazen thee en folkmuziek uit een verouderde radio. De arbeiders in blauwe overall, met ongeschoren, smoezelige gezichten en hervonden waardigheid.

We moeten de overeenkomsten met Gdansk niet overdrijven; ik kan een lange reeks verschillen noemen. Maar de staking in Kolubara had grote symbolische betekenis. Het vergrootte het revolutionaire momentum en brak de barrières van angst verder af. Wat volgde was puur Servisch.

In de vroege ochtend van donderdag 5 oktober vertrokken lange rijen auto’s en vrachtwagens vanuit provinciesteden, van Cacak en Uzice, van Kragujevac en Valjevo, van de rijke vlakten van de Vojvodina in het noorden en het Servische binnenland van Sumadija in het zuiden. Het konvooi uit Cacak, aangevoerd door burgemeester Velimir Ilic die al jarenlang tot de oppositie behoorde, had een bulldozer, een grondschuiver en zware trucks volgeladen met stenen, kettingzagen en, jawel, wapens. Ze bulldozerden de politieauto’s die de weg blokkeerden aan de kant. Ook andere konvooien doorbraken politieblokkades, door een mix van onderhandeling en krachtvertoon.

Velen die naar Belgrado kwamen waren gewone mensen uit steden die in handen van de oppositie waren, soms beter geïnformeerd dan hun tegenhangers in de hoofdstad vanwege de lokale onafhankelijke radio- en tv-stations, maar vaak in materiële zin slechter af dan de Belgradoërs, en veel bozer. Desalniettemin waren er onder hen ook voormalige politieagenten en soldaten, veteranen van de Servische acties in Kroatië, Bosnië en Kosovo, gehard, met kaal geschoren hoofd en wapens onder hun leren jack. Mannen die wisten hoe ze moesten vechten en vastbesloten waren deze dag te winnen.

Uit noord en zuid, oost en west stroomden ze naar Belgrado. Ze verenigden zich met de Belgradoërs die met honderdduizenden naar buiten waren gekomen, nog woedender gemaakt door het meest recente absurde en provocerende vonnis van het constitutionele hof dat de presidentsverkiezing van nul en generlei waarde verklaarde. Daar stonden ze dan, met vlaggen en fluitjes en spandoeken met «Het is afgelopen met hem», voor het indrukwekkende parlementsgebouw waar de Federale Verkiezingscommissie die de resultaten van de verkiezingen had vervalst, ook was gevestigd.

Het was drie uur, de deadline voor de revolutie. Toen was het iets over drieën en iemand in de menigte wendde zich tot professor Zrako Korac, lid van de oppositieleiding die de deadline had gesteld, en zei: «Eh, professor, het is zeven minuten over…»

Niemand wist wat er toen zou gebeuren. Of toch?

Wat er gebeurde tussen grofweg drie en zeven uur in de middag van donderdag 5 oktober veranderde alles. Aangevoerd door een man in een rood overhemd die politiestokken en traangas trotseerde, bestormde een mensenmassa het parlement. Kort daarna werd het hoofdkwartier van de staatstelevisie met de grond gelijk gemaakt en in brand gestoken. Een handvol andere belangrijke mediavestigingen, waaronder de studio en het uitzendcentrum van de staatstelevisie en Veran Matic’ radio B92, werden op meer vreedzame wijze overgenomen. Kostunica riep «Goedenavond, bevrijd Servië» naar een dolblije menigte en de mensen vierden feest in de straten.

Deze gebeurtenissen nopen tot een moment van herbezinning op de relatie tussen beeld en werkelijkheid. Degenen die het parlement bestormden, creëerden een onvergetelijk beeld van bevrijding — een beeld dat CNN en de BBC over de wereld stuurden. Dit beeld werd vervolgens realiteit. De overname van de staatstelevisie was ook weer een betoverend televisiebeeld: TV Bastille in vlammen. Maar het betekende ook dat de oppositie nu controle had over de plaats waar de beelden werden gemaakt. Dat, en niet het leger of de politie, is de kern van de macht in de moderne politiek.

Ik herinner me hoe de Poolse oppositieleider Jacek Kuron in 1989 in Warschau zei dat als hij moest kiezen tussen macht over de geheime dienst of over de televisie, hij de televisie zou kiezen. Onze democratieën zijn televisiedemocratieën. (Midden in de revolutie pauzeerden we om Al Gore en George W. Bush een televisiedebat te zien voeren dat beslissend kan zijn voor een «normalere» presidentsverkiezing.) Milosevic’ dictatuur was een televisiedictatuur. En televisie was van even beslissend belang voor de revolutie. Van teledictatuur, via telerevolutie, naar teledemocratie.

Dit was een coup de theâtre die het effect had van een coup d'état. Wie was er verantwoordelijk voor? Ik verzamelde op z'n minst een dozijn ooggetuigenverslagen van de bestorming van het parlement, en die verschillen enorm. Succes heeft vele vaders. Van zulke gebeurtenissen zal de gehele, exacte en naakte waarheid nooit duidelijk worden, maar er is ampel bewijs dat behalve veel spontaniteit ook een zorgvuldige beraming van een revolutionaire greep naar de macht een beslissende rol speelde.

De burgemeester van Cacak, Velimir Ilic, beschreef me hoe hij en zijn groep hun reis naar Belgrado voorbereidden als was het een militaire operatie. Toen ik iemand uit zijn voorhoede, een potige voormalige paratroeper van het 63ste Parachutisten Regiment, vroeg wat het doel van de operatie was, zei hij kernachtig: «Dat Vojislav Kostunica verschijnt op de staatstelevisie om half acht vanavond.» Voor ze gingen, zei Ilic tegen ze: «Vandaag zullen we vrij zijn, of sterven.»

Er zit zonder twijfel enige retrospectieve zelfverheerlijking in deze verslagen, maar andere getuigen zijn het erover eens dat de jongens uit Cacak in de frontlinie aanwezig waren en goed waren uitgerust om te vechten tegen de politie. Een vriend uit Belgrado die erbij was, weet nog hoe een jongen van vijftien of zestien voor het parlement stond en de menigte uitdaagde: «Hebben jullie uit Belgrado ons uit Cacak nodig om te laten zien hoe je je eigen stadhuis moet innemen?» De jongen uit de provincie wist niet eens wat het gebouw precies was, maar hij zou het hoe dan ook gaan bestormen.

Cacak was niet alleen; er waren vele boze mannen uit andere provinciesteden. Toen de eerste, zware golven traangas werden losgelaten door de politie vluchtte het merendeel van de intelligentsia van Belgrado naar appartementen of kantoren of cafés in de buurt. Een andere vriend van me kwam een kennis tegen die zei: «Dit is de grootste begrafenis ooit.» Ze dacht dat de opstand was neergeslagen. Maar de sterke mannen uit de provincie kwamen terug het plein op. Zij hadden geen appartementen in de buurt waar ze naartoe konden en ze waren hier om de klus af te maken.

De eer van Belgrado werd gered door supporters van de grootste voetbalclub van de stad, Rode Ster. Volgens alle verslagen vochten zij ook in de voorste rijen. Ze hadden al geoefend in hun voetbal stadion, de politie tergend met spreekkoren als: «Red Servië, dood jezelf, Slobodan». En ze wisten alles van politietactiek. Achteraf bedankte de nieuwe burgemeester van Belgrado, de historicus en oppositieleider Milan St. Protic, hen voor hun heroïsche rol. Het moet de enige keer zijn geweest dat de burgemeester van een stad zijn voetbalhooligans heeft bedankt voor het beklimmen van de barricaden.

Het was ook niet alleen Cacak dat plannen had beraamd. Cacaks burgemeester Ilic was lid van de gecoördineerde nationale oppositieleiding en anderen in die leiding troffen hun eigen voorbereidingen. Zoran Djindjic, de leider van de Democratische Partij en veel belangrijker dan zijn bescheiden titel van «campagnemanager» voor Kostunica doet vermoeden, vertelde me dat hij en zijn collega’s van de oppositie hun eigen plan hadden om het parlement van de achterkant in te nemen, «maar Cacak was ons te snel af». Zijn rechterhand, Cedomir Jovanovic, een charismatische gewezen studentenleider, was ter plekke, gehuld in een kogelvrij vest. Een volgende bulldozer diende zich aan op hun verzoek. En Kapitein Dragan houdt vol dat hij instructies ontving van een naaste hulp van Djindjic om het tv-station Studio B in te nemen — dat deed hij keurig, waarna hij de bewakers langs een woedende mensenmassa naar de veiligheid escorteerde. Verscheidene figuren uit de oppositie zeggen dat zij hun eigen bronnen hadden binnen de politie, die hen informeerden over politietactiek. Iets voor zeven uur hoorde men een bevelhebber verkondigen, over een in beslag genomen politieradio: «Geef maar op, het is afgelopen met hem.»

Er moeten nog honderden puzzelstukjes op hun plaats worden gelegd: beweringen en tegenbeweringen achteraf over beraamde en spontane acties. Maar het essentiële punt is gemaakt. Er was, na Serviës 1989 en Serviës 1990, een kort moment van 1917: een opzettelijk doch beperkt gebruik van revolutionair geweld. Het is moeilijk voorstelbaar dat de doorbraak zou zijn gekomen zonder dat beperkte geweld. Maar opmerkelijk is hoe beperkt het geweld was en hoe snel het land overging tot een vreedzame revolutie van de nieuwe stijl. Binnen een week organiseerden Otpor-activisten een actie om mensen op te roepen de spullen terug te brengen die ze uit winkels hadden geplunderd.

Je zou bijna willen zeggen, hoewel die uitspraak gevaarlijk is — aangezien hij herinnert aan Audens beruchte regel over «the necessary murder» — dat ze het minimum van noodzakelijk geweld gebruikten.

De vraag blijft waarom het leger, de machtige politie en de speciale staatsveiligheidsdiensten die waren opgebouwd onder Milosevic niet ingrepen, maar in plaats daarpolitie wat traangas lieten gooien en vervolgens opgaven. Want die troepen, goed uitgerust en gehard in de strijd, hadden gemakkelijk een bloedbad kunnen veroorzaken in centraal Belgrado, hoewel dat waarschijnlijk het — nog veel bloediger — einde van het regime zou hebben bespoedigd.

Hier komen we in het meest troebele water. Een van de beweringen over het leger luidt dat de leider ervan, generaal Pavkovic, voorheen bekend als een aartstrawant van Milosevic, weigerde zijn tanks te laten rijden of, iets aannemelijker, dat Pavkovic toen hij overlegde met zijn oudere bevelhebbers, ontdekte dat zij niet van zins waren hun troepen van grotendeels dienstplichtige militairen in te zetten tegen hun eigen volk. (Naar verluidt heeft een duidelijke meerderheid van het leger en de politie op 24 september de naam van Kostunica aangekruist.)

Zoran Djindjic vertelde me dat de gevreesde rode baretten, formeel de Speciale Operatie Eenheid van de Staatsveiligheidsdienst onder het Servische ministerie van Binnenlandse Zaken, een direct bevel ontvingen om het parlement en de televisie te bombarderen en te heroveren. Ze volgden dat bevel niet op. In plaats daarvan namen die rode baretten, aangevoerd door generaal «Legend» Zemovic (herkenbaar aan de tatoeage van een rode roos achter in zijn nek) twee dagen later het ministerie van Binnenlandse Zaken over, voor — of in elk geval onder een hoedje spelend met — Djindjic.

Omdat Belgrado Belgrado is, zijn er nog duisterder speculaties. Want al zo lang ik hier rondreis hebben mensen me fantastische verhalen verteld over samenzweringen: binnenlandse maar ook westerse, in het bijzonder Amerikaanse complotten. Dit is de mondiale hoofdstad van de complottheorieën. Maar in dit geval denk ik dat er best enige waarheid in kan schuilen.

Gespeculeerd wordt dat ontevreden voormalige leden van het leger, de geheime politie en speciale troepen die eerder hadden gemijmerd over een poging Milosevic af te zetten, er nu mede voor zorgden dat hij verkeerd werd geïnformeerd en dat de troepen niet reageerden. Wat het leger betreft is er weinig geheimzinnigs. Twee zeer oude voormalige generaals van Milosevic, Momcilo Perisic (ontslagen als chefstaf in 1998) en Vuk Obradovic, waren nu leiders van de oppositie en hadden publiekelijk en privé hun voormalige kameraden opgeroepen niet in actie te komen tegen het volk. Maar de belangrijkste man die wordt genoemd is de voormalige chef van de geheime politie Jovica Stanisic, die door Milosevic in 1998 werd ontslagen maar die nog steeds veel invloed schijnt te hebben op die schimmige Belgradose grensgebieden waar geheime politie, paramilitairen, zakenmensen, politici en maffiose gangsters bijeenkomen.

De motieven van zulke mannen in de schaduw? Ten eerste, «gewoon om Milosevic te naaien», zoals politiek analist Bratislav Grubacic het tegenover mij verwoordde. Degenen die door Milosevic eerst waren gebruikt en vervolgens afgedankt, zochten wraak. Ten tweede, volgens een bron die ooit dicht bij Milosevic stond: «Om hun leven te redden. En hun geld — you know, een heleboel geld. En misschien ook om hun vrijheid te behouden.» En om te proberen op goede voet te komen met de nieuwe machthebbers. Wat in dit verband allereerst lijkt te wijzen op Zoran Djindjic, die volgens aanhoudende geruchten al eerder ontmoetingen had met de voormalige chef van de geheime politie.

Ik werd getroffen door het feit dat Djindjic, toen ik hem vroeg waarom er geen volksmars naar het hoofdkwartier van de geheime politie werd gehouden — als bij de Oost-Duitse bestorming van de Stasi —, haastig antwoordde: «Nee, volgens ons staan daar waardevolle spullen die elke staat nodig zou hebben.»

De combinatie van die vier ingrediënten — een verkiezing op basis van de bestaande meerpartijenpolitiek, een vreedzame revolutie van een nieuwe stijl, een kortstondige revolutionaire coup de theâtre en een vleugje samenzwering — helpt licht te werpen in de duisternis die de journalisten van over de hele wereld aantroffen toen ze neerstreken in Belgrado. Net als het feit dat verschillende oppositieleiders verschillende melanges prefereerden: Kostunica, de Girondijn, die altijd vreedzame, legale, constitutionele middelen wilde gebruiken, demonstratief beginnend zoals hij wil voortgaan; Djindjic, de Jacobijn, meer geneigd directe actie te ondernemen; terwijl anderen daar ergens tussenin zaten.

Overal hoor je het stille sluipen van overlopers. In een provinciestad delen Otpor-activisten symbolische tubes vaseline uit aan de stroopsmeerders. Maar elke nieuwe democratie heeft die glibberige opportunisten nodig.

De wereld is toegesneld om felicitaties en hulp aan te bieden. Frankrijk voorop, zowel als huidige voorzitter van de Europese Unie als om zijn speciale relatie met Servië te onderstrepen. Vanzelfsprekend ligt er een enorme taak van economische wederopbouw: Serviës bruto nationaal product is grofweg de helft van wat het in 1989 was. Maar, om een economen-uitdrukking over te nemen, Servië heeft de voordelen van de achterstand. Als laatste postcommunistische land kan Servië veel opsteken van al die andere postcommunistische overgangen. Mladjan Dinkic, een representant van de zogenoemde G17 Plus-groep van economen die zich al voorbereidde op een democratische overgang, vertelde me dat ze Poolse shocktherapie zouden combineren met een voorzichtiger privatisering. En ze zullen ook een hoop westerse hulp krijgen. Waarom? Omdat, om het grof te zeggen, Servië wordt beschouwd als klein maar gevaarlijk. (Rusland is gevaarlijk, maar te groot; Bulgarije is klein, maar niet gevaarlijk genoeg.) Dat is een ongewild nuttige erfenis van Milosevic. Een cruciale test — dat hebben we geleerd van andere overgangen — is of ze het gezag van de wet kunnen instellen in een uiterst gecriminaliseerde maatschappij. Dat zal bepalen of Servië een klein Rusland wordt of een beschaafd Europees land.

Twee belangrijke vragen blijven over. Ten eerste: welk land is dit? Kostunica begroette «bevrijd Servië», maar werd vervolgens ingezworen als president van de Federale Republiek Joegoslavië. Montenegro erkende hem niet als zodanig, en hij heeft nu voor gesteld de naam van de staat te veranderen in Servië-Montenegro, hetgeen sterk doet denken aan het voorstel uit 1990 voor Tsjecho-Slowakije met afbreekstreepje, snel gevolgd door hun «fluwelen scheiding». Na de nieuwe Servische verkiezingen zullen de onderhandelingen beginnen over een nieuwe relatie met Montenegro. Kostunica heeft duidelijk gemaakt dat hij de uitkomst van een referendum in Montenegro zal respecteren — en ook in Servië, want de Serviërs zullen niet ten koste van alles samen willen blijven met de Montenegrijnen in een ongelijkwaardige of pseudo-confederatie.

De andere vraag is: wat te doen met het verleden? In het Westen wordt dit meestal teruggebracht tot: wat te doen met Milosevic? Den Haag? Kostunica heeft herhaaldelijk het verzoek om uit levering afgewezen. Een proces in Servië? Dat is wat veel mensen in Servië willen. «Een Nederlandse gevangenis zou veel te goed voor hem zijn», was een commentaar dat ik hoorde. «Laat hem maar eens een Servische proberen.» Of zou hij gewoon «meer tijd met zijn gezin moeten doorbrengen»? «Het kan me echt niet schelen wat er met hem gebeurt», zegt Zoran Djindjic. «We hebben nu andere prioriteiten.»

Maar het probleem van het verleden is veel groter en ingewikkelder dan het lot van Milosevic. Zoveel mensen, inclusief enkele hoge oppositieleden, waren vroeger dienaren of aanhangers van het regime. En dan is er de grote kloof tussen de eenrichtingsvisie van de meeste gewone Serven — die zichzelf zien als slachtoffers, zowel van Milosevic als van de Navo — en de bijna net zo beperkte eenrichtingsvisie van veel buitenstaanders, die de Serven simpelweg zien als de schurken van Bosnië en Kosovo. Een Servische waarheidscommissie zou een reusachtige taak hebben.

Deze en andere vragen zijn nog steeds onbeantwoord. Maar nu al kunnen we met stelligheid een paar dingen zeggen over wat tot een einde is gekomen, en wat er nieuw begonnen is.

Als de Solidaritieit-revolutie in Polen het begin was van het einde van het communisme, dan was dit het einde van het einde van het communisme. Het was de laatste schakel van een twintig jaar oude keten van nieuwe-stijl, Centraal- en Oost-Europese revoluties, steeds lerend van de vorige maar ook nieuwe ingrediënten en varianten toevoegend. En niet alleen in Europa. Er zijn hier echo’s te horen van de Filippijnen en Indonesië. En boodschappen, hoop je dan, voor andere landen. In een inmiddels geglobaliseerde politiek zijn we de oude revolutiemodellen uit 1789 en 1917 voorbij. Als het kan gebeuren in Servië, waarom dan niet in Birma? Waarom niet in Cuba?

Bevrijding is een groot woord, vooral voor mannen en vrouwen die zelfs onder Milosevic semi-vrij waren en die nog steeds de zware last van het oude regime op hun schouders dragen. Maar ze zijn een stuk vrijer, en worden dat elke dag nog meer. «We ademen gewoon vrijer», zei een kennis tegen me. Bovendien kunnen ze eindelijk de toekomst plannen. Een definitie van een bevrijd land is een plek waar mensen eerder naar terugkeren dan uit weggaan. Servië zal nu zo'n land zijn.

Zoals de Hongaarse revolutie van 1956 het beeld van Hongarije in de wereld veranderde, zo zal deze Servische revolutie dat doen met het beeld van Servië. Anders dan de Duitsers in 1945 hebben de Serven zichzelf bevrijd. Als ze kunnen doorgaan met zelf het probleem van het verleden aanpakken, zal die reputatie zelfs nog beter worden.

Dit is het einde van de Balkan-oorlogen. Kostunica trekt zich hartstochtelijk het lot aan van zijn mede-Serven in Kroatië (de zeer weinigen die daar nog over zijn), in Bosnië, in Kosovo (waarnaar hij meer Servische vluchtelingen wil zien terugkeren), en in Montenegro. Maar hij is een man van de vrede en hij zal Servische nationale belangen verdedigen door te onderhandelen. De enigen die nu mogelijk een Balkan-oorlog zouden willen beginnen zijn Albanezen in Kosovo en Macedonië; als de Navo met zijn duizenden troepen in Kosovo dat niet kan voorkomen, kan ze zichzelf net zo goed omvormen tot een kookclubje.

Dit is ook het einde van Servische imperialistische dromen. In Belgrado sprak ik met de schrijver Dobrica Cosic die volgens velen die dromen voedde in het Memorandum van de Servische Academie van Kunst en Wetenschap van 1986 — hoewel hij dat zelf ontkent. Gezeten in het hoofdkwartier van de Servische Academie vertelde hij me dat het er nu simpelweg om ging een moderne Servische natiestaat op te bouwen. Als zelfs de Montenegrijnen hun eigen weg wilden gaan, het zij zo. Laat ze maar gaan. De Serven moeten doorgaan hun eigen staat op te bouwen.

Als dat is wat er gebeurt, en dat vermoed ik, dan zullen we dicht bij het einde zijn van een nog langer en nog groter verhaal: het twee eeuwen oude, vertraagde en lang onderbroken proces van de formatie van moderne Europese natiestaten op de ruïnes van het Ottomaanse Rijk.

En dat betekent weer een grote uitdaging voor het Westen, maar bovenal voor Europa en in het bijzonder voor de Europese Unie. Want na de val van Milosevic is er geen extern obstakel meer dat ons ervan weerhoudt een liberale gemeenschap op te bouwen van niet slechts vijftien maar van dertig democratische natiestaten. Nu hebben we echt de kans en de uitdagende taak het «Europe whole and free» op te bouwen dat George Bush senior zo gedenkwaardig aanriep in de laatste schemering van de Koude Oorlog.

Behoorlijk veel voor een donderdagmiddag tussen drie en zeven uur.

Dit artikel verscheen eerder in de New York Review of Books.

Vertaling: Rob van Erkelens