De Parijse Commune herdacht

De laatste revolutie

Precies 150 jaar geleden werd Parijs bezet – door de Parijzenaars. De ideologische slagschaduw die de radicaal democratische Parijse Commune wierp, is nog steeds zichtbaar. Wat kunnen we leren van deze revolutie?

Communards hebben de door Napoleon I gebouwde Colonne Vendôme omgehaald. Foto gemaakt door François Franck, 16 mei 1871 © Harris Brisbane Dick Fund / Metropolitan Museum of Arts

Parijs herdenkt de Commune van 1871, en als Parijs herdenkt, doet ze dat in stijl. De socialistische burgemeester Anne Hidalgo streeft naar een ‘politieke’ herdenking. Kunstenaars zijn ingeschakeld voor projecten op straat, en tijdens de hele periode van 18 maart tot 28 mei, de 72 dagen van de Commune, zijn er activiteiten gepland. Het motto van de herdenkingen is van de communard Louise Michel, die zei dat ooit de dag aanbreekt waarop ‘vrijheid en gelijkheid heersen, en de mensheid gelukkig is’.

De herinnering aan de Commune is echter niet alleen een vanuit het stadhuis gecoördineerde aangelegenheid. In Parijs is de Commune een levende herinnering, een lieu de mémoire, die door verschillende groepen wordt omarmd. Aan de gevel van Théâtre de l’Odéon, waar al weken tegen de sluiting van de cultuursector wordt gedemonstreerd, hangt een spandoek met in bloedrode letters ‘La Commune’. En niet alleen de demonstranten voor de cultuursector roepen de herinnering aan. In tijdschrift L’Histoire, dat ter gelegenheid van de 150ste verjaardag van de Commune een themanummer maakte, merkte historica Michèle Riot-Sarcey op dat de groepen verenigd als gilets jaunes de geschiedenis van de Commune weliswaar niet altijd goed kennen, maar dat er in hun manier van doen en in hun beeldtaal soms toch overeenkomsten zijn.

Een vleugel van het Louvre weggeblazen; schattingen tot vijftigduizend doden; wijken afgebrand – sinds de Commune gebeurde er eigenlijk niets in Parijs wat zoveel sporen naliet. Maar wat is haar erfenis? Die vraag blijkt 150 jaar na het uitroepen van de Commune nog even moeilijk te beantwoorden als destijds, al biedt de literatuur veel aanleiding om erover na te blijven denken. Wie die literatuur leest met één oog op de geschiedenis en één op het heden, valt op dat sommige elementen verrassend actueel aandoen.

De revolutie kwam op de slippen van de val van het regime van Napoleon III tijdens de Frans-Duitse oorlog, het uitroepen van de Derde Republiek en de maandenlange omsingeling van Parijs door Pruisische troepen. Frankrijk had in de spiegelzaal van Versailles vernederende vredesvoorwaarden opgedrongen gekregen en de Parijse burgers waren na een barre winter waarin de Seine bevroor uitgeput. De stad zuchtte onder voedsel- en medicijntekorten. De bevolking was geradicaliseerd – niet alleen door de omsingeling, maar ook door het feit dat hun regering ze nauwelijks verlichting had gebracht. Geen bevriezing van de huren, geen tijdelijk moratorium op het afbetalen van schulden, geen verlichting van de extreme economische nood. De omstandigheden waren rijp voor revolutie.

De directe aanleiding voor de revolutie kwam, in de woorden van Marx, in de vorm van een mislukte roofoverval. De regering onder leiding van Adolphe Thiers wilde honderden kanonnen uit Parijs weghalen om aan het beroepsleger toe te voegen. De kanonnen waren echter betaald met geld van de inwoners van Parijs en behoorden toe aan de Nationale Garde, het burgerleger dat bestond uit Parijzenaars. In de vroege ochtend van 18 maart zond Thiers troepen naar Montmartre om de kanonnen te confisceren. Het plan mislukte. Er werden schoten gelost, officieren werden gevangenen genomen – de dag eindigde met de bestorming van Hôtel de Ville en de evacuatie van de regering naar Versailles.

De Commune werd uitgeroepen op Parijse barricaden, terwijl Thiers in Versailles al plannen begon te maken hoe de stad te heroveren.

De geboorte van de Commune zorgde niet alleen voor een aftocht van de regering, maar ook voor die van de gegoede burgerij naar Versailles. De arbeidersklasse bleef. Een haastig uitgeschreven verkiezing legitimeerde het uitroepen van de Commune met een grote meerderheid. De Commune was een chaotisch en radicaal experiment in democratie – en werd nagenoeg direct het bewijs van de socialistische gedachte dat democratisch zelfbestuur van en voor ‘gewone’ mensen geen utopische illusie was. Het bestuur van de Commune begon vrijwel meteen proclamaties uit te vaardigen. Achterstallige huur uit de periode van de omsingeling werd kwijtgescholden, uit bittere nood verpande gereedschappen moesten aan handwerklieden worden teruggegeven en de rente op lopende leningen werd bevroren. Vrouwen speelden een belangrijke rol in veel comités en organisaties, zij het nog niet in de officiële bestuursorganen zelf, en muntten de leus ‘gelijk loon voor gelijk werk’. De mairies in de arondissementen werden belangrijke centra waar niet alleen kwesties van lokaal bestuur werden besproken of waar burgers terecht konden met hun problemen, maar waar ook tegen kostprijs warm eten werd geserveerd.

De Commune was, zoals Kristin Ross stelt in Communal Luxury: The Political Imaginary of the Paris Commune (2015), de belichaming van een groeiend en universeel democratisch verlangen: een levende praktijk ‘van modellen en ideeën, leuzen en slogans, uit verre streken en verre verledens, toegepast en uitgewerkt in de koortsige atmosfeer van de clubs en de Commune’.

De anarchist Peter Kropotkin zou later de stemming onder socialisten en revolutionairen vatten met de woorden dat, hoewel de Commune uiteindelijk ‘bitter weinig kon doen’, het weinige dat gedaan kon worden ‘voldoende was om de wereld een groots idee te geven, en dat idee was dat de arbeidersklasse zichzelf kon besturen in het model van de Commune – het idee dat de staat moet ontspringen van beneden, in plaats van moet verschijnen uit de hoogte’.

De arbeidersklasse eiste haar aandeel op van de welvaart van de stad die wel door haar werd geproduceerd en onderhouden, maar waar ze niet in deelde. Een Parijse magistraat, die halverwege de negentiende eeuw opmerkte dat de fabrieken die aan de rand van de stad verschenen ‘ooit het snoer zouden worden waarmee we gewurgd worden’, had in die zin een vooruitziende blik. Een groot deel van de communards bestond uit handwerkers uit de industrieën die de rijke bovenlaag van Parijs van luxe voorzagen.

Die luxe was niet alleen materieel. Ross benadrukt het feit dat de Commune gestalte gaf aan de gedachte dat ook de immateriële rijkdom van de wereld allen toebehoort. Onderwijs moest universeel toegankelijk worden, ook (juist) voor meisjes en vrouwen. Kunst en cultuur werd iets van allen, en niet alleen van de bourgeoisie. Kunstenaars, met Gustave Courbet als beroemdste voorbeeld, meldden zich na het uitroepen van de Commune om deel te nemen aan het bestuur. Schilders en ambachtslieden met liefde voor schoonheid en kunst werden verantwoordelijk voor het beheer van de rijkdommen van Parijs en zorgden er, schrijft Ross, over het algemeen goed voor. De Commune was in die zin een eerste praktische uiting van de verheffingsgedachte.

Tegenover Courbet stonden echter anderen. Diverse schrijvers spuwden hun gal op het grauw dat zich ineens gerechtvaardigd voelde in alle delen van de stad te komen, ver buiten hun ‘eigen’ wijken. John Merriman schrijft in Massacre: The Life and Death of the Paris Commune of 1871 (2014) hoe Edmond de Goncourt overkookte van de ‘abjecte, domme gezichten’ die hij nu overal zag. De Engelse journalist Ernest Vizetelly schreef dat in de rijke wijken met de luxe hotels en winkels ineens gezichten te zien waren ‘die je alleen tijdens revoluties ziet’. En Gustave Flaubert, naast romanschrijver ook pandjesbaas, wond zich vreselijk op over het feit dat hij zijn achterstallige huur niet kreeg. Toch begreep De Goncourt waarom de arbeidersklasse in opstand was gekomen. Hij schreef: ‘Een arbeider heeft inderdaad reden zich af te vragen: “Wat heb ik eraan als er monumenten zijn, en opera’s en café-concerten waar ik nooit een voet binnen zal zetten, omdat ik er geen geld voor heb?”’

De opmerkingen van De Goncourt illustreren de wijze waarop belangrijke dragers van de Franse cultuur de opstandelingen demoniseerden. De geschiedenis van de Commune is ook een geschiedenis van het bloederige succes van propaganda. De communards verboden na hun machtsovername enkele regeringsgezinde kranten (in navolging van wat eigenlijk elke Franse regering in de negentiende eeuw deed in tijden van politieke onrust). Thiers, op zijn beurt, begon vanuit Versailles een propagandacampagne richting de rest van het land om de communards in een kwaad daglicht te stellen: de stad zou een poel van verderf zijn, een nest vol criminelen dat het land te schande maakt en dat zo vlug mogelijk tot de orde moet worden geroepen, bij voorkeur met geweld, om te voorkomen dat men ooit nog in opstand komt.

‘De provincies zagen Parijs uitsluitend door de camera obscura van Versailles’, schreef Marx. Merriman beschrijft hoe vooral de vrouwen van Parijs het slachtoffer werden van de regeringspropaganda. Regeringsgezinde kranten verspreidden de mythe dat Parijs was overspoeld door pétroleuses – vrouwen die rondgingen met olie en Parijs platbrandden – als het ultieme angstbeeld van de burgerij: niet alleen de vernietiging van de trots van de Franse natie door haar eigen inwoners, maar ook nog, tegen de ‘normale’ hiërarchie van de ordentelijke samenleving in, vrouwen die het sloopwerk deden. Revolutiehaat en vrouwenhaat gingen hand in hand. En hoewel tijdens de gevechten tussen het regeringsleger en de Nationale Garde in de laatste dagen van de Commune verschillende gebouwen in brand werden gestoken door de terugtrekkende communards, was dit niet het werk van de pétroleuses.

Dat betekent niet dat er geen vrouwen meevochten. Elisabeth Dmitrieff, die op verzoek van Marx naar Parijs was gereisd om verslag te doen, had zich vrijwel meteen gemengd in de verdediging van de stad, en leidde de Union des Femmes. (Ze droeg, schrijft Merriman, ‘een zwart ruiterskostuum, een vilten hoed met veren en een rode sjaal met een gouden bies’.) Tientallen tot honderden vrouwelijke communards namen in de laatste dagen van de Commune de wapens op en stierven op de barricades. De Commune eindigde in de ‘bloederige week’, de semaine sanglante, toen het regeringsleger de stad binnendrong en in een stadsguerrilla straat voor straat Parijs veroverde op de communards, een bloedbad achterlatend.

De regeringssoldaten, vooral gerecruteerd uit de provincies en volgegoten met Thiers’ propaganda, voelden zich door hun officieren gesteund om de communards naar eigen goeddunken zonder proces dood te schieten. Merriman beschrijft hoe een Amerikaan die de begrafenis van een communard zag en zijn verbazing uitsprak over het feit dat hij ‘helemaal geen kwaad gezicht had’, door een legerofficier werd toegesnauwd ‘nooit meer adem te verspillen voor zulke sentimenten’.

De echte erfenis van de Commune was de vestiging van vergaand staatsgeweld, door verschillende soorten regimes gruwelijk opgestuwd

Het slotakkoord klonk op 28 mei op de begraafplaats Père-Lachaise, een van de laatste posities waar de communards verzet bleven bieden. Het regeringsleger bestormde de begraafplaats, nam ongeveer 150 communards gevangen en vormde een vuurpeloton dat hen tegen de Mur des Fédérés doodschoot. Vandaag hangt er een grote gedenksteen.

Louise Michel, anarchist en socialist, werd na het einde van de Parijse Commune verbannen, 1871 © Apic / Getty Images

Wie niet stierf, werd voor militaire tribunalen gedaagd. Louise Michel (wier motto nu de Parijse herdenking omlijst), verklaarde tegenover de rechtbank dat ze er niet voor zou hebben teruggedeinsd Thiers zelf te vermoorden, en sprak: ‘Als u geen lafaard bent, dood me dan.’

Het leek de dienstdoende rechter echter beter haar te verbannen, om te voorkomen dat ze martelaar zou worden. Die angst gold niet voor de duizenden anonieme communards die door het regeringsleger werden afgeslacht. Merriman beschrijft tot in huiveringwekkend detail hoe de propaganda waarmee Thiers meteen na het uitroepen van de Commune was begonnen, soldaten het alibi verschafte om in de semaine sanglante gruwelijk huis te houden. Edmond de Goncourt, die zich eerder had opgewonden over de vieze gezichten die hij moest zien, schreef: ‘Het is goed dat er verzoening noch onderhandeling was. Een zuivering van het strijdlustige segment van de bevolking stelt een volgende revolutie een hele generatie uit.’

De communards begingen ook hun eigen misdaden, waaronder het executeren van enkele van hun eigen belangrijke gevangenen. Maar de schaal waarop het bestuur van de Commune zich zelfs in de laatste, geradicaliseerde fase aan wreedheid te buiten ging, valt in het niet bij de wraakzucht van Thiers. De erfenis van de Commune is, volgens Merriman, dan ook niet zozeer de praktische utopie, of de symbolische waarde van arbeiders die zichzelf besturen. De Commune was in plaats daarvan het laatste wapenfeit van de (romantische) revolutionaire traditie van de negentiende eeuw, en het eerste van de repressieve en moordlustige staatkunde van de twintigste eeuw.

Tijdens de semaine sanglante werden de ‘demonen van de twintigste eeuw’ ontketend. Na het neerslaan van de Commune kreeg de politie van Parijs nieuwe competenties en voerde regelmatig arrestaties uit van ‘verdachte’ types in Parijse arbeiderswijken. Het doet denken aan wat Hannah Arendt schreef in The Origins of Totalitarianism over de wijze waarop de staat in de twintigste eeuw ‘onoplosbare’ problemen begon over te dragen aan de politie. De totalitaire samenleving heeft zijn kiemen dáár waar vragen die door het recht of de politiek zouden moeten worden beantwoord worden overgedragen aan de politie, die het naar eigen goeddunken met geweld mag oplossen.

Toch was de Commune óók het symbool van een ander soort samenleving. Victor Hugo schreef dat, hoewel het lijk ter aarde lag, het idee nog stond: de hoop op de uiteindelijke overwinning van de arbeidersklasse. De liedtekst van De Internationale werd in de zomer van 1871 geschreven door de communard (en lid van de centrale raad) Eugène Pottier, terwijl de berechtingen en executies in Parijs voortduurden. De Commune werd een belangrijk symbool voor communisten. Lenin beschouwde de Commune als meer dan zomaar een revolutie: het was de vestiging van een volstrekt nieuwe politiek. Het mag dan ook geen verrassing zijn, stelt Gavin Bowd in The Last Communard: Adrien Lejeune, the Unexpected Life of a Revolutionary (2016), dat de normaal zo stroeve Lenin, volgens de verhalen althans, in 1918 een dansje maakte in de sneeuw toen zijn revolutionaire regime officieel langer bestond dan de Commune had bestaan.

Bowds studie is een kleine en wat rommelige geschiedenis van de politiek rondom de herinnering aan de Commune, opgehangen aan het leven van Adrien Lejeune, de ‘laatste’ communard. De sovjets, schrijft Bowd, hadden de lessen van de Commune geleerd – dat wil zeggen: ze hadden zich ingeprent dat ze, vanwege het geweld dat onvermijdelijk tegen ze gemobiliseerd zou worden, zelf alle oppositie met harde hand zouden moeten onderdrukken, nog voor die zich kon organiseren. De brute machtspolitiek van de Sovjet-Unie was in die zin meer dan alleen een reactie op de specifiek Russische politieke situatie. De sovjets deden er veel aan om zichzelf in de traditie van de Commune te plaatsen, om zichzelf zo van een zekere legitimiteit te voorzien. (Ze werden geholpen door een lokale afdeling van de Franse communistische partij, die hun een banier schonk van het 67ste Bataljon van de communards.)

Het leven van Adrien Lejeune past in die beweging. Lejeune was niet een erg heroïsche oud-communard. Als het regeringsleger Parijs binnentrekt probeert hij aanvankelijk de benen te nemen, maar wordt staande gehouden door de Nationale Garde. Hij mag kiezen: vechten of als deserteur worden berecht. Lejeune kiest ervoor terug te keren naar de barricades, en doet dat, volgens de overlevering althans, behoorlijk.

Na de val van de Commune verdwijnt hij een poos van de radar, uit angst om opgepakt en berecht te worden. Als hij weer opduikt wordt hij lid van de Franse communisten. Gaandeweg wordt hij, als steeds zeldzamere en eenzamere overlevende die nog een directe band heeft met de Commune, een soort levend relikwie.

Aan het eind van de jaren twintig vertrekt Lejeune naar de Sovjet-Unie, omdat hij het land, in navolging van zijn leiders, ziet als de verwezenlijking van de strijd die met de Commune was begonnen. Hij krijgt er een lui leventje, deels op kosten van de Franse communistische krant L’Humanité, die hem blijft voorzien van alles waar hij om vraagt: kleding en linnen uit Frankrijk, luxegoederen en chocola. In ruil voor het comfort waarmee hij zich mag omgeven en voor de uitmuntende verzorging die Lejeune (inmiddels hoogbejaard) van de sovjets ontvangt, bewijst hij het regime een dienst door van tijd tot tijd te verklaren dat de Sovjet-Unie waarlijk de voorhoede van de mensheid is, dat de koers van de wereldwijde communistische beweging onder haar leiding de juiste is, en dat de politiek van Stalin gerechtvaardigd is.

De werdegang van de geest van de Commune van een radicaal democratisch, bijna anarchistisch experiment naar de Commune als voorloper van de in staal en bloed gedoopte klassenstrijd en inspirator van een van de meest wrede totalitaire regimes van de twintigste eeuw, spiegelt zich in het levenspad van Lejeune. Het is een trieste tweede illustratie bij de stelling van Merriman dat de echte erfenis van de Commune de vestiging van vergaand staatsgeweld was, in verschillende vormen, en door verschillende soorten regimes tot verschillende gruwelijke hoogtes opgestuwd.

Hoezeer de herdenkingen in Parijs ook op een hoopvolle manier politiek gemaakt worden, de geschiedenis van het geweld dat erbij hoort kan niet ongedaan worden gemaakt. Bovendien is er die andere erfenis: de gedachte dat de Commune nu deels voortleeft in bewegingen als de gilets jaunes, en dat de Commune ons in die zin ook iets vertelt over de moeizame verstandhouding tussen het ‘gewone’ volk en de ‘nette’ burgerij. De oude categorieën passen weliswaar niet goed meer – wie is er nog echt de bourgeoisie, en wie de massa – maar de tegenstelling tussen mensen, bijvoorbeeld langs klasse in culturele zin en sociale mobiliteit, is meer dan reëel.

De opstand van de gilets jaunes, het aanvankelijk hardhandige neerslaan van die protesten door de Franse regering (de nette, schijnbaar zo liberale Franse regering), alsook de neerbuigende reacties op populisme en maatschappelijk protest in het algemeen, zijn een vale echo van de tegenstelling in de Commune tussen de in hun esthetisch gevoel gekrenkte bourgeoisie aan de ene kant en de communards aan de andere kant. Reacties op volksprotest klinken vandaag de dag, los van de inhoud, nog te vaak alsof ze uit dezelfde opgetrokken neus komen van de schrijvers die hun gal spuwden over de holle, verweerde gezichten van de Parijse arbeiders.

De verschillende delen waarin de erfenis van de Commune uiteenviel, vormen de grootste puzzel. De utopische geest van de Commune die inspireert tot het afwerpen van de ‘oude vormen en gedachten’ wordt niet vanzelfsprekend op de ‘grote massa’ geprojecteerd. Dat de twee niet meer samenhangen, of elkaar zelfs als vijand zien, hangt samen met de trauma’s van de twintigste eeuw. Dat de massa-democratie te manipuleren is heeft, althans op grote delen van links, de verlammende gedachte doen postvatten dat de arbeidersklasse, in weerwil van wat de theorie daarover voorschrijft, niet zonder meer het historisch subject van de vooruitgang is. Voor zover er gesproken kan worden over links of ‘progressief’ als een politieke familie, lijkt die te bestaan uit mensen die zich bewegen tussen het liberalisme van de angst en de hoopvolle maar steriele wensgedachte van het theorieboek.

De gedachte dat als de democratie maar radicaal genoeg is ook de utopische toekomst dichterbij komt, heeft te veel nare geschiedenis gezien om overeind te blijven. De opmars in Europa van radicaal- en extreem-rechts en de duizelingwekkende crisis van links doven bovendien al te gretig optimisme.

Zolang die verlamming echter een obstakel is voor het democratische idee dat het een recht is om te delen in de rijkdom van de wereld, en om deel te nemen aan de macht die er nu eenmaal moet worden uitgeoefend, komt de werkelijk veranderingsgezinde politiek niet van de grond. De vlucht in technocratie, of erger, in iets als een basisinkomen, is de reflex van een verheffingsgedachte die zichzelf niet vertrouwt. Als de Commune, ook 150 jaar later, iets laat zien, dan is het ook dit: er is geen revolutie, geen democratie, geen utopie als er geen historisch subject is en geen geloof in dat subject. De ideeën en idealen van de Commune zijn op links nog wel te vinden. Waar het aan ontbreekt zijn communards.