Een trumpiaanse avant-garde

De laatste Romeinen groeten Caesar

Een groepje intellectuelen staat te trappelen om het trumpisme ideologisch te funderen. Opvallend zijn hun klassieke verwijzingen: Amerika is als de stervende Romeinse Republiek en alleen Donald Trump kan een ondergang voorkomen.

Medium gettyimages 617286760
Trump spreekt voor de Amerikanen en alleen voor de Amerikanen © Win Mcnamee / Getty Images

Inkomend president van de Verenigde Staten Donald Trump legt komende vrijdag zijn hand op een bijbel en zal vervolgens plechtig zweren zijn ambt te zullen vervullen naar de wetten en normen van de grondwet – zo waarlijk helpe hem God almachtig. Maar in het geval die laatste het laat afweten staan de intellectuelen in de coulissen van de macht klaar om hun diensten aan te bieden.

De ideologie wordt geleverd door een handvol intellectuelen, zoals The New Yorker recent schreef. Hoewel ze geen coherente groep vormen, delen ze de overtuiging dat het presidentschap van Trump in ideologische termen uit te drukken is en daarmee dus ook ideologische betekenis heeft. Het is een ideologie die een breuk inhoudt met de Amerikaanse geschiedenis tot nu toe en die het land moet behoeden voor de afgrond. En dus put een handvol publicisten zich soms in betrekkelijk minuscule publicaties uit om het trumpisme een ideologische bodem te geven. Hoogst opmerkelijk is hoe vaak die schrijvers zich daarbij de laatste inwoners van de stervende Romeinse Republiek wanen.

De term ‘intellectuelen’ komt met een bijsluiter. Allereerst zijn het intellectuelen van een specifieke politieke bloedgroep: geen linkse, maar rechtse schrijvers. Daarnaast is de term ‘intellectueel’ tamelijk problematisch. De meeste intellectuelen lijken in ieder geval minder te weten dan te geloven: het zijn ideologen meer dan daadwerkelijk kritische denkers. Vakkundig, daar niet van, maar in wezen zouden ze ook klerken kunnen heten, naar het aangename pejoratief van Julien Benda in zijn La Trahison des Clercs.

Hoe dan ook, de bedoelde intellectuelen zijn lid van de schrijvende beroepsgroep en publiceren meestal online. Ze lijken misschien op de meestal naamloze types die tijdens de twintigste eeuw gewoon fellow travellers hadden geheten, en die in die dagen nu juist door politiek rechts als het meest gevaarlijke democratische verschijnsel werden gezien, omdat zij grossierden in een soort belezen moreel onbenul. Een type dat in tijden van grote politieke crisis uit het gebladerte te voorschijn komt om zijn diensten aan te bieden, en dat misschien niet zozeer werkelijk intellectueel is, maar wel zeer goed in staat om allerlei zaken min of meer te intellectualiseren. En dit alles vanzelfsprekend tot grote dankbaarheid van de politieke beweging of leider die het gegeven krediet kan inwisselen voor politieke bewegingsvrijheid.

Het zijn de intellectuelen zoals bedoeld in de klassiek Franse definitie die in zwang kwam tijdens en na de Dreyfus-zaak: minder de denkers of schrijvers van werkelijke naam dan de pretendenten. Intelligent, dat beslist, maar daarmee nog lang niet altijd oorspronkelijke of zelfs ook maar zorgvuldige denkers – vaker gefnuikte marskramers in politieke filosofie.

De eerste oprisping kwam tijdens de verkiezingen, toen een willekeurige (en onderling dikwijls van mening verschillende) groep van ongeveer honderd-plus academici, journalisten, opiniemakers en directeuren en onderzoekers van denktanks, verzameld onder de naam ‘Writers and Scholars for America’ een verklaring tekende waarin ze te kennen gaven, enigszins schoorvoetend nog, niet op Clinton maar op Trump te gaan stemmen, omdat de eerstgenoemde ze vreselijker leek dan de tweede. Ross Douthat, de conservatieve columnist van The New York Times, merkte op dat er weliswaar mensen bijzaten die hij respecteerde, maar dat de meeste ondertekenaars toch types van de tweede garnituur leken – ‘hacks of the sort who flutter inevitably towards Trumps flame’ – die om uiteenlopende redenen als vliegen op de Trump-kaars afkwamen.

De korte verklaring liet de kans echter niet onbenut om een belangrijk idee dat keer op keer opduikt onder de trumpiaanse avant-garde onder de aandacht te brengen: de gedachte dat de republiek zelf zich op een punt van ultieme crisis bevindt. De verkiezing van Clinton zou neerkomen op ‘de definitieve vernietiging van republikeins bestuur, en de permanente aftakeling van het land waar we van houden’. Wat de ondertekenaars – hoezeer ze soms ook verschillend mochten denken over specifieke beleidsthema’s, en hoezeer ze ook uit verschillende ideologische tradities afkomstig waren, van christelijk-conservatief tot libertair tot de collectie nationalistische en racistische schrijvers die hun breivikiaanse obsessies de pakkende naam alt-right wisten te geven – deelden was dat diepe besef van maken of breken: van het laatste keerpunt in de geschiedenis van de Amerikaanse republiek, en de verwachting dat de verkiezing van Clinton een voorgoed einde zou betekenen van het politieke stelsel dat de Founding Fathers tweeënhalve eeuw eerder hadden ontworpen. Obama’s betrekkelijk frequente gebruik van zijn presidentieel mandaat om de obstructie van het door Republikeinen gedomineerde Huis van Afgevaardigden te omzeilen werd er geïnterpreteerd als eerste stap op weg naar een autoritair, om niet te zeggen autocratisch systeem; en Clinton zou die weg zeker verder volgen.

Er is een opvallende, eigenaardige obsessie met 21-eeuws caesarisme die de intellectuelen voor Trump bindt. Hoewel de vergelijking niet altijd expliciet wordt gemaakt zijn de jeremiades over het einde van de republiek vaak doorspekt met directe en indirecte verwijzingen naar de val van de Romeinse Republiek – eerst dodelijk verwond door Caesar, vervolgens onder Augustus definitief op haar knieën gedwongen en uitgerust met keizerlijk bestuur. De obsessie met de Romeinse Republiek toont zich niet in de laatste plaats in de pseudoniemen die sommige auteurs aannemen voor hun bijdrage aan het intellectualiseren van Trump.

‘Degenen die het meest ontzet zijn over Trump zijn het minst bereidwillig te overwegen dat de republiek stervende is’

Op Breitbart.com bijvoorbeeld, online haven voor Amerikaanse nationalisten en ideologen op de rechterflank, schrijft pseudoniem Virgil (Vergilius) blogs waarin hij de aanstelling van Steve Bannon als hoofd-strategie in Trumps Witte Huis verdedigt tegen critici. Bannon was een van Trumps eerste benoemingen – deels een beloning voor zijn vroege loyaliteit en werk tijdens de campagne, en deels illustratief voor hoezeer ideologie, ondanks de schijnbaar volstrekte willekeur in Trumps posities, in ieder geval voor zijn adviseurs een tamelijk belangrijke rol speelt. De uiteenzettingen van Virgil zijn in ieder geval precies dat: hoog ideologische verhandelingen waarin de auteur de politieke cultuur van het land samenvat in schema’s waar ideologische blokken in dodelijk gevecht zijn verwikkeld om de ziel van de republiek.

Doordat het wereldbeeld van Virgil door ideologie volmaakt wordt ingekaderd, ziet hij de politieke posities van anderen of de oppositie daartegen in dezelfde termen. De vijand van het door Breitbart.com uitgevente nationalisme is ‘globalisme’, de ideologie (of zelfs theologie) van ‘de elite’. Die ideologie wordt geschraagd door een deep state binnen de Verenigde Staten, en die diepe staat bestaat uit een enorm ‘complex van bureaucraten, technocraten en plutocraten’ dat de status-quo, die haar bijzonder bevalt, wil behouden. Momenteel voert die diepe staat een aanval uit op Trump en zijn adviseurs, waaronder Bannon.

Trump, met andere woorden, is verwikkeld in een oorlog met een door en door corrupt systeem dat politiek, cultureel en ideologisch is geïnfecteerd door de waanideeën van een elite die tegelijkertijd hopeloos zwak en oppermachtig is; klein en alomtegenwoordig; ideologisch gehard en intellectueel infantiel; vechtend voor haar laatste snik en gebrand om het land in een collectieve culturele zelfmoord te storten.

Het probleem is dat zodra het politieke landschap in die termen is gevangen, het zijn eigen radicalisering verder voedt. Met corruptie is geen onderhandeling mogelijk: het is of de ondergang, of revolutie.

De verzamelde paragrafen op Breitbart.com overtreffen hoogst zelden het niveau van de complottheorie, maar dat wil niet zeggen dat de dynamiek van het wereldbeeld dat eraan ten grondslag ligt elders niet gedeeld wordt. Twee weken geleden publiceerde The New Yorker een interview met de schrijver achter het pseudoniem Publius Decius Mus, die in september vorig jaar een van de meest veelbesproken essays ter ondersteuning van Trump publiceerde in de Claremont Review of Books, getiteld ‘The Flight 93 Election’, naar de vlucht die op 11 september 2001 dankzij de passagiers niet naar Washington DC vloog, maar neerstortte in landelijk Pennsylvania. Het openingssalvo gold eveneens als samenvatting van het volmaakt apocalyptische perspectief van de auteur: ‘2016 is de Flight93-verkiezing: bestorm de cockpit of je sterft. Misschien sterf je sowieso. Jij – of de leider van je partij – dringt wellicht door tot in de cockpit maar weet niet hoe de vlucht te doen landen. Er zijn geen garanties. Behalve één: als je het niet probeert dan is de dood zeker.’

Hysterisch? Publius stelt dat de beschuldiging op de loer ligt. ‘De inzet kan niet zo hoog zijn omdat ze nooit zo hoog is – alleen misschien in de pagina’s van Gibbon.’

Met Edward Gibbon doet de volledige verbeeldingskracht van The Decline and Fall of the Roman Empire zijn intrede in Publius’ perspectief. Trump zou, in zijn ogen, zowel symptoom als de mogelijke genezing kunnen zijn. ‘Alleen in een corrupte republiek, in corrupte tijden, kan een Trump opstaan. Het is daarom zo verbijsterend dat diegenen die het meest ontzet zijn over Trump het minst bereidwillig zijn te overwegen dat de republiek stervende is.’

De grote kwaliteit van het essay van Publius lijkt te zijn dat de stilistische vaardigheid de lezer bijna doet vergeten dat het verder bol staat van leugens en bedrog, waarvan kond gedaan wordt op een toon die het midden houdt ergens tussen het hyperbolisme van de studentendebatclub en de gewetenloosheid van een beroepsmatige demagoog (Clinton zou een miljoen Syriërs willen binnenlaten, nog boven op de toch al onstuitbare influx van ‘derdewereldbuitenlanders zonder traditie, voorkeur, of ervaring met vrijheid’).

De cirkel is volmaakt. Van Gibbon naar de Romeinse Republiek, naar Machiavelli en Donald Trump

In het wereldbeeld van Publius (en anderen) wordt de vertrouwde canon van dertien-in-een-dozijn-hysterie over massa-immigratie en de verdwijnende natie gekoppeld aan de verbeelding te leven in de stervensdagen van de republiek – en wat een mogelijkheid tot heroïek! Kelefa Sanneh, schrijver van het profiel in The New Yorker, portretteerde Publius tijdens een lunch ergens in Grand Central Station. In het dagelijks leven werkt hij in de financiële sector, maar Publius leefde op, registreert Sanneh, wanneer hij kon spreken over politieke filosofie. Het portret van Sanneh is nog vrij gul. Minder welwillende ogen zouden misschien iemand zien die de inhoud van zijn boeken onvoldoende heeft kunnen scheiden van de werkelijkheid, en zijn verbeeldingskracht op hol heeft laten brengen door de dramatiek en belofte van politieke filosofie. De geschiedenis herhaalt zich: eerst als tragedie, dan als klucht, dan als de tenenkrommende bewerking van een amateurtheatergezelschap. Maar voor Publius was de inzet enorm: ‘De verkiezingen van 2016 zijn een test – in mijn opvatting de laatste test – of er nog virtù over is in wat ooit de kern van de Amerikaanse natie was.’

Het is riskant om te veel coherentie te willen zien in de amateur-intellectuelen die zich met zoveel graagte achter Trump scharen, in de overtuiging dat alleen hij het land nog met een formidabele klap van zijn doodsdrift kan bevrijden. Maar opvallend vaak bestaat er een overeenkomst in het gebruik van kernwoorden die te specifiek is om niet op te merken. Publius was niet de enige die hoopte op een terugkeer van virtù, de nietsontziende deugdzaamheid die de instandhouding van de republiek boven alles plaatst, zelfs boven persoonlijke deugdzaamheid. Een jaar eerder publiceerde Harvard-alumnus Julius Krein (net als Publius werkzaam in de financiële sector) een kort essay in The Weekly Standard, waarin hij betoogde dat ‘alleen Trump begrijpt dat politiek meer is dan beleid en ideologie’. Het punt was, stelde Krein, dat de bulderende Trump ‘een voorbeeld van machiavelliaanse virtù’ vertegenwoordigde ‘die lang afwezig is geweest uit de Amerikaanse politiek’.

De cirkel is volmaakt: met virtù doet ook de grote interpretator van de Romeinse geschiedenis in de vroegmoderne tijd, Machiavelli, zijn intrede. Van Gibbon naar de Romeinse Republiek, naar Machiavelli en Donald Trump. En ergens daartussen de verbeeldingskracht van een anonieme publicist die ervan overtuigd is dat Trump misschien de redding is waarop de republiek altijd heeft zitten wachten, en dat zijn instabiele persoonlijkheid eigenlijk een uitgekiende vorm van 21ste-eeuws machiavellisme is.

Kreins betoog raakte al alle thema’s aan die later ook zouden opduiken bij Publius Decius Mus en anderen: ‘De kritieke vraag (…) is niet de bron van zijn populariteit maar de reden waarom zijn populariteit zo schokkend is voor onze politieke cultuur. Misschien bedreigt Trumps kandidatuur een grotere consensus die onze politieke en sociale levens bestuurt, en misschien signaleert zijn populariteit een diepgaande uitdaging aan elite-opvattingen. (…) Wat Trump anders maakt is niet wat hij zegt of hoe hij het zegt, maar waarom hij het zegt. De rode draad in zijn ogenschijnlijk incoherente beleidsvoorstellen, wat hem definieert als kandidaat en de kern vormt van zijn aantrekkingskracht, is dat hij probeert te spreken voor Amerika. Dat wil zeggen, niet voor Amerika als een abstractie maar voor echte, levende Amerikanen en hun belangen, als onderscheidbaar van die van mensen in andere plaatsen. Hij verontschuldigt zich niet voor het hebben van belangen als een Amerikaan, en hij verontschuldigt zich niet te eisen dat de Amerikaanse regering die belangen krachtdadig nastreeft. (…) Wat hem populair maakt op het immigratiedossier is niet hoe extreem zijn voorstellen zijn, maar de nadruk die hij legt op de belangen van Amerikanen in plaats van die van alle anderen.’

Het betoog van Krein bevatte niet de agressie van Publius en bleef daarom misschien meer onopgemerkt. De kern ervan is echter dezelfde, uitgedrukt in de titel: ‘Traitor to His Class’. Trump pleegde verraad aan de consensus onder zijn klasse – stapte bewust uit de binnenwereld, en bevestigde aan iedereen die het maar horen wilde dat het daar inderdaad één grote corrupte bende is. Die eigenschap maakt hem gevaarlijk in de ogen van de elite, en bedwelmend voor types als Publius en Krein, die de Amerikaanse politieke cultuur in zijn geheel min of meer hebben afgeschreven.

Tegelijkertijd valt niet aan de indruk te ontsnappen dat, ondanks alle geleende pathos, het werkelijke drama klein is. Naast de zelf opgeklopte paniek over ‘massa-immigratie’ komen beide auteurs zelden verder dan de kleine vetes van studenten op Amerikaanse universiteitscampussen. Een van de weinige stukken die Krein verder ooit publiceerde is een wat verongelijkte aanklacht tegen een protest op de campus van Harvard. Publius, op zijn beurt, gaf in zijn essay naast ‘massa-immigratie’ alleen een handvol voorbeelden over genderneutrale toiletten en campusgedoe.

Niet echt het spul waar de Romeinse Republiek aan ten onder ging. Voor al hun grandeur en fantasie over de nadagen van de republiek is de steen des aanstoot steeds zo kinderachtig – twee amateur-publicisten, beiden werkzaam in de financiële sector, die jaren na hun afstuderen nog verbolgen zijn over de zottigheid van het Amerikaanse campusleven en dat hebben weten op te blazen tot een narratief over de stervensweg van de Republiek.

Publius en Krein schreven tot afgelopen zomer samen voor het weblog Journal of American Greatness, totdat het blog er abrupt mee ophield. Krein kondigde twee weken geleden echter aan dat hij een kwartaalblad begint, American Affairs, volgende maand voor het eerst te verschijnen, dat een meer professionele voortzetting moet worden van de essays die online verschenen. Het is de bedoeling dat American Affairs een intellectueel tijdschrift wordt voor het trumpisme en de interpretatie ervan. Hoewel Publius er niet voor zal schrijven was hij in een adviserende rol betrokken bij de aankondiging ervan. De ambities van Krein zijn niet bescheiden. In een interview met Politico merkte hij op dat hij even oud was als William F. Buckley toen die in de jaren vijftig het tijdschrift National Review begon (tot verontwaardiging van sommige conservatieve publicisten, die de zelfgezochte vergelijking tamelijk onbescheiden, om niet te zeggen potsierlijk vonden). American Affairs zal zich bij de Claremont Review voegen als belangrijkste forum voor publicisten die ten minste welwillend staan tegenover Trump en het trumpisme.

National Review werd onder Buckley zeer succesvol. Wat het lot wordt van American Affairs en de schrijvers die zich eraan zullen verbinden is moeilijk te zeggen, noch of Trump zich, in ultimo, iets van hun arbeid aan zal trekken. De hoop is er ongetwijfeld – en de positie van ideoloog Steve Bannon in het Witte Huis zal wellicht garanderen dat er zo nu en dan iets gelezen wordt. Maar de gedachte dat Trumps labiele persoonlijkheid op de een of andere manier door een soort instinct wordt gemotiveerd waardoor zijn politiek volmaakt samenvalt met de intellectuele arbeid verricht door de publicisten die American Affairs gaan volschrijven lijkt toch nogal onwaarschijnlijk. Even onwaarschijnlijk, in ieder geval, als de gedachte dat een vuilgebekte, fascistoïde demagoog de republiek van de ondergang gaat redden.

Maar dat is ongetwijfeld aan dovemansoren gericht. Is het zo niet altijd? Ergens is het zicht op de werkelijkheid verloren, en in plaats ervan toont zich alleen nog een enorme crisis. Dan, uit het midden van de draaikolk, staat een politicus op die zich aandient als canvas voor hun op hol geslagen fantasie. Opium voor de intellectuelen. En in hun delier zwaaien ze, vast overtuigd haar van de doem te gaan redden, voor een laatste keer naar de republiek.