Agnes Denes, Wheatfield - A Confrontation: Battery Park Landfill, Manhattan, met Agnes Denes tussen haar tarwe, 1982 © John McGrail / courtesy Leslie Tonkonow Artworks + Projects

Manhattan, mei 1982. Op een braakliggend stuk grond bij Battery Park, om de hoek van Wall Street en met uitzicht op het Vrijheidsbeeld, loopt een Hongaarse kunstenaar. De grond onder haar voeten was lange tijd een stortplaats voor puin, daar gedumpt bij de bouw van de Twin Towers tien jaar eerder, grond ‘vol met keien en stenen en oude overjassen en stropdassen’, zoals ze dat noemt. Maar precies tweehonderd vierkante meter van het uitgestrekte terrein heeft ze eigenhandig opgeruimd en schoongemaakt en nu stopt ze zaadjes in de grond, in een laag met verse aarde die daar op haar verzoek is uitgestort.

Het is tarwezaad uit North Dakota en zes weken later verschijnen de eerste planten boven de grond. Langzaam groeit het terrein uit tot een volwaardig tarweveld: een kavel van wuivende gouden pluimen in het hart van het wereldwijde financiële kapitaal. Het Vrijheidsbeeld steekt precies boven het graan uit, als een vogelverschrikker. In augustus kan worden geoogst en meer dan duizend pond tarwe komt van het veld. Het zaad wordt als kunstwerk opgenomen in de International Art Show for the End of World Hunger, een tentoonstelling met ruim veertig kunstenaars onder wie Andy Warhol en Louise Bourgeois, en reist jarenlang door de Verenigde Staten, Europa, Zuid-Amerika en Afrika. Achttien steden doet de expositie aan en bezoekers kunnen daar zaden van de tarwe meenemen om het veld van Denes op eigen grond voort te zetten.

Wheatfield – A Confrontation van Agnes Denes is een van die zeldzame kunstwerken die met de jaren alleen maar beter worden, ook al bestaan ze alleen nog in woorden en op foto’s. De schoonheid van het tarweveld is onweerstaanbaar, hoe het geel en soepel afsteekt tegen de grijze, statische gebouwen. De paradox van een stuk natuur in een extreem stedelijke omgeving, van het ‘waardeloze’ graan op een stuk grond waarvan de waarde toen al op miljarden geschat werd, staat als een huis. Maar ook de hele verschijning van een veld met graan, de basis van belangrijke voeding, naast beursgebouwen waar uitsluitend in cijfers over voedsel gedacht wordt, als abstracte eenheden van speculatie, raakt nog altijd. ‘Mijn beslissing om een graanveld te planten in Manhattan, en niet een of andere publieke sculptuur te maken, kwam voort uit mijn al lang bestaande zorgen over en noodzaak om aandacht te vestigen op onze misplaatste prioriteiten en verslechterende menselijke waarden’, schreef Denes in de catalogus van de tentoonstelling. ‘Het vertegenwoordigde voedsel, energie, commercie, wereldhandel, economieën. Het refereerde aan mismanagement, verspilling, wereldhonger en ecologische zorgen.’

Bijna veertig jaar later zijn de zorgen van toen niet van tafel. Sterker nog, elk terrein dat Denes noemde, zou in de jaren die volgden uit de bocht vliegen. We dealen nog altijd met de nasleep van een financiële crisis, worden ons langzaam bewust van de klimaatcrisis en zitten nog midden in een gezondheidscrisis. De macht is in toenemende mate aan de commercie en de verspilling is op een hoogtepunt. Een kunstwerk kan natuurlijk maar zoveel doen. Maar voor Denes, inmiddels negentig jaar oud, was het project geslaagd op het moment dat de mannen in pakken uit hun kantoren kwamen, voor een wandeling door het veld.

Ons denken over het landschap, natuur en voeding weerspiegelt de staat van onze wereld. Honger was het centrale thema van de jaren tachtig. In 1985 verenigden grote artiesten zich op een podium en zongen We Are the World om geld in te zamelen voor de bestrijding van honger in Afrika. De afgelopen drie jaar groeide de wereldhonger voor het eerst in tijden weer explosief, maar het klimaat heeft vandaag onze aandacht, als ultiem vraagstuk dat natuurlijk nauw met voedselvoorziening verbonden is. Tal van kunstenaars buigen zich over uiteenlopende ecologische kwesties. In de geest van Denes leggen ze een voedselbos aan, werken in een tropische kas of kweken een historisch beladen tuin. In hun kunst verbinden ze grote vragen vaak aan een kleine gemeenschap, of juist precies andersom. Het klimaatprobleem is niet te overzien en experimenteren met schaal is de crux. Uiteindelijk gaat de kunst vaak over zorg – de zorg voor de wereld, de zorg voor elkaar.

Het politieke élan bij deze kunstenaars is ook opvallend. Wie vandaag kunst maakt met planten, brengt nooit zomaar schoonheid. De tentoonstelling Is It Possible To Be a Revolutionary and Like Flowers?, binnenkort te zien bij kunstruimte Nest in Den Haag, brengt kunstenaars samen die iets met bloemen maken en kijkt daarbij naar ‘feministische affiniteiten, queer verlangens en ecologische solidariteit’. En toch is de schoonheid ook nooit ver weg: werk van onder anderen Anne Geene, Camille Henrot, Otobong Nkanga en Lily van der Stokker weet altijd eerst te verleiden.

Inge Meijer, Tuinauto, 2021. Ilford Gold Fibre Silk, 60 x 40 cm © Inge Meijer / Galerie Akinci

Zoals in het tarweveld in Manhattan de hele wereldproblematiek samenkwam, zo kan dat ook in een bloemperkje in Utrecht. Voor het Centraal Museum groeit sinds juni een bont arsenaal aan planten in aanloop naar de tentoonstelling De botanische revolutie: Over de noodzaak van kunst en tuinieren. Het zijn planten met een lange geschiedenis die de Braziliaanse kunstenaar Maria Thereza Alves letterlijk opdiepte uit de archieven. Sinds 1999 zoekt zij naar historische stortplekken in Europese havens. Eeuwenlang bevoeren schepen de oceanen met ‘ballast’ aan boord: een hap aarde uit het land waar ze zojuist hun handel hadden gesleten die ervoor moest zorgen dat de schepen diep genoeg in het water lagen. Eenmaal gearriveerd in een haven, werd de ballast overboord gegooid.

In de negentiende eeuw al verbaasden botanisten zich over de rijkdom aan planten rond hun havens die normaal groeien in Azië, Afrika en Amerika en noemden het ‘ballast-flora’. Alves ontdekte dat die gedumpte grond nog altijd te herleiden is tot de plek waar zij gedolven werd, vol met stenen, zand en hout. Ook zaden kwamen mee als verstekelingen die, wanneer bewaard in aarde, jaren, decennia en zelfs eeuwen later nog kunnen ontkiemen. Het zijn sporen van de handel, van de verplaatsing van goederen en ook van mensen, in de hoogtijdagen van de slavernij.

De planten die voor het Centraal Museum groeien zijn het resultaat van Alves’ onderzoek in Liverpool. Enerzijds is het jammer dat Alves niet in de haven van Rotterdam of Middelburg is gaan spitten, maar eigenlijk maakt dat niet uit: de grote wereld staat in een open verbinding en je kon als zaadje, of als mens, evengoed in Liverpool of in Rotterdam terechtkomen. De planten zijn het bewijs van de complexe wereldgeschiedenis waar we ons steeds meer van doordrongen zijn.

In de achttiende eeuw werd Liverpool een centrale haven in de slavenhandel. In de trans-Atlantische ‘driehoeksvaart’, de handelsroute tussen Europa, Afrika en Amerika, voeren schepen vanuit West-Europa naar West-Afrika waar ze hun waren ruilden voor slaven, goud en ivoor. Dan voeren ze naar het Caribisch gebied en de kust van Noord-Amerika, waar de slaven werden verkocht en producten als suiker, koffie en tabak werden ingeslagen. Maar vaak ook werd daar waardeloze ballast aan boord geladen om zo spoedig mogelijk huiswaarts te kunnen keren, klaar voor een nieuwe ronde mensenhandel.

Zaden kwamen mee als verstekelingen op schepen en kunnen soms eeuwen later nog ontkiemen. Het zijn sporen van de handel tijdens de slavernij

Alves traceerde in de archieven de oorspronkelijke dumpplekken voor ballast. In Liverpool bleek er zo veel ballast aanwezig dat het met bouwprojecten verspreid werd door de hele stad. Overal in Liverpool kun je exotische planten en bloemen treffen, langs velden en langs wegen, groeiend in scheuren en gaten in het beton.

De gretigheid van toen geldt als opmars naar de wereld van nu, een wereld van overvloed, ongelijk verdeeld. De balans van de wereld sloeg definitief door naar een kant van de wereld. De ‘ballast-tuin’ van Alves, met papegaaienkruid en kaasjeskruid, getuigt daarvan.

Maria Thereza Alves, Seeds of Change: A Ballast Flora Garden. Locatie: Nicolaaskerkhof, Utrecht © Robert Oosterbroek / Centraal Museum Utrecht

Ook voor het Nederlandse paviljoen op het terrein van de Biënnale van Venetië, in de tuinen van de stad, de Giardini, groeit momenteel van alles. Buiten staat een viertal rhizotrons, slanke, glazen bakken die het mogelijk maken om het bodem- en plantenleven te bestuderen. Binnen in het paviljoen komen in video’s beelden van onder meer planten, bomen en bloemen, een vijver en wat een fladderende citroenvlinder lijkt voorbij.

Who Is We? heet de gezamenlijke presentatie van architect Afaina de Jong en kunstenaar Debra Solomon, een wedervraag op het thema van de biënnale van dit jaar: How will we live together? ‘Het woord “we”’, aldus Het Nieuwe Instituut, opdrachtgever van het paviljoen, ‘zou alle mensen moeten omvatten en meer-dan-mensen zoals de bodem, planten, dieren en microben.’ De Jong stelde zich voor haar architecturale installatie in het paviljoen de vraag: wie zijn wij als een hoogst geprivilegieerde groep van ontwerpers, en hoe verhouden we ons tot de macht? Solomon, maker van de glazen bakken en de groene beelden, legt in een interview in het paviljoen het verband tussen de klimaatcrisis en de crisis in democratie die op veel plekken in de wereld gaande is. ‘Deze twee crises vragen van ons om contact te leggen met de multispecies die we zijn, maar die zich ook uitbreidt naar onze ecosystemen en hoe deze ecosystemen beheerd worden.’

Het onderscheid tussen stad en land, dat Denes in Manhattan op scherp zette, bestaat voor deze kunstenaars niet. Ze nemen pluraliteit als drijvende dracht van een maatschappij, De Jong spreekt van de ‘Multiplicity of Other’, Solomon over een ‘Multispecies Urbanism’, tevens titels van hun werk. De rhizotrons vulde Solomon met grond uit Amsterdam-Zuidoost en -Noord. De tentoonstelling is voor een groot deel goed digitaal te bezoeken, deze installatie helaas niet.

Een van de video’s van Solomon heet We Are Working on Our Relationships. De prachtige beelden met tekst zijn afkomstig van het Voedselbos Amsterdam-Zuidoost (vbazo), een openbaar voedselbos van 55 hectare dwars door de stad dat zij in 2018 begon en waar inmiddels meer dan zeventig lokale vrijwilligers zich voor inzetten. Ze beschrijven het web van relaties en leveren kritiek, bijvoorbeeld op het maaibeleid van de gemeente dat er niet in slaagt om de reuzenberenklauw, die bekend staat als giftig, te verwijderen. Dus doen de vrijwilligers dat zelf, met de hand, een voor een. Ze stellen prikkelende vragen. ‘Hoe zou een meer-dan-mens-alliantie de publieke ruimte beheren?’

Het voedselbos gaat over meer dan voedsel, tuinieren of gemeenschapsgevoel. Het volgt de wortels van het netwerk in een stedelijke omgeving. Een netwerk dat zich om ons heen bevindt, onder ons door, in onszelf.

Ook in de Giardini deed Solomon bodemonderzoek en ontdekte dat de grond zowel droogte, bodemverdichting als een slechte gezondheid van de bomen liet zien. Ze schreef een voorstel voor een interventie die, in samenwerking met het lokale activistische platform We Are Here Venice, ook na afloop van de biënnale een gunstig effect op de biodiversiteit en de bodemgezondheid zou hebben. Twee vijvers, een tussen het Nederlandse en het Belgische paviljoen en een tussen het Nederlandse en het Italiaanse paviljoen, zouden wonderen verrichten.

Juan Arturo García, Radical Observation, 2020. Filmstill. In samenwerking met Debra Solomon, VBAZO/Voedselbos Amsterdam-Zuidoost. Te zien in het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië © Juan Arturo García

Ooit stonden er planten in de zalen van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Tussen 1945 en ’83 verbleven maar liefst 39 soorten in het museum. Ze stonden naast de werken van Mondriaan en Rothko, naast Niki de Saint Phalle, in een opstelling die wisselde met elke nieuwe tentoonstelling. De laatste plant, een sanseveria, werd in 2013 uit het museum verwijderd ‘omwille van de luchtvochtigheid, de veiligheid en hygiëne’.

Kunstenaar Inge Meijer deed onderzoek naar deze verdwenen ‘plantencollectie’, maakte er in 2019 een wonderlijk kunstenaarsboek over en bracht stekjes van de laatste ‘museale’ plant, die nu bij een medewerker thuis staat, opnieuw de wereld in. Ze leerde over de planten maar ook over de man die ze in het museum verzorgde, H.J. van der Ham.

Zijn naam valt opnieuw op een zonnige, winderige zondagmiddag bij de tropische kas van Beetsterzwaag. Zes weken lang verbleef Inge Meijer in het Friese dorp voor een residency bij Kunsthuis SYB en nu presenteert ze haar werk aan een publiek van voornamelijk vrijwilligers van de tuin. Ze had deel uit mogen maken van de Groengroep, gaf elke avond de planten water in de tropische kas en verwonderde zich dan over de kleuren en vormen van de planten. Maar vooral leerde ze van de vrijwilligers, van hun zorg, kennis en herinneringen. Ze hoorde over een man genaamd Geert Hemminga die op twaalfjarige leeftijd als tuinman aan de slag ging voor de adellijke familie in wier bezit de tuin toen nog was. Het was hard werk – de kassen werden verwarmd met kolen – maar onder zijn goede zorg bloeiden de planten vaker en werden ze ouder. Meijer vertelt, boven de wind door de bomen uit: ‘Het gaat over dienstbaar werk, arbeid waar vaak geen naamkaartje aan hangt. De planten zijn afhankelijk gemaakt van zorg en als ze goed verzorgd worden, laten ze dit zien. Maar het museum, of in het geval van Hemminga de adellijke familie, streek met de eer.’

Meijer is gefascineerd door deze onzichtbare krachten waar planten op groeien. Ze gaan voor haar over de gemeenschap maar ook over klasse, vertelt ze na afloop van de presentatie: Van der Ham ging zelf ook dichten, niet zo goed, maar toch. De dochter van Hemminga, nu zelf vrijwilliger, had nog een stapel zakdoeken van haar vader die Meijer kon gebruiken. De ouderwetse zakdoeken met een ruit in verschillende kleuren bedrukte Meijer met foto’s van planten uit de kas. In Kunsthuis SYB hangen ze die middag aan een waslijn.

Planten en bomen gaan voor Meijer over processen van zichtbaarheid en onzichtbaarheid. Jaren eerder leerde ze over een Colombiaans fenomeen: de vivero ambulante, een auto met planten op de motorkap, het dak en de kofferbak die door de straten van Bogota rijdt, een ‘soort rijdende berg’. Ze sprak met een kweker die zo zijn planten vervoert en raakte geïnspireerd door zijn zorg voor de planten en de manier waarop hij mensen daarmee verbindt. In Beetsterzwaag nam ze haar eigen auto onder handen en bedekte het voertuig met een assorti van planten, grassen en pluimen, een melange van paars, geel en groen. De auto staat voor de gelegenheid in de tuin, maar is eigenlijk vooral een prop voor de video die draait in een hoek van de schuur, naast het tuingereedschap. We zien de auto, van boven gefilmd, rijden op een landweg tussen de mais- en aardappelvelden. Maar eigenlijk zien we de auto bijna niet, alleen een kluitje planten dat door het groen beweegt.

Straks is de video te zien in galerie Akinci in Amsterdam, samen met de zakdoeken van Hemminga. Oude zorg zichtbaar gemaakt en opnieuw de wereld in geslingerd, net als de laatste sanseveria.

De botanische revolutie: Over de noodzaak van kunst en tuinieren, 11 september t/m 9 januari in het Centraal Museum in Utrecht, centraalmuseum.nl. Is It Possible To Be a Revolutionary and Like Flowers?, 10 september t/m 19 december bij Nest in Den Haag, nestruimte.nl. Who Is We? Het Nederlands Paviljoen op de 17e Architectuur Biënnale, t/m 21 november in Venetië, whoiswe.hetnieuweinstituut.nl. Inge Meijer: Nothing Is Something To Be Seen, 2 september t/m 10 oktober bij Akinci in Amsterdam, akinci.nl