De laatste streken van Thomas Bernhard

Op 12 februari is het twintig jaar geleden dat Thomas Bernhard overleed. Regisseuse/scenariste Frouke Fokkema herinnert zich haar absurde vriendschap met de Oostenrijkse toneelschrijver.

Op 12 februari 1989 verliet de doodzieke Thomas Bernhard zijn grote vierkante boerenhoeve in Obernatal. Het huis lag te afgelegen en werd te bewerkelijk met zijn vele tegelkachels. Bernhard had zijn toekomstige sterfhuis al in 1967 gekocht in de Lerchenfeldgasse 11 te Gmunden, naast dat van zijn halfbroer, de internist dr. Peter Fabjan. Het appartement gaf uitzicht op dat van zijn halfbroer. Zo konden ze contact houden. Bernhard weigerde om te moeten sterven in het huis van een halfbroer, die nooit en te nimmer iets van hem had willen lezen.
Bernhard lag op bed, eenzaam in een kamer in een bijna leegstaand huis. Behalve het bed stond er een boekenkast en een kluis met onuitgegeven manuscripten. Een dag voor zijn sterven belde hij een paar geliefde vrienden, onder wie de Duitse regisseur Claus Peymann. Hij maakte een praatje, hing weer op, belde weer en hing weer op. Peymann herkende niet de man die Bernhard altijd was geweest, de grote toneelschrijver die zich nooit aan iemand wilde binden. Het irriteerde Peymann zelfs, die dwingende telefoontjes over niets, over het weer, over hun laatste succes, het toneelstuk Heldenplatz. Bernhards bindingsangst sloeg om in een intens verlangen zijn vrienden nog een keer te zien. Zolang hij de stem van Peymann hoorde, voelde hij het leven. Niemand had tijd voor een laatste Schnapps. Dan maar iets kopen. Een thermosfles. Die had hij zien staan ergens in een etalage in Gmunden. Die thermosfles maalde maar door zijn hoofd en moest absoluut worden gekocht. Gewoon nog een dagje meedoen met het leven. Dr. Peter Fabjan sleepte zijn broer, in een deken gewikkeld, mee en reed met hem naar de winkel in Gmunden.
Door een verwaarloosde longontsteking leed Bernhard al vanaf zijn puberteit aan een longziekte. De laatste jaren begon zijn hart te groeien en drukte pijnlijk tegen zijn longen. Bang dat hij in zijn slijm zou stikken, koos hij voor euthanasie. Dat was de deal. Dr. Fabjan verliet zijn flat, nam een camera mee en stak de sleutel in de deur van het appartement van zijn halfbroer. Hij schoot een laatste foto van een bedrukt kijkende, weerloze, zwaar hoestende Thomas, die in een trui en corduroy op bed lag. Hij dronk zijn laatste drankje en blies zijn laatste adem uit. De vrijetijdskleding veranderde in een lijkwade. Oostenrijks grootste proza- en toneelschrijver, geliefd en gehaat, had niet in zijn ‘woedende’ haat willen stikken.
De schrijver werd twee dagen later begraven op de Grinzinger Friedhof in Wenen. Hij werd bijgezet in het graf van zijn dierbare vriendin Hedwig Stavanicek, vlak bij het graf van Alma Mahler. Aan zijn graf stonden alleen zijn halfbroer en halfzuster.
De vrienden konden het drie dagen later in de krant lezen. De zestiende februari stond een summier berichtje in de krant dat hij eenzaam was gestorven en door zijn halfbroer dood was gevonden. Tot de dag van vandaag blijft het speculeren over zijn dood.
Thomas Bernhard had in zijn testament laten zetten dat in de eerste tachtig jaar niets van hem meer gepubliceerd of opgevoerd mocht worden. Toch nog een beetje pesten, een klein beetje leedvermaak van onder de zoden.
Ik had een heerlijke verjaardag in Parijs bij vrienden gevierd en verbleef in mijn favoriete hotel Du Lys in Quartier Latin. Bij de dichtstbijzijnde kiosk kocht ik Libération. Links stond een minuscuul berichtje. ‘L’écrivain Thomas Bernhard est mort en Autriche. Het moest een drukfout zijn, een vergissing. Er moest l’amour staan in plaats van mort. Ik las het bericht nog enige malen. Ik wist dat hij ziekelijk was, maar dat hij zo jong zou sterven stond ik niet toe. Op zijn laatste foto’s zag hij er verzwakt uit, maar stervende, nee. Totaal van slag zocht ik houvast op een bankje. Om over een schrijver te gaan huilen, vond ik te ver gaan. Hoe moest ik nu verder? Niet meer kunnen uitkijken naar een nieuw boek. Boekhandels afstruinend, snuffelend langs etalages. Genieten van de mooie boek-omslagen van Residenz Verlag. Op eigen kracht krabbelend over Moeder Aarde.
Het Bernhard-tijdperk was voorbij.
In de periode 1979-1985 las ik bijna al zijn boeken, zag zijn theaterstukken en meende dat zijn werk uitsteeg boven alle andere hedendaagse literatuur. Als er een boek van hem verscheen, was ik gelukkig. Zijn zwartgalligheid was mijn lichtpuntje. Zijn filosofische traktaten: mijn leerschool. Zijn eenzame opsluiting op het land: herkenning. Hij was, zoals ik het nu zou durven noemen, mijn autistische levensfilosoof. Ik had niet alleen behoefte aan Bernhards nihilisme na een periode van spirituele stromingen, het was vooral zijn spel met taal. Ik had in mijn jeugd zo veel theater-stukken gezien waar ik me niet meer in kon vinden, in de dialogen en de hoeveelheid aan personages. Het was de taal van de einzelgänger die mij aansprak, die al schoppend en scheldend met de nodige humor een monologue intérieur afstak. Het waren geniale monologen. Zodra er een nieuw boek verscheen, kon mij het onderwerp niet zo veel schelen, als wel de uitdaging waarmee hij de eerste pagina van een boek in één lange zin schreef, met komma’s en herhalingen van woorden. De uitdaging als lezer was voor mij om mijn adem in te houden en pas uit te blazen bij het einde van die lange zin. Een literaire yogaoefening. Zijn taal zat complex in elkaar, muzikaal, een compositie van woorden. Zijn hoofdpersonages – ingenieurs, kunstenaars, politici, juristen, uitgevers, aristocraten, artsen, studenten, nazi’s – sputterden in een lange monologue intérieur. Al zijn figuren waren inwisselbaar. Vrouwen speelden amper een rol. Meestal waren het de zusters van de hoofdrolspeler of runden ze een herberg. Dat er nauwelijks over de liefde of de natuur werd geschreven, vond ik verfrissend. Zijn ideeën leken negatief, maar erdoorheen herkende je zijn humor. Met zijn humor viel te overleven.
Zelf zei Thomas Bernhard eens in een interview: ‘Ik weet soms ook de inhoud van mijn boek niet meer, omdat de inhoud me totaal niet meer interesseert.’
Ik ontdekte zijn werk al in de jaren zestig, met het boek Frost. Ik ging meer van hem lezen in een tijd dat mijn vader stervende was. Mijn vader zat als een onbereikbare wereldverbeteraar op zijn stoel en stak een monoloog af, sputterend en scheldend op de wereld. Blijkbaar stapte ik op het juiste moment Bernhards boeken binnen. Al vluchtend vond ik troost in zijn levensvisie. Zo kon ik mezelf staande houden als geitenhoedster in de Franse Pyreneeën. Ik kocht in Nederland al zijn boeken. Ik reed op weg naar Zuid-Frankrijk om via Oostenrijk, in een Renault 4, van plan de schrijver te ontmoeten. Bernhard stond erom bekend een teruggetrokken leven te leiden. Maar het was ook bekend dat hij nieuwsgierig was en makkelijk te verleiden door vrouwen.
Geïnspireerd door de absurde ontmoeting, waarbij ik hem per ongeluk had laten wachten in het Schlosshotel, schreef ik mijn eerste toneelstuk, De omweg. Ik kon het stuk nog net aan mijn stervende vader voorlezen. Hij vond het als verzetsstrijder verraad dat ik een Oostenrijker ging opzoeken. Toch was hij allang blij dat ik naast het geiten hoeden de pen had opgepakt. De nagel aan zijn doodskist veranderde in een sprankje hoop.
Ik heb Bernhard daarna nog twee keer ontmoet. Tijdens een bloedhete zomer laste ik een vakantie in en reed vanuit de Pyreneeën naar Wenen. Daar trof ik hem zomaar wandelend tussen de menigte. We hebben in zijn stamcafé Bräunerhof een kop koffie gedronken. Hij verweet mij dat ik hem destijds liet wachten. Maar toch zaten we er weer. Hij was nieuwsgierig naar de geitenhoedster in Wenen. ‘Was macht die Ziegenhüterin in Wien, und wo sind die Ziegen?’
De laatste keer was in de zomer van 1983, toen ik met een kersvers vriendje en mijn net gekochte Citroën per se in Oostenrijk vakantie wilde vieren. Ik had zijn telefoonnummer en belde. ‘Kom en kijk maar of ik er ben’, zei hij.
Ik reed vanaf Salzburg blindelings naar het gehucht Obernatal, alsof ik op weg was naar huis. Het was een zeer warme dag en op een vroege zaterdagochtend trof ik de schrijver op de patio van zijn boerenhoeve, met een plaid over zijn arm. Ik verraste Thomas met mijn vriendje die in de auto zat te wachten. Hij verraste mij met zijn vriendin Ingrid Bülau, die hij al kende sinds zijn conservatorium-jaren. Zij liet meteen blijken alles van me af te weten. Thomas had de mislukte ontmoeting in het Schlosshotel, waar we een uur zwijgzaam tegenover elkaar hadden gezeten, aan veel mensen verteld. Hij vroeg me hem met de auto te volgen. In volle vaart reed hij in zijn groene Mercedes over smalle landweggetjes naar Wolfsegg, ten noorden van Gmunden. Hij had er plezier in dat we hem in de achtervolging niet waren kwijtgeraakt en we werden daarom getrakteerd op een uitgebreide lunch. Daarna moesten we hem opnieuw volgen, zonder dat hij zei wat we gingen doen.
We reden naar het gehucht Ottnang, waar boven op een heuvel zijn Quirchtenhaus lag. De inrichting was smaakvol en sober. In dit huis schreef hij zijn meeste toneelstukken, ook Die Jagdgesellschaft en Heldenplatz. Op het heetst van de dag schonk Thomas Schnapps, waardoor ik hevig begon te gapen. Hij nam twee ligstoelen en zette deze in de voorkamer. Mijn vriendje moest in de groene ligstoel en ik in de blauwe. We hielden een siësta van precies een half uur. Mijn vriendje kon niet slapen en concentreerde zich zuchtend op zijn grote nieuwe horloge. Ingrid deed een hazenslaapje op de houten bank in de achterkamer, terwijl Thomas zich met een stapel kranten terugtrok op de eerste verdieping. Na tien minuten kwam Ingrid me wakker maken. Ze wilde haar hart luchten. Haar liefde voor Thomas werd nooit beantwoord. Gek werd ze ervan. Thomas zat stevig onder de plak van de dominante Hedwig Stavanicek, twintig jaar ouder dan hij. Hij had haar in het sanatorium leren kennen en zij onderhield hem. Waarschijnlijk was het een gehorig huisje, want Bernhard stommelde snel de trap af. Ingrid wilde thee gaan zetten. Hij moest er niet aan denken dat zijn theeservies werd gebruikt en dat hij later kon gaan afwassen om vreemde monden van de kopjes af te spoelen.
Hij nam ons liever mee naar zijn stamcafé in Ottnang. Thomas fluisterde me vaderlijk toe dat een vriendje dat continu klokkijkt op zo’n groot horloge geen partij voor me was. We namen afscheid. De vakantie moest nog beginnen.
Na zijn dood heb ik een aantal keren zijn graf bezocht. Er ligt geen steen op het graf, maar er staat een kruis van ijzeren krullen en een zwart kastje waar alleen de naam op staat van Hedwig Stavanicek en haar man. Het kastje stelt een geheimzinnig drieluik voor. Het is even zoeken, maar er is een nippeltje waar je aan moet trekken zodat het drieluikje openvalt. Bernhards naam staat geschreven in kleine gouden letters.

Frouke Fokkema is script-/toneelschrijver en heeft drie speelfilms gemaakt: Kracht (bekroond met een Gouden Kalf), Wildgroei en De omweg. Van Suzy Q schreef ze het scenario