Vrouwen in oorlog Klaar met religieus fundamentalisme

‘De laatste stuiptrekkingen van het patriarchaat’

Ja, ze wordt bedreigd. Ja, oudere mannen in Soedan hebben moeite met haar. Maar Hala al-Karib wanhoopt niet. Ze ziet dat vrouwen én jongeren in de Hoorn van Afrika rijp zijn voor verandering. ‘De zachte krachten winnen terrein.’

Nooit in haar leven voelde vrouwenrechtenactivist Hala al-Karib (54) zich zo thuis in haar geboorteland als tijdens de volksopstand in Soedan begin dit jaar. ‘Ik sprak met mensen die uit elk deel van het land naar de protesten waren gekomen met hun grieven en hun hoop. Het was historisch. Soedan kwam op zo’n unieke manier samen, nooit eerder heb ik dit in mijn volwassen leven gezien.’

Al-Karib voelde dat er verandering op komst is, niet alleen in Soedan, ook in omringende landen. En zij kan het weten, want als directeur van het Strategic Initiative for Women in the Horn of Africa (Siha) komt ze in de hele regio. In Soedan was het massale volksverzet gericht tegen president Omar al-Bashir, die afgelopen voorjaar na dertig jaar dictatoriaal bewind door het leger werd afgezet. In andere landen leed de bevolking onder kleine en grote gewelddadige conflicten en steeds meer mensen zijn daar klaar mee, merkt ze.

Neem Zuid-Soedan, waar jarenlang een bloedige burgeroorlog werd uitgevochten. ‘De guerrillalegers verliezen aanhang, mensen hebben het volledig gehad met de oorlog’, zegt ze. Zo is de stemming volgens haar in heel oostelijk Afrika. Eindelijk winnen de zachte krachten terrein. Dat wil zeggen: de vrouwen, maar ook de jongeren. Want van hen moet de verandering komen, meent ze, en niet van de wat oudere mannen die alle voordeel hebben bij de status quo waarin zij het voor het zeggen hebben.

Hala al-Karib is begin november in Nederland om haar inzichten te delen met mensenrechtenorganisaties. Bij een ervan, Pax in Utrecht, ontmoeten we elkaar. Ze heeft het koud, al schijnt buiten de zon. Ze komt rechtstreeks uit Oeganda, waar het hoofdkantoor van Siha zit. Ze woont in hoofdstad Kampala én in Khartoum, de hoofdstad van Soedan. Ze gaat heen en weer en reist ook geregeld door de andere landen die onder Siha vallen: Zuid-Soedan, Somalië, Somaliland, Ethiopië, Eritrea en Djibouti.

Ze is blij met de verandering die ze waarneemt en vertelt erover met een constante lach in haar stem. ‘De jongeren zijn zo idealistisch’, zegt ze. ‘Ze beginnen te beseffen dat migratie niet de oplossing is voor hun conflicten. Je kunt de Middellandse Zee oversteken, maar je moet maar zien of je dat overleeft. En als je in Europa aankomt, wat dan? Je leven blijft een strijd. De Golfregio is ook niks, daar word je zwaar misbruikt. Steeds meer jongeren denken: we kunnen zoveel goed doen in ons eigen land.’

Wat Al-Karib betreft maakt de oudere generatie snel plaats voor de jongeren, zíj moeten de macht krijgen. Jongeren vechten bijvoorbeeld voor vrouwenrechten en willen iets doen tegen klimaatverandering. En in Soedan hebben jongeren nog een specifieke wens: ze willen aansluiting bij de rest van de wereld. Die hebben ze nu niet, omdat Al-Bashir, een militante islamist, in praktisch het hele land bioscopen, boekwinkels, bibliotheken en zwembaden heeft gesloten.

Symbool van het verzet in Soedan werd Alaa Salah, een studente van begin twintig. De foto waarop zij met geheven arm een menigte toesprak in een traditioneel wit gewaad, ging de wereld over. Zo’n jonge vrouw – vooral buiten Soedan werd het als iets bijzonders gezien. Maar het was geen toeval, zegt Al-Karib: ‘Vrouwen en jongeren waren de motor achter de protesten. Zonder die twee groepen waren er geen protesten geweest. Ze willen allebei hun leven verbeteren.’

Eind goed, al goed? Nee, zo is het bepaald niet. De verandering moet nu wel doorzetten en in veel landen is de situatie kwetsbaar. Ethiopië deed het laatste jaar van zich spreken door de relatief jonge president Abiy Ahmed, die het land democratiseerde, toenadering zocht tot vijand Eritrea en crises in Zuid-Soedan en Soedan hielp oplossen. Hij kreeg de Nobelprijs voor de Vrede, maar intussen laait in Ethiopië de rivaliteit tussen etnische groepen op.

En Soedan? Eén ding weet Al-Karib zeker: de bevolking heeft de wind van de verandering gevoeld en de meerderheid wil niet terug in de tijd. Verder durft ze geen voorspelling te doen. In augustus ging het leger akkoord met een regering waarin militairen en burgers de macht delen, maar of die standhoudt tot de eerstvolgende verkiezingen in 2022? ‘Het burgerdeel van de regering is bereid om er iets van te maken’, is alles wat Al-Karib zegt. Niet voor niets zit het hoofdkantoor van Siha in Oeganda in plaats van in Soedan, waar het lange tijd te gevaarlijk was voor feministen als Al-Karib. Toen Al-Bashir nog aan de macht was in Soedan, keek ze ’s ochtends bij het verlaten van haar huis of er wel een tandenborstel in haar tas zat: ze wist nooit of ze ’s avonds weer thuis zou komen. In Ethiopië en Oeganda is de situatie voor vrouwen op papier het best van de hele regio, maar toch moeten Al-Karib en haar collega-vrouwenrechtenactivisten overal voorzichtig blijven.

Het probleem is dit, vertelt Al-Karib: een organisatie als Siha is bedreigend voor mannen, die in oostelijk Afrika de dienst uitmaken. Zij en haar veertig stafmedewerkers proberen de samenleving van onderop te veranderen. Ze maken vrouwen bewust van hun rechten en verenigen ze. Ze maken vrouwen activistisch. Bijvoorbeeld de straatverkoopsters, van wie er in de grote steden nogal wat zijn. ‘Ons werk is voor honderd procent politiek’, zegt Al-Karib.

‘Hoe de vrouwen zijn vernederd… en toch hielden ze hun hoofd hoog en vochten terug’

Waar lijden de vrouwen onder? Als ze hierover praat lacht Al-Karib niet meer, of het moet sarcastisch zijn. Allereerst stuiten ze op tradities. Die zijn uiteraard in elk land anders, maar generaliserend gezegd heerst in heel oostelijk Afrika een diepgewortelde machocultuur. ‘Heb je ooit een vrouwelijke stamleider gezien?’ vraagt ze. ‘En dan mag er in Ethiopië en Oeganda vooruitgang zijn, in de hele regio worden vrouwen onderdrukt, hebben ze te maken met huiselijk geweld en is hun toegang tot rechtspraak, politiek, de betere banen, land en geld beperkt.’

Vaak worden vrouwen bewust tegengewerkt. In Oeganda maakte Al-Karib mee dat vrouwen een misdaad in de schoenen kregen geschoven en in de cel belandden, zodat ze een erfenis misliepen. In Zuid-Soedan zitten sommige vrouwen na een echtscheiding net zo lang in de gevangenis tot haar familie haar gewezen echtgenoot de bruidsschat kan terugbetalen. In de hele regio lijden vrouwen onder seksueel geweld, waar de daders meestal straffeloos mee wegkomen. ‘Zelfs aangifte doen is gevaarlijk, want onze politiebureaus zijn geen veilige plekken. Vrouwen worden er geïntimideerd en aangerand.’

Vrouwenbesnijdenis, officieel Female Genital Mutilation (fgm), is wijdverbreid in oostelijk Afrika. ‘De militante islam heeft vrouwenbesnijdenis geadopteerd om vrouwen nog meer onder controle te krijgen, maar het komt ook in niet-moslimlanden voor’, zegt Al-Karib. ‘fgm heeft historische wortels en komt voort uit de zeer diepe overtuiging van mannen dat vrouwen in bedwang moeten worden gehouden. Als we niet praten over het willen beheersen van de vrouwelijke seksualiteit, het bekijken van vrouwen als minderwaardige wezens, dan zal vrouwenbesnijdenis nooit stoppen.’

En wat de ellende in veel vrouwenlevens heeft verergerd, zegt Al-Karib, is de opkomst van het religieus fundamentalisme. In Soedan, Somalië en in mindere mate Ethiopië hield de afgelopen decennia het islamisme huis; in Zuid-Soedan en Oeganda kwamen strenge varianten van het christendom op. ‘Wat alle fundamentalistische mannen delen, is dat ze een probleem hebben met vrouwen’, zegt ze. ‘Het is een kwestie van macht. Het werkt heel goed voor mannen om de helft van de bevolking te verlammen en te demoniseren, want zo hebben zij toegang tot het beste deel van het leven. Daarom hoeft er van hen niets te veranderen, hún levens zijn al prima in orde.’

Wat dit met een samenleving doet, maakte Al-Karib zelf mee in Soedan. Haar levensverhaal is met de geschiedenis van het land verweven. Ze groeide op in Wad Madani, een stad op de westelijke oever van de Soedanese Blauwe Nijl. Ze woonde in het huis van haar alleenstaande grootmoeder Amina en speelde in de tuin van zestienhonderd vierkante meter tussen de mango- en guavebomen. Haar grootmoeder zal ze nooit vergeten, ze was een groot voorbeeld. Ze verdiende haar geld met een graanmolen en bestierde in haar eentje een huishouding die bestond uit iedereen die een dak boven zijn hoofd zocht.

Amina was in haar jeugd naar een bijzondere school geweest. De school is voor Al-Karib het bewijs dat de vrouwenbeweging in Soedan al vroeg ontstond en samenhing met verzet tegen de Britse kolonisator. De school werd begin twintigste eeuw opgericht door een zekere Babikir Badri, die vond dat zijn dochters onderwijs moesten hebben. De Britten waren tegen, want je wist maar nooit op welke ideeën de meisjes zouden komen; misschien zouden ze wel de onafhankelijkheid van hun land wensen. Maar Babikir Badri zette door en begon de allereerste meisjesschool van Soedan in zijn eigen huis in Rufaa, op de andere oever van de Blauwe Nijl.

In 1952, tijdens de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Britten, werd de Sudanese Women’s Union opgericht, een van de oudste vrouwenorganisaties in het land. ‘Zie je’, zegt Al-Karib, ‘Soedan heeft een lange, lange geschiedenis van vrouwen die zich verzetten. En de vrouwenbeweging ging hand in hand met de bevrijdingsbeweging. Dat maakte haar zo sterk en zo politiek. Het onderscheidt Soedan van veel andere landen in de regio. Ik denk ook dat het daarom enorm moeilijk was voor de militante islamisten in Soedan om de vrouwen aan zich te onderwerpen.’

Natuurlijk werden er volop pogingen gedaan. Tijdens alle jaren van het Al-Bashir-regime konden vrouwen op straat zomaar worden geslagen. Eind vorig jaar postte Al-Karib een filmpje op Twitter waarop is te zien hoe mannen met zwepen een stel langslopende, gehoofddoekte vrouwen opjagen – waarom is onduidelijk. Fel zegt ze: ‘Vrouwen worden al dertig jaar geslagen, het is schandalig dat geen enkele politicus daar ooit aandacht aan heeft besteed. Hoe de vrouwen zijn vernederd… en toch hielden ze hun hoofd hoog en vochten ze terug.’

Vrouwen in oorlog

Vrouwen staan anders in een oorlog dan mannen, maar zij worden meestal niet gehoord. Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad bepaalt dat vrouwen bescherming krijgen tegen geweld en betrokken zijn bij conflictpreventie, vredesoverleg en wederopbouw. In 2020 bestaat de resolutie twintig jaar, De Groene Amsterdammer maakt in een serie gesprekken met vrouwen uit conflictgebieden de balans op.

Terug naar de tjd waarin vrouwen nog respect kregen, terug naar grootmoeder Amina. Zonder een alles bedekkende hoofddoek, alleen gekleed in het traditionele witte gewaad dat ook Alaa Salah tijdens de straatprotesten droeg, liep ze elke vrijdag naar de moskee. Daar zat ze met andere vrouwen niet in een aparte ruimte, maar achter in de grote gebedsruimte. Hun aanwezigheid werd gezien en gevoeld. Na afloop van de dienst praatten mannen en vrouwen buiten nog lang met elkaar door.

‘Hala, religie is veel te belangrijk om aan mannen over te laten’

Als meisje wist Hala al-Karib niet beter of vrouwen hoefden hun hoofden en armen niet te bedekken als ze dat niet wilden. Haar moeder rookte, zoals alle vrouwen in haar familie. Toch merkte ze dat ze anders opgroeide dan haar broers: ze mocht minder en moest stiller zijn, want dan was ze ‘een goed meisje’. Maar zij wilde geen goed meisje zijn en van jongs af aan verzette ze zich. Toen haar godsdienstleraar zei: ‘De man is beter dan de vrouw, dus moet een vrouw haar man gehoorzamen’, riep ze: ‘Dat kan niet waar zijn!’ Hij stuurde haar de klas uit.

Wat maakte dat ze zich zo opwond over de ongelijkheid die ze ervoer? ‘Oprechtheid’, zegt Al-Karib meteen. ‘Ik vecht mijn strijd vanuit mijn hart.’ Maar eerst richtte haar activisme zich op iets anders: de behandeling van minderheden in haar land. Dat begon in de jaren tachtig, toen ze literatuur en psychologie studeerde in Zuid-Soedan, dat destijds nog bij Soedan hoorde. Voor het eerst merkte ze dat het streng-islamitische gedachtegoed uit Saoedi-Arabië en de Golfstaten invloed kreeg in haar land. De Zuid-Soedanezen waren voor meer dan de helft christelijk, de rest van Soedan was overwegend islamitisch. Ineens was dat voor veel mensen een punt.

Al-Karib snapte er niets van. Haar familie was islamitisch, maar haar moeder, haar tantes en zijzelf gingen naar een katholieke school waar ze les kregen van nonnen. ‘Kerken hoorden bij ons leven. We gingen er naar trouwerijen en andere feesten en met Kerst kocht mijn moeder kleren voor het hele gezin. We leefden in Soedan als moslims en christenen samen. We waren buren, vrienden, het was zo’n diverse samenleving. De islamisten hebben onze diversiteit gedood.’

Want wat gebeurde er? Zuid-Soedan werd in 2005 een autonoom gebied en in 2011 een apart land, waarna het wegzonk in een burgeroorlog. Op andere minderheden in Soedan werd steeds meer neergekeken. Op scholen, in moskeeën en de media klonk steeds vaker dat de Arabisch sprekende Soedanezen, oftewel ‘de Arabieren’, beter waren dan de andere etnische groepen uit streken als Darfur, het Nuba-gebergte of de provincie Blauwe Nijl. Het leidde tot geweld waarbij honderdduizenden doden vielen en het uiteenvallen van de hechte samenleving die Soedan was.

Gaandeweg werd alles wat te maken had met vertier gesloten en het gedrag van vrouwen werd aan steeds meer regels gebonden. Al-Karib vond het gruwelijk wat er met haar land gebeurde en vertrok midden jaren negentig met haar echtgenoot naar Canada. Ze wilde een nieuw leven beginnen, maar er gebeurde iets wat ze niet had verwacht: ze zag dat ook hier, in de westerse wereld, lang niet alle vrouwen vrij zijn.

Ze zette zich in voor vluchtelingen- en migrantenvrouwen en hoorde hoe sommigen door hun Canadese mannen werden behandeld. De mannen eisten gehoorzaamheid en onderdanigheid en dachten dat juist een buitenlandse vrouw dat gedrag wel zou vertonen. Ze leerde Oost-Europese vrouwen kennen die in internethuwelijken waren gelokt, die opgesloten en misbruikt werden. Ze kwam erachter dat ook in Canadese families huiselijk geweld voorkwam en het viel haar op hoe traditioneel de rollen vaak nog verdeeld waren, de man aan het werk, de vrouw thuis. ‘En dat accepteerden die vrouwen’, zegt ze nog steeds verbaasd.

Juist hier begon ze te sympathiseren met de vrouwenstrijd. Maar ze merkte ook dat ze in Canada niet het verschil kon maken. Ze was intussen gescheiden en als alleenstaande moeder met een dochtertje – ‘een Afrikáánse alleenstaande moeder met een dochtertje’, zegt ze met nadruk – had ze het gevoel dat ze opviel. ‘Als ik mijn dochter naar school bracht, werd er altijd naar me gekeken. Toen merkte ik pas echt hoe traditioneel die samenleving is.’

Rond 2005 keerde ze terug naar Soedan en ging ze aan de slag als freelance vrouwenactivist. In 2007 werd ze directeur van Siha en in 2009 verhuisde ze met het hoofdkantoor mee naar Oeganda, maar ze bleef binding houden met Soedan. De band met haar geboorteland liet ze zich door de islamisten van Al-Bashir nooit afpakken en dat geldt ook voor haar geloof. ‘Ik wil de erfenis van mijn grootmoeder eren, die leefde zoals zij dat wilde’, zegt ze.

Dus blijft ze zichzelf moslim noemen, ondanks alles wat de islamisten aanrichtten. ‘Weet je’, zegt ze, ‘godsdienst wordt gemaakt door mensen en wat zij in hun heilige teksten zien. Het is maar net waarop je de nadruk legt. Hoe kun je dan een godsdienst creëren die onrechtvaardig is tegenover vrouwen? Die vrouwen vervolgt, vernedert en discrimineert? En dat allemaal in de naam van God? Ik hoor zo vaak moslimvrouwen zeggen: dit is niet wat wij geloven.’

De Iraanse islamdeskundige Ziba Mir-Hosseini, een vriendin van haar, zei eens: ‘Hala, religie is veel te belangrijk om aan mannen over te laten. Dat moeten we niet langer toestaan.’ Al-Karib is het daarmee eens. ‘Ook op dit gebied, de hervorming van de islam, moet de verandering van vrouwen komen. Wij hebben daar belang bij.’ Dus zegt ze hardop dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn in de islam. Alleen al om dit standpunt wordt ze door de islamisten hevig gehaat.

Het zij zo. Ze is het gewend om niet begrepen te worden. ‘Wie is hier de directeur?’ vroeg een mannelijke Europeaan eens toen die haar in Soedan bezocht. ‘Dat ben ik’, zei ze. Misschien heb ik mezelf niet goed voorgesteld, dacht ze erbij, maar even later vroeg hij opnieuw: ‘Wie is hier nu de directeur?’ Ze antwoordde: ‘Weet je wat? Ik denk dat ik dit gesprek niet wil voortzetten, ga maar weg.’

Ze lacht. ‘Het patriarchaat is overal. Maar wat we er nu nog van zien, Trump, Erdogan, Assad, oorlog hier, oorlog daar, dat zijn hopelijk de laatste stuiptrekkingen. Samenlevingen verander je niet met wapens, daarvan krijg je alleen vernieling en vernietiging. Samenlevingen verander je met zachtheid.’