De laatste vlucht

Lang geleden vertelde Jan-Jaap Oversteegen, op dat moment hoogleraar theoretische literatuurwetenschap in Utrecht en vooral bekend van een boek over autonome versus geëngageerde letterkunde in de jaren dertig, Vorm of vent, met verve over de laatste dagen in het leven van een van zijn ‘helden’, destijds ook een van mijn helden: Menno ter Braak. In de maanden vóór de inval was Ter Braak almaar nerveuzer geworden. Wat begon met een buitengewoon somber dagboek in september 1939, eindigde in volslagen paniek in de meidagen van ’40. Zo werd hij in die dagen bezocht door een vriend die bij vertrek zijn hoed vergat. Toen de man enige uren later terugkeerde om het ding te halen, zo vertelde Oversteegen, had Ter Braak de hoed verbrand. Hij duldde geen vreemde spullen in zijn omgeving. Zo bezien lijkt een stap naar zelfmoord niet zo groot.

Maar is het verhaal van die verbrande hoed waar of niet? Het is niet te achterhalen. Niettemin is het me veertig jaar lang bijgebleven, ook al omdat ik Ter Braaks fysieke ‘vluchtgedrag’ nooit heb kunnen rijmen met zijn verbale krachtpatserij. Waarom verdomme, zo vroeg ik me destijds steeds weer af (ik studeerde af op Ter Braak en de politiek), is de man niet in het verzet gegaan? Waarom koos hij deze ‘laffe’ weg? Aan de andere kant: welk recht heb ik om zo’n vraag te stellen, om een oordeel te vellen?

Over de zelfmoordgolf aan het begin van de Tweede Wereldoorlog is vaak geschreven, meestal terloops, ook door Loe de Jong, en een paar keer expliciet. NRC-journalist Lucas Ligtenberg heeft een en ander op een rijtje gezet en aangevuld met korte portretten van ‘allen’ die in mei ’40 de hand aan zichzelf sloegen.

Medium familie dekker.
Vader Simon Dekker, moeder Maartje Metselaar en hun kinderen Anna en Simon pleegden op 15 mei 1940 gezamenlijk zelfmoord © De Historische Vereniging Wieringen
In mei ’40 vonden zo’n vijf keer meer zelfmoorden plaats dan in andere meimaanden

De vanzelfsprekend eerste vraag is om hoeveel mensen het gaat en of er inderdaad, zoals steevast geschreven wordt, sprake is van een golf, een ‘zelfmoordgolf’. Ik heb twijfel bij deze term. Het staat vast dat er in mei ’40 veel meer zelfmoorden plaatsvonden dan in andere meimaanden, zoals het ook vast staat dat er in 1940 meer gezelfmoord werd dan gewoonlijk. Het cbs spreekt in het eerste geval (mei ’40) van 388 mensen, in het tweede geval (1940) van 1046, versus getallen onder de honderd (mei) en rond de zeven-, achthonderd (per jaar). Dat betekent dus dat er in mei ’40 inderdaad zo’n vijf keer meer zelfmoorden plaatsvonden dan in andere meimaanden. Dat is veel. Maar is het een golf?

Van die kleine vierhonderd zelfmoordenaars kwam een overgroot deel (ca. 150) uit Amsterdam en was een nog groter deel (ca. tweehonderd) joods. Dergelijke cijfers zijn al langer bekend, om te beginnen dankzij een oud (1960) onderzoek van de Delftse socioloog Cor Kruijt, vervolgens door recenter (1997, 2001, 2009) werk van Wout Ultee, Ruud Luijkx en Frank van Tubergen. In al dit onderzoek gaat het om cijfers, sociologenwerk. Maar zoals het een goed journalist c.q. historicus betaamt neemt Ligtenberg daar geen genoegen mee. Conform het adagium van de Franse mentaliteitshistoricus Marc Bloch is hij op zoek naar mensenvlees, dat wil zeggen: hij wil achter de cijfers mensen en hun verhalen zien, hij wil ruiken, voelen, begrijpen. Maar kan dat? En zo ja, slaagt Ligtenberg daarin?

Alle zelfmoordenaars waren ervan overtuigd dat er in een door de nazi’s bezet Nederland voor hen geen toekomst weggelegd was. Dat is een open deur. Maar voor de een was dat het geval omdat hij overtuigd was van het moorddadig antisemitisme van de Hitler-bende, voor een ander omdat hij vanwege zijn activiteiten bang was meteen opgepakt te worden, voor een derde omdat hij sowieso bang aangelegd was, voor een vierde… Het mooie maar ook het moeilijke van een persoonlijke aanpak is dat elk verhaal anders is en elke generalisatie daarmee overbodig lijkt te worden. Ligtenberg realiseert zich dat en wisselt om die reden hoofdstukken en paragrafen over individuele personen af met hoofdstukken en paragrafen van meer algemene aard. Het is, denk ik, de enige manier om een bevredigend resultaat te bereiken. Vertel je alleen individuele verhalen, dan wordt een boek snel (te) anekdotisch. Veralgemeniseer je te veel, dan gaat het niet meer over mensen maar, inderdaad, over cijfers, tendensen, algemeenheden. Ligtenberg is erin geslaagd een fraaie mix te vinden. Door de kleine portretten van honderden zelfmoordenaars heeft hij ook nog eens zoiets als een naslagwerk gemaakt. Drie functies ineen, dat is een verdienste.

Een van de vele persoonlijke verhalen betreft het joodse echtpaar Sophie en Joop Citroen – zij publiceerden hierover in 1988 een van de eerste boeken waarin het persoonlijke zelfmoordverhaal duidelijk verteld wordt, Duet pathétique. Sophie, Joop en een van hun kinderen (de ander verdronk) overleefden de oorlog, maar velen uit hun omgeving deden dat niet, een aantal door zelfmoord. Een van hen was een man die al jaren verliefd was op Sophie maar zich tegelijk met de Duitse inval realiseerde dat zijn verlangen nooit werkelijkheid zou worden. Hij schreef dat ook in een afscheidsbrief. ‘Nu de Duitsers hier zijn en ik niet meer zie hoe ik voor mijn vrouw, mijn kind en voor jou kan zorgen, stap ik uit dit leven. Bovendien heb jij altijd gevoeld dat je plaats bij je man en kinderen is, dus heeft het leven voor mij geen waarde meer.’ Anders gezegd, zeer persoonlijke factoren vermengden zich met historische gebeurtenissen. Juist dat maakt veralgemenisering zo moeilijk. Tegelijkertijd maakt het oorlogsverhalen ook zo ‘mooi’, diepgrijpend: ze vertellen steeds weer wat dagelijkse verhalen eveneens vertellen, van het menselijk tekort. Maar dan in extremis.