Het Nederland van het Reformatorisch Dagblad

De laatste zuil wankelt

De christelijke partijen zijn sinds de afgelopen verkiezingen kleiner dan ooit. Onder de orthodoxe achterban van het Reformatorisch Dagblad heerst onrust. ‘Ik heb het idee dat we in een boerka zitten.’

‘De storm steekt op. En u slaapt?’ De titel van de door het Reformatorisch Dagblad georganiseerde ‘bezinningsavond’ klinkt duister. Het is half november 2012. Nederland verkeert nog in de ban van het ‘premie-oproer’, maar in de afgeladen aula van het Hoornbeeck College in Amersfoort maken meer dan vijfhonderd aanwezigen zich over heel andere zaken zorgen.

Vergelijk het met de orkaan Sandy, houdt dominee Visscher van de plaatselijke gereformeerde gemeente het publiek voor. Die liet een spoor van dood en verderf na aan de oostkust van de Verenigde Staten. Wat weinigen weten, is dat het kort daarop opnieuw stormde in New York. Minder hevig, maar volkomen onverwacht, en daardoor misschien wel des te gevaarlijker. Orkaan Sandy, legt de dominee uit, dat waren de ‘paarse’ kabinetten die in de jaren negentig afrekenden met het ene na het andere christelijke heilige huisje. En de onderschatte storm die op Sandy volgde? Dat kan wel eens de nieuwe regering van pvda en vvd zijn. Paars 3. Visscher, die met een opiniestuk in het RD de aanzet heeft gegeven tot deze avond, vreest het ergste. ‘Dit gaat me echt aan het hart’, zo motiveert hij met een snik in de stem zijn initiatief. ‘Het gaat ook om mijn gehandicapte dochter. Dat zij straks niet in een seculiere instelling moet zitten luisteren naar Robbie Williams of weet-ik-veel-wat-voor muziek.’

Even daarvoor hebben tientallen overwegend jonge vrijwilligers het publiek hartelijk welkom geheten met plastic bekertjes koffie en thee. Met luide, bassende stemmen is Psalm 56:1 gezongen: ‘Gena, o God, bescherm mij door Uw hand/ Zie, hoe ik ben omringd aan allen kant/ Zie, hoe de mens zijn boze netten spant/ Om mij daarin te jagen.’ Daarna volgt het gebed. Een dame van middelbare leeftijd bukt om een bijbel uit haar handtas te halen. Als ze opkijkt, ziet ze de tekst op het metersgrote videoscherm achter het podium staan. In een powerpoint-presentatie.

In de toespraken wordt vanavond telkens opnieuw de Haagse politiek gehekeld. Na het verkiezingsdebacle van het cda hebben de christelijke partijen, met in totaal slechts 21 zetels, minder te zeggen dan ooit tevoren. Nog een halve eeuw geleden bestierden zij het land. Nu zijn ze tot een snel krimpende minderheid gedegradeerd. Dat blijft niet zonder gevolgen. De felle kritiek op de weigerambtenaar, het afschaffen van de zondagswet, de roep om het verbod op godslastering uit het wetboek te schrappen – voor de aanwezigen in Amersfoort zijn het stuk voor stuk tekenen aan de wand. Er heerst een gevoel van ‘vreemdeling in eigen land’. ‘Nederland is een seculiere één-partij-staat geworden’, constateert de conservatieve denker en oud-redacteur van het RD Bart Jan Spruyt op het podium. ‘We zijn allemaal sociaal-liberalen.’

Maar er wordt niet alleen naar anderen gewezen. ‘De overheid is niet de grootste vijand’, wordt opgemerkt in een van de toespraken. ‘De grootste vijand zit in ons eigen, zondige hart.’ Anderen vragen zich hardop af of de orthodoxe christenen zich niet al te zeer hebben terug­getrokken in hun eigen, comfortabele wereldje. ‘Zou het misschien kunnen dat wij zelf óók gaan voor genot, voor rust en gemak, voor maximaal inkomen en optimale bestedingen?’ oppert een Dordrechtse predikant. En hebben ze zich, om het katholiek uit te drukken, niet te veel als monniken gedragen en te weinig als missionarissen? ‘Refostan is een doel op zich geworden’, stelt Spruyt onomwonden. Een man uit het publiek verwoordt het ongemak aan het slot van de avond anders. ‘Ik heb het idee dat we in een boerka zitten. Met zo’n spleetje. Vandaaruit zien en beoordelen we de samenleving om ons heen. Maar zónder zelf zichtbaar te zijn.’

Een paar maanden later, op het kantoor van het RD in Apeldoorn, heeft de storm plaatsgemaakt voor de koude, seculiere wind van alledag. Aan de redactie de taak daar tegenin te roeien. ‘Ploegen op rotsen’, noemt de jonge dominee die deze maandag met een korte samenkomst de week opent dat. Links voor in het ruime auditorium speelt de muziekredacteur op het orgel. Aan de andere kant van de zaal is een toren nagebouwd. Een zuil. Bovenop staan twee beelden. In één is een wachter met speer te herkennen, het andere is een heraut met trompet. Symbool voor de taken van de krant: het christelijke gedachtegoed bewaken én spreekbuis zijn van en voor reformatorisch Nederland.

Na een half uur zingen, bidden en luisteren, stromen de medewerkers de zaal uit. Door de gang lopen ze naar hun werkplek in het hart van de krant: de uitgestrekte newsroom vol computers, glazen wanden en tientallen flatscreens waarop het laatste nieuws voorbij komt. Hier en daar liggen proefexemplaren van de nieuwe tabloid. Over een paar maanden hoopt de krant op het compacte formaat over te stappen. Deo volente. In een van de kleinere, aanpalende vergaderruimtes neemt cultuurredacteur Aad van Toor de tijd om de bezoeker bij te praten over de geschiedenis van de krant. Dat de overtuigingen van de reformatorische zuil haaks staan op de tijdgeest, zoals in Amersfoort te beluisteren viel, daaraan is men gewend. Sterker nog, legt Van Toor uit, het is om die reden dat de zuil is opgericht. Van oudsher leefden de ‘bevindelijk gereformeerden’, zoals de reformatorische achterban ook wel wordt aangeduid, geïsoleerd. ‘Eenvoudige mensen’, zo typeert Van Toor ze. ‘Maar wel mensen die gewend waren elke avond bij het lamplicht een preek te lezen uit 1700 waar jij de eerste bladzijde nog niet van doorkomt.’

Dat duurde tot in de jaren zestig. Toen begon de buitenwereld, in de greep van een culturele revolutie die brak met oude vormen en gedachten, aan de deur te rammelen. Kantelpunt was de polio-epidemie in het jaar 1966, vertelt Van Toor. ‘Die hield vooral huis in de bible belt, waar veel mensen zich om principiële redenen niet lieten inenten. Zij zagen dat als ingrijpen in de voorzienigheid van God. Maar in de media werden ze afgeschilderd als moordenaars. Toen ontstond het idee dat we een spreekbuis nodig hadden. Om zulke karikaturen te weerleggen.’ Een groepje studenten, onder wie de latere sgp-leider Bas van der Vlies, besloot dat er een eigen krant moest komen. Vijf jaar later, in 1971, was het Reformatorisch Dagblad een feit. Het oorspronkelijke aantal van zestienduizend abonnees groeide snel. In de kerken werd gebeden voor het dagblad. In plaatsen als Katwijk wierven colporteurs huis-aan-huis nieuwe lezers. Toen Van Toor in 1980 voor de krant ging werken, was het abonneebestand al uitgegroeid tot ongeveer veertigduizend. Het hoogtepunt was rond de eeuwwisseling, met 58.000 abonnees. Inmiddels neemt dat aantal net als bij de andere dagbladen gestaag af, al schrijft het RD nog altijd zwarte cijfers.

De komst van een eigen dagblad stond niet op zichzelf, benadrukt Van Toor. Terwijl de rest van Nederland ontzuilde, stampte de reformatorische gezindte vanaf de jaren zestig in rap tempo een geheel nieuwe zuil uit de grond. Anno 2012 zijn er eigen scholen, mbo- en hbo-opleidingen, een radio-omroep, tijdschriften, verzorgingstehuizen, gehandicapteninstellingen, zelfs een vakbond-en-werkgeversorganisatie ineen: de Reformatorisch Maatschappelijke Unie (rmu). In de politiek worden zij vertegenwoordigd door de sgp.

Die herzuiling en het zonder voorbehoud vasthouden aan de bijbel hebben onmiskenbare voordelen gehad. In tegenstelling tot andere gezindten kampen de reformatorische kerken níet met teruglopende ledenaantallen. Dankzij de grote gezinnen en binnenlandse migratie zijn in plaatsen als Barneveld en Rijssen zelfs nieuwe megakerken verrezen die elke zondag plaats bieden aan duizenden gelovigen. Hoe anders is dat bij de vrijzinnigen. ‘De kerken hebben hun eigen geloofwaardigheid aangetast’, meent Van Toor. ‘Er was de opkomst van een feministische theo­logie, van de bevrijdingstheologie. Maar al die vrijzinnige interpretaties hebben nooit geleid tot ledenaanwas.’

Tegelijkertijd heeft die houding bij de buitenwereld het beeld versterkt van een gesloten gemeenschap met curieuze gebruiken. Reformatorisch Nederland? Dat wordt geassocieerd met de weigering om een brandverzekering af te sluiten, geen televisie in de huiskamer en vrouwen die op zondag tweemaal in lange rok en met hoed op ter kerke gaan. En natuurlijk compromisloze standpunten: in de jaren zeventig tegen abortus, eind jaren tachtig tegen euthanasie, tegenwoordig rond homo’s en koopzondagen. ‘Terwijl er zoveel andere, onderbelichte aspecten zitten aan ons geloof’, verzucht hoofdredacteur Wim Kranendonk in zijn kantoor. Hij heeft zojuist zijn bril afgezet en wrijft zich in de ogen. ‘Gemeenschapszin bijvoorbeeld. Als ik naar mijn eigen kerkgemeente kijk, dan zie ik honderden vrijwilligers die bejaarden helpen. Daar hebben wij geen overheid voor nodig. Daar hebben we de Wet Maatschappelijke Ondersteuning niet voor nodig. Dat wordt gewoon onderling geregeld.’

Toch kan de bezoeker die vóór alles bevestiging zoekt van het beeld van een orthodoxe enclave ook bij het RD volop voorbeelden vinden. Bij de ingang van de redactiezaal prijkt een spreuk uit Korinthiërs op de muur: ‘Wat hebt ge, dat ge niet hebt ontvangen?’ Nieuwe redacteuren tekenen ervoor dat zij geloven dat wat in de bijbel staat van kaft tot kaft Gods woord is. De waarheid dus. De krant zelf onderscheidt zich door de afwezigheid van sport, showbusiness en foto’s die op zondag genomen zijn. Er is een topzware kerkredactie. Getuige de ingezonden brieven maken de lezers zich drukker over het vrouwenstandpunt van de sgp of de herziene versie van de Statenvertaling dan over de crisis. En waar andere kranten vroeger de beursberichten presenteerden, geeft het RD nog altijd over twee volle pagina’s een goed gelezen overzicht van de kerkdiensten. Wie ten slotte de website van de krant op zondag probeert te bezoeken, stuit op het vriendelijke verzoek op een ander moment terug te komen.

Van tijd tot tijd wordt de gapende kloof met de buitenwereld onderstreept door een relletje. Zoals recent nog naar aanleiding van een opiniestuk van de adjunct-hoofdredacteur over homo’s in Boer zoekt vrouw: ‘Zo worden wekelijks vier miljoen mensen gehersenspoeld in een duivelse strategie het huwelijk te ondermijnen. Eerst door kijkers wijs te maken dat je de beste levenspartner vindt via een soort ratrace en daarna door de indruk te wekken dat het volstrekt normaal is dat je als man een andere man zoekt om je leven mee te delen.’

In reactie op alle commotie bezwoer de auteur niets tegen homo’s te hebben: ‘Ik hou van homo’s, echt, maar ik heb er grote moeite mee als ze een relatie met elkaar aangaan.’ Voor die nuancering was weinig belangstelling. Het beeld van een homofoob bolwerk was weer bevestigd. Zoals een tweet naar aanleiding van een eerdere affaire het wel heel vrij citeerde: ‘“Homo’s moeten dood”, aldus hoofdredactie #refdag’.

‘Ik ben trouwens ook homo.’ Schijnbaar terloops laat een redacteur van middelbare leeftijd het vallen. Het gesprek ging tot dan toe over wie de lezers van het RD zijn en wat hen beweegt. De man lacht om de verbazing bij zijn gesprekspartner. ‘Er zijn er wel meer, hoor, in dit bedrijf. Mijn eigen coming-out was een jaar of twintig terug. Toen was dat echt nog wel eng. Maar dat is snel aan het veranderen. Vaak wordt gedacht dat je als homo in deze kring geen leven hebt. Dat is niet waar. Misschien heb je het hier wel beter dan in een heel seculiere, ruwe omgeving. Ik zou niet willen ruilen met iemand die in de bouw werkt.’ Er is één groot ‘maar’. Als homoseksueel word je geaccepteerd. Maar homoseksualiteit is taboe. ‘De praxis is een streep te ver’, geeft de redacteur toe. ‘Je mag het met andere woorden wel zijn, maar je mag het niet doen. Natuurlijk roept dat conflicten op, maar dat is de lijn. Als je binnen die bandbreedte blijft, dan heb je echt geen zielig leven.’

Desgevraagd erkent hoofdredacteur Kranendonk dat op sommige punten de opvattingen in beweging zijn. ‘Toen ik jong was, was het bijvoorbeeld not done dat een jongen en een meisje die verkering hadden of verloofd waren met elkaar op vakantie gingen. Want iedereen wist dat als je in een tentje slaapt je niet naast elkaar blijft liggen. En seksuele gemeenschap past enkel binnen het huwelijk. Ik zie nu dat er jongelui zijn in onze kerken die dat wel doen, en van wie de ouders daar geen problemen mee hebben.’

En de plaats van de christelijke vrouw aan het aanrecht? Kranendonk blikt door de glazen wand die zijn kamer van de redactievloer scheidt. ‘Ik zie er zo vier die getrouwd zijn. Drie daarvan hebben kinderen thuis. Dat is geen item. Kijk, er zijn natuurlijk harde grenzen. Maar je bent wel kind van je tijd.’ Hij wijst naar de flatscreens achter in de newsroom: ‘Toen ik hier kwam in 1992 waren die beeldschermen ondenkbaar geweest. Ook bij mensen thuis kwam de tv er niet in. Daarna kreeg iedereen internet, zij het gefilterd. En nu hebben alle jongeren een smartphone. Kijk, je kunt wel leven als de Amish in Amerika, maar zelfs daar raakt de wereld de eigen kring.’

De reformatorische zuil is, kortom, poreus geworden. Je kunt je in Nederland niet langer afsluiten voor invloeden van buitenaf. Dat moet ook niet, vindt Kranendonk. Waar het volgens hem op aankomt, is ‘innerlijke bewapening’.

Die boodschap is Willem de Potter uit het hart gegrepen. Vanuit zijn werkkamer, één hoog, kijkt hij uit op de twee reformatorische scholen waarvan hij voorzitter van het college van bestuur is. De voorgevel van het Van Lodenstein College, een middelbare school, is bezaaid met witte vlekken van de sneeuwballen. Het raam achter zijn bureau biedt uitzicht op het oudere, statige gebouw van het Hoornbeeck College, een mbo-instelling. Vroeger was het een katholiek jongenspensionaat. De Potter, een energieke man met geruite stropdas en vlotte bril, wijst naar een kamertje op de begane grond. ‘Daar zat een bakker. Hier omheen lagen weilanden met koeien. Ook van het pensionaat. Het was zelfvoorzienend.’

Toen de bevindelijk gereformeerden begin jaren zeventig in het gebouw trokken, gingen de katholieken er beetje bij beetje uit. De nieuwe zuil loste de oude af. Maar, zo benadrukt De Potter keer op keer gedurende het gesprek: de reformatorische scholen willen zich allerminst afzonderen van de rest van de maatschappij. Op de door het RD georganiseerde bezinningsavond, die plaatsvond in datzelfde Hoornbeeck College, hield hij dat ook voor aan het publiek: wees blij dat je in Nederland nog door de staat gefinancierd reformatorisch onderwijs hebt. En denk niet dat het makkelijker is om die banden door te snijden. Om dure particuliere scholen op te richten. Of, radicaler nog, om te kiezen voor thuisonderwijs, zoals in de Verenigde Staten vaker gebeurt.

Hoe het dan wél moet? De Potter vertelt over een les van een mbo-groep die hij een tijdje geleden bijwoonde: ‘Die jongens en meisjes kwamen net terug van twee maanden stage. Eén jongen nam het woord en zei dat hij heel veel discussie had gehad op zijn stageplek, in een seculiere organisatie, over de evolutietheorie. Toen zei die jongen: inmiddels geloof ik ook wel een beetje in die evolutietheorie. Gelukkig ging de betreffende docent daar heel wijs mee om. Niet direct oordelen en veroordelen. Zo van: “Jongen, wat verschrikkelijk.” Nee, hij vroeg hem er meer over te vertellen. Het uit te leggen. Uiteindelijk bleek ook wel de aarzeling, die jongen liep er toch in vast. En dan kan de docent extra toerusting geven.’

Liever dan lastige onderwerpen en radicale denkbeelden uit de weg te gaan, laat de school de leerlingen er gedoseerd mee kennismaken. Ter voorbereiding op een leven in een seculiere wereld, legt De Potter uit, terwijl hij zijn bezoeker rondleidt door de middelbare school. In de hal bij de kapstokken hangt de geur van sneeuw onder de schoenen. Het is pauze. Een groepje jongens speelt te midden van het lawaai en gegil tafelvoetbal. Meisjes lopen giechelend arm in arm. Jawel, met rok – maar bij de meesten tot ver boven de knieën. Voor de rest verschilt het op het eerste gezicht niets van iedere andere blanke middelbare school.

De Potter blijft even staan in de mediatheek. Hij toont trots de computers, de tijdschriften, de boeken. Ook moderne literatuur? ‘Ja, dat is tenslotte onderdeel van het vak Nederlands in de bovenbouw.’ Hij wijst naar de balie. ‘Daarachter staan ze, op een aparte plank.’ En nee, geeft hij met een zucht toe, het valt anno 2013 niet mee om een lijst met enigszins acceptabele Nederlandse schrijvers samen te stellen.

‘Begeleide confrontatie’, noemt De Potter deze aanpak, als hij weer heeft plaatsgenomen in zijn kantoor. ‘Ik zal nog een voorbeeld geven. Er is een popster, Lady Gaga. Die gebruikt soms gewoon blasfemische taal. Wij confronteren de oudere kinderen wel eens met een fragment van zo’n Lady Gaga. Om vervolgens te vragen: hoor je nou werkelijk wat ze allemaal zingt? En als je dat naast de bijbel legt, vind je die teksten dan kunnen?’

Gelukkig, aldus De Potter, is die ruimte er in Nederland. ‘Als de overheid precies zou gaan vertellen wat er in het klaslokaal moet gebeuren, krijgt het totalitaire trekjes.’ Toch zijn velen binnen de reformatorische kring er niet gerust op. Volgens hoofdredacteur Kranendonk wordt de vrijheid van onderwijs, vervat in artikel 23 van de grondwet, zelfs het volgende, grote politieke issue waarop de christelijke minderheid gaat botsen met de seculiere meerderheid.

Ook De Potter ziet hier en daar problemen opdoemen voor het reformatorisch onderwijs. De politiek tornt aan het benoemingsbeleid van de leraren. En ook de bevoegdheid van de scholen om naar eigen inzicht leerlingen toe te laten, lijkt niet langer vanzelfsprekend. Maar de werkelijke clash gaat veel breder dan het onderwijs, betoogt hij. ‘Uiteindelijk gaat het allemaal om vrijheid. Rousseau heeft tijdens de Franse Revolutie gezegd dat je ongehoorzame burgers moet dwingen om vrij te zijn. Een soort vrijheidsdwang dus. Dat een meerderheid gaat dicteren hoe minderheden vrij moeten zijn. Daar zie ik ook nu signalen van. Denk aan besnijdenis bij joodse kindertjes, of rituele slacht.’

Maar heeft die minderheid dat niet over zichzelf afgeroepen? Probeert zij op haar beurt niet telkens haar overtuigingen op te dringen aan de seculiere meerderheid? ‘Wij willen niet enkel ons ding doen achter onze eigen voordeur’, geeft De Potter ruiterlijk toe. ‘Wij willen voor onze mening uitkomen in het publieke domein. Dat is waar de discussie om draait. In de publieke ruimte mag tegenwoordig zo ongeveer alles. Billboards met schaars geklede dames zijn gemeengoed in Nederland. Dat is ook niet neutraal. En dan mag je in datzelfde publieke domein niet voor je geloof uitkomen?’

Hij vertelt een anekdote uit de tijd dat hij nog in het bedrijfsleven zat: ‘Ik ging lunchen met een paar Amerikanen en een Fransman. Ik vroeg bij het begin van de maaltijd om een moment stilte voor een persoonlijk gebed. Dat doe ik altijd. Ik zag al wat verwonderde gezichten, en na het gebed zeiden ze dat ze dat toch eigenlijk niet passend vonden. Dat jij religieus bent, prima. Maar dat doe je thuis maar.’ De Potter lacht als een boer met kiespijn bij de herinnering. ‘Het frappante is dat het die hele lunch over allerlei popsterren en voetbalhelden ging. De religie van de niet-reformatorische mens. Daar mogen we het blijkbaar wel allemaal over hebben, terwijl ik er niets mee heb. Maar een mens mag niet uitkomen voor zijn religieuze overtuiging!’

‘Als een kind’, zo luidt het hoofdcommentaar van het RD van maandag 21 januari, ‘het woord doop alleen nog maar in verband kan brengen met het dopinggebruik van een bekende wielrenner, dan is dat een alarmbel die niet genegeerd mag worden.’

Negeren blijkt niemand te willen. Maar wat dan wel? Aanpassen? Tot op zekere hoogte, ongetwijfeld. Kijk naar de sgp met haar vrouwenstandpunt. Tegelijkertijd wil vrijwel niemand toegeven dat zelfs die rechtlijnige reformatorische zuil gevoelig is voor druk van buitenaf. De bijbel is immers Gods woord. Daar kun je geen compromissen op sluiten. Radicaal verzet dan? Daarvoor zijn de bevindelijk gereformeerden veel te gezagsgetrouw. Zoals de hoofdredacteur van het RD met een knipoog zegt: ‘De overheid hoeft niet bang te zijn dat er een reformatorische Taliban opstaat.’

Maar iets ertussenin, een herwonnen zichtbaarheid en assertiviteit, daar lijkt wel degelijk animo voor. Hier sta ik, ik kan niet anders – dat idee. ‘Onze gezagsgetrouwheid is misschien ten koste gegaan van ons zelfbewustzijn’, zo verwoordt een oud-schooldirecteur aan het einde van de week het breed heersende sentiment. Plaats van handeling is het Van der Valk-hotel naast de snelweg in Vianen. Een paar honderd reformatorische schoolbestuurders doen zich te goed aan sandwiches met kipfilet, wraps en worstebroodjes. Zojuist heeft het gezelschap een eerste staaltje van het nieuwe zelfbewustzijn mogen aanschouwen. Het is een korte film, journalistiek van toon, gemaakt door het RD. Onderwerp, hoe kan het ook anders: de homo’s.

Aanleiding is de nieuwe verplichting voor scholen om aandacht te besteden aan ‘seksuele diversiteit’ – een initiatief uit Den Haag. En omdat daar een hoop misverstanden over bestaan, zo legt een medewerker van de krant vooraf uit aan de zaal, is besloten om deze keer zélf het eigen, reformatorische verhaal hierover over het voetlicht te brengen. Dan wordt het licht gedimd. ‘Mijn naam is Sander’, vertelt een gastdocent in een scène aan een klas scholieren. Hij veegt op het schoolbord de ‘S’ weg van zijn naam, en plakt hem erachter. ‘Anders’, staat er nu. ‘Ik ben altijd anders geweest. Ik ben namelijk nog nooit verliefd geweest op een meisje.’ In een ander fragment worden oudere leerlingen uitgenodigd om met een stift associaties op het bord te schrijven die homo’s bij hen oproepen. ‘Ziekte’, schrijft een scholier. ‘Vies’, oppert een ander. ‘Kontebonker’. ‘Eenzaam’, heeft iemand opgeschreven. Tegen het einde van de film wordt d66-Tweede-Kamerlid Pia Dijkstra – initiatiefnemer van de homovoorlichting op scholen en in reformatorische kring gezien als kampioen christenpesten – gevraagd naar commentaar. Ze houdt haar kaarten op de borst. Ja, het is goed dat ook reformatorische scholen dit oppakken. Maar of het de bedoeling is dat er direct bij wordt verteld dat de bijbel homoseksualiteit verbiedt?

Als de lichten weer aan zijn, blijft het even stil in de zaal. Tijdens de lunch blijkt dat de nieuwe aanpak voor sommige aanwezigen een brug te ver was. Maar voor Pia Dijkstra en de seculiere meerderheid in de politiek gaat het wellicht nog lang niet ver genoeg. Uitzichtloos?

Nee, er is altijd hoop, heeft sgp-Kamerlid Roelof Bisschop eerder deze ochtend de aanwezigen voorgehouden. Want uiteindelijk heeft God het laatste woord. ‘We voeren een strijd die al gewonnen is. Ondertussen moeten we doen wat we moeten doen. Ora et labora. Maar de uitkomst ligt al vast.’