Beeldcultuur: Het Geld, het graaien en het gladde gelijk

De lach van Zalm

In deze tijd zweert iedereen bij een obsceen soort opgeruimdheid; ‘die montere houding van mensen die ervan uitgaan dat ze het Geld aan hun kant hebben’. En die monterheid wordt gesymboliseerd door het vreeswekkende bulderen van Gerrit Zalm.

Medium hh 01052647 half

Dat verliefdheid leidt tot bewustzijnsvernauwing behoeft geen betoog, maar daarom blijft het voor schrijvers niet minder aantrekkelijk om uitingen en gedragingen die voortvloeien uit die bewustzijnsvernauwing tot ‘materiaal’ te maken. Zo kijk ik tenminste terug op de monoloog van een verliefde minnezanger die ik lang geleden schreef: het titelverhaal uit de verhalenbundel Het jongensmeisje, een verhaal dat in medias res een aanvang neemt: ‘… totdat ze onverhoeds in de lach schoot terwijl je eindelijk overwoog te zeggen hoe muzenmooi en (…) eigenwijs en vertrouwenwekkend en allerschattigst en watverderallemaal nog meer je dan dan toch vooral haar tanden vond die als bruidsmeisjes in haar mond waren gedrapeerd (…), en terwijl je maar niet kon ophouden met het stilletjes bezingen van haar tanden, bedacht hoe ze hoe zo ooit naar die van jou had gekeken en had gezegd “ik hou van jongens die hun tanden laten zien als ze lachen, iemand die lacht zoals jij toont zijn wapens en zal ze dus nooit gebruiken. Lachen is kussen met je tanden.”’

Goed. Zo was het toen, in de woorden van het meisje dat in staat was om de ‘jij’ in het verhaal in katzwijm te laten vallen. Die ‘jij’ viel om alles wat ze deed en zei in katzwijm, dus ook om haar definitie van de lach, een definitie die de wederzijdse bewustzijnsvernauwing onderstreept, zeg ik jaren later en, merk ik, mij half-excuserend voor de zoete zwijmel van die jonggelieven.

Lachen is kussen met je tanden. Jaja. Zeg dat tegen de politieke opponenten van Mark Rutte. Zij lijken Rutte’s tanden geen moment meer te kunnen verdragen als de premier weer eens uitbarst in de hem typerende schaterlach waar veel, heel veel glazuur zichtbaar wordt. Die opponenten suggereren, zie het spotje van de fnv: bij Mark Rutte is lachen debunken met je tanden.

In een hilarisch fragment uit zijn cabaretvoorstelling Ze bestaan echt memoreerde en imiteerde Ronald Goedemondt wat hij de ‘vvd-lach’ noemde. Goedemondt liet een vanuit het middenrif wellende oprisping horen die het midden hield tussen een blubberende boer en een zelfgenoegzame grom – ik kan het hier niet beter omschrijven, je moet Goedemondt echt zelf aan het werk zien en horen (dank u, YouTube!).

De vraag anno 2012 is: hoe feitelijk en representatief is de Goedemondtse vvd-lach nog? Bij Mark Rutte blijft er bij een lachmoment niets binnensmonds en blubbert noch gromt er iets, maar komt de vreugde er met ongekende kracht via een wijd opengesperde mond uit, in maximale overdrive en zonder enig spoor van de gemelijkheid die Goedemondt nog in de vvd-lach legde.

Ik behoor niet tot degenen die in Rutte’s schaterlach een hardvochtigheid, harteloosheid of meedogenloosheid zien, en het is mij te makkelijk scoren als wordt beweerd dat Mark Rutte ‘alle problemen in het land’ weglacht – maar intussen. Intussen maakt Rutte’s lach, even weggeplukt uit partijpolitieke context, op degene die er getuige van is de indruk van iets stoffelijks dat zijn mond ontsnapt.

In mijn middelbareschooltijd was ik een blauwe maandag lid van een basketbalvereniging. Ik herinner me een teamgenoot die de gewoonte had om tijdens de training de basketbal onderhands en venijnig naar je toe te werpen, met de bedoeling dat je de bal níet opving maar dat die bal je recht in de maagsteek raakte. Zo werd een teamgenoot op zo’n moment onverwacht de tegenpartij. ‘Geintje!’ De teamgenoot had altijd plezier als hem dit lukte, en het gaat me nu niet om het feit of anderen ook om dit geintje konden lachen maar om de beweging die de bal maakte en de druk die het ‘slachtoffer’ na de worp in zijn maagstreek voelde. Mark Rutte heeft zo zijn momenten waarop hij een lach verspreidt die een ander onzachtzinnig in het middenrif kan treffen. Het is een lach die hem niet zozeer lijkt te ontsnappen maar die zichzelf vanuit de keel katapulteert. Een lach die degene die op datzelfde moment niet de behoefte voelt mee te lachen inderdaad in de maagstreek kan raken.

Rutte’s lach brengt onmiskenbaar de aartsvader van de katapulterende lach in herinnering: Gerrit Zalm. In zijn jaren als minister van Financiën, eindigend in 2005, was Zalm vooral op Prinsjesdag ongeëvenaard in het katapulteren van een lach in vergelijking waarmee die van Rutte inkrimpt tot een bedeesd hoestgrijnsje. Ooit had Wim Kok het over exhibitionistische zelfverrijking waar hij exorbitante zelfverrijking had bedoeld: wie terugdenkt aan de lach van Zalm kon zien hoe op zo’n moment het exorbitante aan het exhibitionistische raakte en vice versa. Ik ben die lach nooit vergeten, vanwege de licht beangstigende aspecten ervan. Men komt er niet mee weg door de-lach-van-Zalm als hysterisch weg te zetten. Triomfantelijk en zelf­genoegzaam, ja – ontoerekeningsvatbaar: nee.

Maar wat zou er mis zijn met triomf? Mag een minister niet alle tanden blootleggen als op Prinsjesdag een begroting feilloos bleek te kloppen?

Dat kan, mijmerend over ’s mans lach, de vraag niet zijn. De vraag is hoeveel een politicus in fysiek opzicht van zichzelf toont op momenten van kennelijke vreugde en zelftevredenheid. Ooit klaagde Pim Fortuyn de ‘achterkamertjespolitiek’ aan, maar verhulling blijft ook in de politiek op zekere momenten onmisbaar. Zalms lach toonde werkelijk de totale binnenkamer van zijn bijna surrealistisch wijd opengesperde mond, zó wijd dat je op televisiebeelden de tong kon zien spelevaren, het gehemelte kon zien dampen en de huig kon zien trillen – ik zal nu niet bezwijken aan de verleiding om al dat rozerode binnensmondse in pornografische domeinen onder te brengen, maar het moet toch echt de mate van obsceniteit zijn geweest die, wanneer Zalm lachte, zo vreeswekkend kon zijn.

Dat bij hem de lach katapulteerde is een eufemisme; bij Zalm was de lach niet eens het te veel van een lach, maar een te veel van een teveel; geen climax, maar de – en nu moet het toch wel – pornografische uitvergroting van een climax.

Het was zelden een bevrijdende lach, want bevrijding lokt de omstanders aan en wekt saamhorigheid; het was eerst en vooral een lancerende lach, die de ander ten enen male uitsluit, omdat de lacher met zijn openmondse vreugde zichzelf als het ware op de schouders neemt teneinde een denkbeeldige ereronde te maken.

In Coen Simons aantrekkelijke compendium van de lach, Lachen om niets (2007), deels essay, deels bloemlezing, is een korte verhandeling te vinden van de filosoof Thomas Hobbes (1588-1678). Uit die verhandeling blijkt dat Gerrit Zalm in al zijn exorbitante lach-exhibitionisme minder uitzonderlijk is dan we, afgaand op onze herinnering aan het trillen van zijn huig, geneigd zijn te denken: ‘Mensen (vooral mensen die hunkeren naar toejuiching om alles wat ze goed doen) lachen vaak om hun eigen handelingen als die hun verwachting ook maar enigszins overtreffen (…) en in dit geval is het duidelijk dat de hartstocht van het lachen voortkomt uit het plotselinge besef dat de lacher krijgt van zijn bekwaamheid. Ook lachen mensen om de gebreken van anderen, in vergelijking waarmee hun eigen bekwaamheden opvallen en helder aan de dag treden. (…) Ik kan dus concluderen dat de hartstocht van het lachen niets anders is dan een plotselinge opgetogenheid die volgt op het plotselinge besef van een voortreffelijkheid in onszelf, in vergelijking met andermans (…) gebreken.’

De typering is eeuwenoud, maar kan dienen als actuele doorgronding van kern en wezen van Zalms lach-als-lancering. Het blijkt een lach die wijsgerig gezien in een traditie is te plaatsen. Naar mijn smaak is dat slechts een schrale troost, want tegenover het verleden en de traditie van die lach-als-lancering bevindt zich, zo weten wij anno 2012, de toekomst die ermee werd ingeluid: het tijdvak van de ontremde zelfverrijking onder het gilde der bankiers, managers en investeerders; het tijdvak van het overstatement en het overschreeuwen, van het opendraaien van de volumeknop en het auditief en affectief letterlijk wegblazen van de ander die je toevallig onwelgevallig is en in de weg staat; van het Eigen Ego Eerst, de emotie-dictatuur en de repressieve en intimiderende karakteristieken van een tot eigenrichting geperverteerd geraakt hedonisme. Korter gezegd: de lancerende lach van Zalm is te beschouwen als de vooraankondiging van, in de woorden van H.J.A. Hofland, ‘de nieuwe mens: platter en dikker’. Niet dat de man persoonlijk verantwoordelijk is voor de mores van het huidige tijdsgewricht – maar zijn lach kan wel moeiteloos symbool staan voor die mores.

In die eerdergenoemde verhalenbundel Het jongensmeisje uit 1998 staat behalve het titelverhaal ook het verhaal Tomaatsj. Hierin laat een jonge ik-figuur op zeker moment bedeesd iets los over tegenspoed, depressie en melancholie: ‘Daar praatte je niet over’, merkt die ik-figuur op, in het besef dat die woorden misplaatst zijn in een tijd ‘waar iedereen zweert bij een obsceen soort opgeruimdheid – die montere houding van mensen die ervan uitgaan dat ze het Geld aan hun kant hebben’.

Precies die monterheid wordt gesymboliseerd door de lancerende lach van Zalm die, losgezongen van zijn persoon, een vreeswekkende lach is. Het is de lach van het Geld, het gladde gelijk, het graaien, de tucht van de markt en van de niet door empathie en deemoed gehinderde Grote Woorden. Die lach als Ding an Sich is bezig alles en iedereen, inclusief onszelf, op te slokken. De lancerende lach is uiteindelijk een bijtende lach. Die lach hapt al het broze rondom ons weg. In variatie op Postmans We’re Amusing Ourselves To Death: we lachen ons letterlijk kapot.


Beeld: Peter Hilz / HH