Radicale moslimjongeren

De lachende doder

Afgezien van de gevangenisstraffen die de rechter tegen sommige leden van de Hofstadgroep heeft uitgesproken, konden de Nederlandse islamisten in het afgelopen jaar ook de allerzwaarste straf niet ontlopen: ze zijn ten prooi gevallen aan de sociologie.

In een tijdsbestek van één jaar is een tiental uiteenlopende studies naar het verschijnsel ‘polderjihad’ verschenen. De helft bestaat uit sociologische onderzoeken, geschreven in opdracht van een instantie en gericht op het doen van aanbevelingen. In Strijders van eigen bodem, een product van drie onderzoekers van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (Imes), ligt de nadruk op het ideologische onderscheid tussen extremistische en democratische actieve moslimjongeren. In iedereen schuilt een terrorist, een groepsproduct van drie Amsterdamse sociaal psychologen, behandelt de groepsprocessen in radicale groepen. Beide boeken refereren aan alle bekende topoi uit de sociologie (de radicaliseringstheorie van Ehud Sprinzak, het laboratoriumonderzoek van Stanley Milgram) maar komen niet tot een antwoord op de hamvraag: waarom doen ze het?

Het zou interessant zijn om ook eens de groepsprocessen onder sociologen tijdens het schrijven van zo’n boek te onderzoeken. Ze nemen allemaal de veilige methodologie van het integratieonderzoek van de afgelopen dertig jaar tot uitgangspunt, inclusief het begrippenapparaat dat uitentreuren bekend is: achterstand, uitsluiting, identiteit, communicatie, generatieconflict. De analyse mondt steevast uit in wat we de Standaard Sociologische Extremismetheorie (sse) zouden kunnen noemen. Die sse gaat ervan uit dat extremisten ergens in hun biografie een ‘breuk’ met de maatschappij beleven, dat ze zich vervolgens afkeren van de samenleving en in de beslotenheid van een kleine groep geestverwanten een eigen, gewelddadige ideologie ontwikkelen die ze bezegelen met een gewelddaad in naam van de Profeet.

De aivd heeft zowaar een eigen sociologische vijf-fasentheorie over radicale moslimnetwerken ontwikkeld die naadloos aansluit op de sse. In De gewelddadige jihad in Nederland schrijft de dienst: ‘De jihadistische dreiging komt steeds vaker voort uit onze eigen samenleving. Voornaamste oorzaak daarvan zijn processen van radicalisering en rekrutering onder jonge moslims. Behalve onderlinge groepsdwang speelt ook het internet bij deze processen een steeds grotere rol.’ Ondanks de systematische benadering van de dienst kan het document niet verhullen dat ook zij niet weet waarom extremistische moslimjongeren nu eigenlijk tot hun daden komen.

Het Imes publiceerde ook nog Processen van radicalisering, een afzonderlijk onderzoek naar radicalisering onder Amsterdamse moslimjongeren dat tot een vrijmoedige conclusie komt: ‘Uit onze analyses komt naar voren dat er twee centrale aangrijpingspunten voor radicalisering zijn. Het ene is een zeer orthodoxe geloofsinvulling (religieuze dimensie) en het andere is het idee dat er door de politiek en in de maatschappij onrechtvaardig wordt omgegaan met moslims en dat de islam daardoor bedreigd wordt (politieke dimensie). Dezelfde standpunten kunnen echter bij de één ertoe leiden dat hij zich extra voor de samenleving gaat inzetten en bij de ander dat hij zich juist van de samenleving afwendt.’ Met andere woorden, de sociologie schiet tekort als het gaat om de verklaring van het ‘omslagpunt’ waarop een jonge man of vrouw terrorist wordt.

Uit de journalistieke literatuur verrijst een ander beeld. Zo blijkt uit de twee jaar durende, intensieve contacten van de Volkskrant-_journalisten Janny Groen en Annieke Kranenberg met een groep ‘zusters’ in en rond de Hofstadgroep vooral hoe _Nederlands die meiden zijn. Ze spreken goed Nederlands en zijn zich volkomen bewust van hun rechten als Nederlandse burger, inclusief het recht op een goede opleiding en het recht om je mening te uiten en uit te dragen in je kleding. Ze kiezen niet onder dwang van hun ouders of orthodoxe broers voor het dragen van de niqaab, maar vaak tegen de wil van hun familie. Ze worden thuis voor ‘terrorist’ en ‘Taliban’ uitgemaakt of regelrecht het huis uitgezet, wanneer blijkt dat ze zich met radicale jongens afgeven. Hun voortraject, om het zo maar zo te noemen, is dus allesbehalve traditioneel. En ze breken zelf met de samenleving, te beginnen met hun ouderlijk huis.

De meisjes verdiepen zich vaak beter dan de jongens in de koran en andere islamitische bronnen. Ze leren Arabisch, bezoeken lezingen en moskeeën en vallen imams lastig met ingewikkelde vragen over de rol van de vrouw in de islam en over de vrouwen van de Profeet. Wat het geloof zelf betreft worden ze vooral aangetrokken door de eenvoud en zuiverheid van de leer en door het klassieke Arabisch, dat zoveel meer tot de verbeelding spreekt dan het weinig bloemrijke Marokkaans of Berbers dat ze van huis uit hebben meegekregen. De meisjes verwerven soms groot gezag op islamitische webforums, waar ze door de jongens tot ‘droomzusters’ worden verklaard. Het gebeurt niet zelden dat zulke meiden een huwelijksaanzoek per e-mail krijgen van een jonge mannelijke bekeerling. Om de breuk met hun afkomst te markeren, sluiten ze nogal eens ‘informele islamitische huwelijken’ zoals de aivd het noemt. Hun aandeel daarin is echter allerminst passief; ze kiezen er zelf voor, ze ‘pikken’ weinig van hun vaak nog napuberende echtgenoten en maken er even zo vaak zelf weer een einde aan.

Een journalistieke tegenpool van het boek van Groen en Kranenberg is het uitgewerkte rechtbankverslag van verslaggever Emerson Vermaat. Een ‘Nederlandse’ jihad bestaat volgens Vermaat alleen in geografische zin. De actoren zijn Nederlanders, maar beschouwen zich als martelaren in een internationale confrontatie waarvan de slagvelden liggen in Irak, Afghanistan of Tsjetsjenië en de inspiratiebron in Mekka. De ideologie van de Hofstadgroep ‘heeft met de Nederlandse cultuur en traditie van godsdienstvrijheid en tolerantie helemaal niets te maken’. In combinatie met het boek van Groen en Kranenberg opent Vermaats opmerking een perspectief dat de moeite waard is om te exploreren: hoe Nederlands zijn onze vaderlandse jihadstrijders eigenlijk?

Is er een analogie met de Britse bommenleggers van 7 juli 2005, van wie ook nog steeds onduidelijk is hoe ze tot hun daad kwamen? De Britse journalist Brendan O’Neill, uitgever van het online-tijdschrijft Sp!ked, schreef een opmerkelijk artikel tegen de neiging van autoriteiten en media om de Londense bomaanslagen toe te schrijven aan ‘buitenlandse infiltratie’: ‘De bommenleggers van 7/7 waren – net als de kapers van 9/11 en de bommenleggers in Madrid vóór hen – geen slachtoffers van armoede en ook geen vreemden in het Westen. Ze leefden hier, profiteerden van westerse opleidingen en banen en gingen op in de westerse cultuur. En toch besloten ze zichzelf en anderen te doden in een staaltje van bloedig, nihilistisch theater.’

O’Neill komt tot de conclusie dat de bommenleggers zonder ‘breekpunt’, zonder steun van radicale imams, moskeebezoek, isolement, discriminatie of agitatie tot hun daad kwamen. Ze waren sportschooljongens, aanhangers van een door de Britse overheid gepropageerde gezondheidscultuur die zich erop toelegden hun lichaam aan hun wil te onderwerpen. Daarin gingen ze uiteindelijk zo ver dat ze hun lichaam als wapen in een (naar hun vaste overtuiging dodelijke) eindstrijd gebruikten. Hun motief ontleenden ze volledig aan de Britse discussie over de Irak-oorlog zoals die op het scherp van de snede werd gevoerd in de reguliere media. Er kwam geen radicaal traktaat aan te pas. Ze werden niet miskend of onderdrukt door de mainstream, ze waren zelf mainstream, schrijft O’Neill.

Soms is er een geniale buitenstaander nodig om sleetse conventies te doorbreken. Die buitenstaander is in dit geval de Duitse essayist Hans Magnus Enzensberger. Zijn verhandeling De radicale verliezer begint waar de sociologie ophoudt: bij de psychologie van de eenling die zich om wat voor reden ook de ‘verliezer’ van de samenleving en van het leven in het algemeen waant. Hij is een wandelende bom die kan ontsteken door een willekeurige aanleiding: een vernedering, de afwijzing door een geliefde, ontslag. Zijn ideologie ‘komt op de allerlaatste plaats. Om het even of het om religieuze of politieke doctrines gaat, om nationalistische, communistische, racistische dogma’s – elk sektarisme, hoe geborneerd ook, is in staat de latente energie van de radicale verliezer te mobiliseren.’

Die energie ontlaadt zich in een zelfmoordactie (of een daad die zeer waarschijnlijk tot de eigen dood leidt), omdat daardoor zowel de haat als de zelfhaat van de verliezer definitief wordt bezegeld. Het boekje van Enzensberger is een eye-opener omdat het de psychologie van de extremist ontdoet van alle ideologische ballast, zodat we zijns gelijke ook onder autochtone Nederlanders herkennen (bijvoorbeeld in de ogenschijnlijk ‘brave’ huisvader die plotseling zijn gezin uitmoordt). Niet voor niets noemde Ian Buruma het in een bespreking in The Guardian de ‘beste verklaring voor de bomaanslagen die ik tot nog toe heb gelezen’. Hij mist bij Enzensberger enkel het seksuele aspect dat volgens Buruma in de biografie van elke radicaal een prominente rol speelt. Bijvoorbeeld bij Mohammed Bouyeri, de moordenaar van Theo van Gogh, die in de knoop kwam doordat hij maar geen Nederlandse meisjes kon versieren en ‘doorsloeg’ toen zijn zus wel een vriendje bleek te hebben.

Het essay van Enzensberger opent de weg naar een onbevangen studie van de denkbeelden van iemand als Bouyeri. Zoals elke verliezer beschouwt Bouyeri zichzelf als pion in een wereldwijde eindstrijd tussen goed en kwaad, waarheid en leugen: ‘De strijdt tegen de Waarheid is al sinds het bestaan van de mensheid in volle gang. Het leger van de Satanische krachten hebben vandaag de dag overal hun monsters klaar staan om de mensen, die oproepen tot de compromisloze waarheid, op te pakken en levend te begraven in hun beestachtige kerkers’ (Dit is de weg!, een geschrift van Bouyeri uit maart 2004).

Hoezeer Bouyeri zijn opvattingen in een permanente dialoog met de Nederlandse samenleving ontwikkelde, blijkt wel uit het startpunt van zijn radicalisering. Dat valt samen met het moment waarop Nederland voor het eerst massaal over ‘normen en waarden’ discussieert. Het begrip is in juli 2002 voor het eerst gebezigd door Herman Heinsbroek, minister van Economische Zaken in het aanstaande kabinet-Balkenende I. De term wordt opgenomen in de regeringsverklaring die Balkenende op 22 juli presenteert en de volgende dag praat heel Nederland erover. Welnu, de eerste militante tekst van Mohammed Bouyeri is uitgerekend getiteld Normen en Waarden en dateert van augustus 2002. Daarin tracht hij een islamitisch antwoord te formuleren op het ‘hang’-gedrag van de Marokkaanse jongeren met wie hij werkt.

Bouyeri’s radicale visie is een antwoord op Nederlands beleid en op typisch Nederlandse discussies over integratie: ‘Aangezien de Nederlandse politiek haar burgers (vooral allochtonen = moslims) stimuleert om actief deel te nemen aan maatschappelijke vraagstukken en de burgers stimuleert om haar verantwoordelijkheid hierin te nemen; zijn er inderdaad mensen opgestaan die deze maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben genomen. Deze mensen hebben zich niet alleen de maatschappelijke verantwoordelijkheid van Nederland aangetrokken, maar die van de hele wereld en het tot hun taak gemaakt om deze te bevrijden van vooral de democratische slavernij.’

Zijn geschriften houden gelijke tred met het grote nieuws, dat wil zeggen de selectie daaruit die door de Nederlandse media gepresenteerd en becommentarieerd wordt: de inval in Afghanistan, de oorlog in Irak, de rellen rond ‘Kyoto’ en het Internationale Strafhof, de ‘kruistocht’ van George Bush tegen de islam. Net als in de Nederlandse pers moet ook ‘America’ het in zijn teksten steeds vaker ontgelden.

Het zijn, zou Enzensberger zeggen, niet meer dan slogans waarmee hij zijn worsteling in een denkbeeldig mondiaal kader plaatst. In werkelijkheid zoekt Bouyeri naar een reden om hier, in Nederland, geweld te plegen, schrijft Arabist Ruud Peters in de gerechtelijke expertise die hij in opdracht van justitie maakte van de harde schijf van Bouyeri’s computer. Hij produceert in de loop van 2004 een aantal teksten waarin hij het gebruik van geweld tegen ongelovigen in Nederland rechtvaardigt. De belangrijkste is de Verplichting van het doden van degene die de profeet (sallallahu alaihie wa sallam) uitscheld van 2 juli 2004. Het is een vertaling van een fragment van de veertiende-eeuwse auteur Ibn Taimiya, die zeer populair is bij hedendaagse islamisten, aldus Peters: ‘Taimiya beargumenteert daarin dat moslims de plicht hebben om personen – moslims of niet-moslims – die de profeet beledigen ter dood te brengen. Dit opent natuurlijk perspectieven binnen Nederland.’

De term ‘perspectieven’ is een academisch understatement. Bouyeri zoekt de dood, een dood waarin hij willens en wetens anderen meesleept. Hij geniet bij voorbaat van dat ‘moment van eenmalige immense macht’, zoals Enzensberger het noemt, dat tegelijk een triomf over de wereld en een definitieve afrekening met zijn eigen, waardeloos en machteloos geachte zelf betekent. ‘Alles kent zijn einde en sterft’, schrijft Bouyeri in de afscheidsbrief die hij op Van Goghs ontzielde lichaam prikt: ‘De dood is het gemeenschappelijke thema van alles wat bestaat.’

Het is de verdienste van Arabist Hans Jansen, die Bouyeri’s afscheidsbrief zorgvuldig heeft geanalyseerd, dat we de laatste fase van zijn geestelijke worsteling ook in de taalkundige details kunnen volgen. Uit de brief blijkt zonneklaar dat Van Gogh niet Bouyeri’s gedoodverfde slachtoffer was. De moord was een signaal aan Ayaan Hirsi Ali die zo goed bewaakt werd dat hij haar niet dicht genoeg kon benaderen. ‘Dit is een open brief aan een ongelovig fundamentalist, Ayaan Hirshi Ali, van de Thaghoet partij vvd’, luidt de aanhef. Toch is ook zij volgens Bouyeri slechts een instrument in handen van ‘joden’. Waarom richt hij zich speciaal dan tegen haar en niet tegen ‘joden’? Omdat zij een vrouw is, zouden Enzensberger en Buruma antwoorden. Mannelijke verliezers die zich niet kunnen neerleggen bij het verlies van hun historische primaat hebben nu eenmaal een ‘hogere imaginaire valhoogte’ dan vrouwen, schrijft Enzensberger. Daarom was een vrouw Bouyeri’s favoriete doelwit.

De aanhef bevat nog een voor Arabisch-islamitische brieven ongewone formulering. Na Allah te hebben aangehaald als ‘Emir van de mujahedien’ noemt Bouyeri hem vervolgens ‘de lachende doder’. Die kwalificatie komt volgens Jansen niet uit de koran of hadith (de ‘overlevering’ omtrent Mohammed): ‘Lachen wordt in Hadith en Koran niet hoog gewaardeerd. Wie lacht, heeft de ernst van waar hij mee bezig is, niet helder voor de geest staan. De formule “de lachende doder” roept dan ook bevreemding op.’

Mogelijk berust de uitdrukking op een passage bij Ibn Ishaak, Mohammeds eerste biograaf, waarin de Profeet lacht tijdens zijn massamoord op de mannen van de joodse Koeraiza-stam. Hij lacht echter niet om de moorden, maar om een nevenvoorval. Hoe dit ook zij, het lachen staat in verband met een antisemitisme dat misschien wel de grootste gemene deler van alle verliezersideologieën op aarde is. Het is de sociologen vergeven dat zij ook dit aspect in hun terrorismeanalyse missen. Hun wetenschap is niet de enige die tekortschiet in de verklaring van de fantasmatische dimensie van het menselijk bestaan.